Volzinlezing: ‘Oud baart nieuw’ door Mechteld Jansen

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
“Traditie is een dynamisch begrip, want zij wordt steeds door mensen doorgegeven. Alle tradities samen vormen een reservoir aan betekenissen en zingeving en onvervulde beloften die tot leven gewekt kunnen worden.” Volzinlezing 2019 door Mechteld Jansen.

Mechteld Jansen, Volzinlezing, Abdij van Berne, 18 mei 2019. Beeld: Ted van Aanholt

Voor onze Lieve Vrouwe, Pour Notre Dame heet de compositie van de componiste des vaderlands, de Nederlands-Griekse Calliope Tsoupaki, die zij schreef bij de verwoestende brand van de Notre Dame. De oude dame met de miljoenen gebeden die uit haar opgestegen zijn, de miljoenen kaarsjes die in haar gebrand hebben voor alleen God weet hoeveel intenties, deze ziel van Europa lag in puin. En om haar heen verzamelden zich de mensen, mobieltjes in de hand, ontzetting in de ogen. Met die mobieltjes werden niet alleen maar foto’s gemaakt, maar ook teksten opgezocht van aloude Mariadevotie. Jonge mensen knielden, ouderen zetten aarzelend liederen en gebeden in. Mensen met een rozenkrans, mensen met een regenboogvlag en ik hoorde een jonge mevrouw in de camera zeggen: “Het is een onvoorstelbare ramp die zich hier voltrekt. Maar misschien wordt nu een heel klein beetje licht geworpen op het onzichtbare werk dat ook vanuit de Notre Dame gedaan wordt voor al die dak- en thuislozen in de buurten hier omheen”.

Wat gebeurde daar? Daar werd getreurd, daar werd ontzetting gedeeld, daar was stilte en verslagenheid in duizenden harten. En je kunt ook wel cynisch doen over de grote commerciële bedrijven met de klinkende merken, die meteen met naam en toenaam natuurlijk de miljoenen toezegden. En over de stoere politieke uitspraken: fik deze tempel af en ik zal hem binnen vijf jaar weder opbouwen. Maar ik ben er vandaag niet voor het cynisme, ik ben er om in die Oude Dame en haar droevige lot van dat moment iets nieuws te zien: we kunnen niet zonder deze Oude Dame verder, werd er gezegd. Oud baart nieuw.

De oude traditie, nu even samengevat in die grote oude dame, baart iets nieuws. Het eerste deel van mijn lezing zal over de traditie gaan. Maar het oude klinkt ook als het verouderde, als datgene wat wij achter ons gelaten hebben, de religies die als oude dames nog wel hun laatste voetje achter de rollator verzetten, maar moderne mensen lopen haar voorbij en staan op eigen benen. Het tweede deel van mijn lezing zal over secularisme gaan.
Ten slotte, om de traditie te verstaan, zal iets van haar taal, haar verbeeldingskracht, haar muziek en symboliek, doorgegeven moeten worden als meer dan een museumstuk. De Oude Dame, Notre Dame, deed me denken aan die oude mooie dames in de Bijbel die op wonderlijke wijze alsnog een kind baarden. Maar ja, naar die verhalen – van Sara tot Elizabeth – kun je zomaar niet verwijzen als niemand om je heen die verhalen meer kent. Daarom is het derde deel van mijn lezing gewijd aan religieus analfabetisme.

Tradities en De Traditie. (1)
Onze geschiedenis, onze traditie is niet een opslagplaats van afgedane zaken, maar een bodem waarop heel veel lagen van de culturele geschiedenis bezonken zijn. Mensen zijn in het algemeen geen bedenkers van absolute nieuwigheden, maar zij maken nieuwe creaties door zaken uit die lagen van gesedimenteerde geschiedenis op een nieuw manier met elkaar te combineren. Door middel van een ketting van interpretaties en herinterpretaties proberen we de afstand te overwinnen die er tussen het heden en het verleden, het oude en het nieuwe, ligt. We kunnen ons nooit helemaal identificeren met mensen uit het verleden, zoals men wel dacht in de Romantiek. Maar aan de andere kant is die afstand ook weer niet onoverbrugbaar groot, want dan zou alles wat er gezegd en gedaan is in het verleden geen enkel effect op ons hebben in het heden.

Tradities zijn de materiële kant van die ketting van herinterpretaties, wij zijn in West-Europa erfgenamen van de Griekse traditie, van de Hebreeuwse, van de Keltische en de Germaanse. Dat geldt voor verhaaltradities, politieke tradities, wetenschap en kunst. Niets is voor altijd helemaal afgesloten. De erfenissen van joden en christenen en moslims, Grieken en Romeinen, humanisten in de Renaissance en de Verlichting, geen van die tradities zijn helemaal uitgeput of vervuld. De traditie is dus een dynamisch begrip, want zij wordt steeds door mensen doorgegeven. Alle tradities samen vormen een reservoir aan betekenissen en zingeving en onvervulde beloften die tot leven gewekt kunnen worden.

Het woord ‘traditie’ wordt ook wel vaak met een hoofdletter gebruikt: de Traditie zegt, de Traditie schrijft voor de Traditie wil iets van ons. Elke grote traditie wil een voorstel voor zingeving aan het geheel doen en elke traditie wil voor waar gehouden worden. Zolang je ín een traditie staat, bijvoorbeeld de christelijke, is de taal van die traditie je moederstaal. Je leert pas later, dat andere mensen ook andere talen spreken en je leert pas later dat andere mensen in andere tradities staan. Zolang in Nederland die algemeen gangbare christelijke traditie nog gemeengoed was, gold het ‘christelijks’ als algemene moedertaal. In mijn jeugd gold het ‘christelijks’ ook als beschaafde taal. Het atheïstisch spreken werd eigenlijk als onbeschaafd beschouwd en gelieerd aan Hitlerisme en Stalinisme. Dat is nu veranderd en soms zelfs omgekeerd.

Tradities bestaan natuurlijk ook uit gewoontes, usance, zoals het zingen op een verjaardag: met levende tradities kun je spelen, variëren, grappen maken en juist daardoor blijven ze in stand, daar kunnen ze wel tegen. Van generatie op generatie komt daar iets heiligs omheen, ontzag, autoriteit van dé Traditie en van de taal waarin die traditie tot ons komt. Tradities worden dan sjibbolets, toegangscodes waarmee je aangeeft dat je in die traditie thuis bent. Wanneer men daarmee tradities wil beschermen en vooral voor elke herinterpretatie wil behoeden, ontneemt men de zeggingskracht en daarmee houdt men tradities niet levend. Ze blijven alleen levend als ze een bron van herinterpretatie mogen zijn en als ze een stoot van ideologiekritiek kunnen verdragen.

Met de wapenen van ideologiekritiek leg je de belangen bloot die mensen kunnen hebben bij een bepaalde traditie, bij een bepaalde voorstelling van zaken. Mensen hebben bijvoorbeeld commercieel belang bij de traditie van Moederdag of Vaderdag, of dierendag; mensen hebben kerkelijke belangen of commerciële belangen bij de traditie van Kerst en als het kerstkind niet meer in de commerciële belangen past, dan schrappen we het kerstkind gewoon en maken we er de Eindecemberfeesten van. Maar ideologiekritiek komt zelf ook weer ergens vandaan, namelijk óók uit een traditie, meestal de traditie van de Verlichting. Ideologiekritiek kan zich niet presenteren als iets wat boven de tradities uitgaat. Het staat in de traditie van emancipatiebewegingen en kan putten uit de traditie van de Exodusverhalen en van de Opstandingsverhalen, de grote bevrijdingsverhalen uit de Bijbel.

Wanneer christenen zich op een goede manier herinneren tot welke traditie zij behoren, laten zij zich wel gezeggen, maar niet gevangen nemen door de traditie. Het gaat volgens een tekst van Hannah Arendt, niet om de autoriteit van de traditie maar om de traditie van de autoriteit: hoe heeft autoriteit, gezag, zich in onze geschiedenis gemanifesteerd en aan wie/wat hebben wij autoriteit toegekend? Van de hoeders van politieke en kerkelijke tradities mag gevraagd worden dat zij de tradities als kettingen van overlevering behoeden, doordat zij deze niet als rem, maar als bron van creatieve herneming aanbieden. We willen af van de traditie als alleen maar conventie, maar we willen en kunnen niet af van traditie als zodanig. Traditie zelf baart kritiek op die traditie. Wanneer traditie louter wordt ingezet als afgrenzing van het griezelige (dat wat we niet kennen), zoals in het gebruik van de ‘joods-christelijke traditie’ om jezelf of je land te vrijwaren van vreemde smetten, dan zit je op de ideologische kant. (2)

Laten we nog even naar de treurende mevrouw bij de brandende Notre Dame gaan. Het ging haar niet alleen om het monument maar om de waarde daarvan voor zoveel mensen in de grote stad. Levende godsdienst is geen monumentenzorg, maar het waken bij de slachtoffers van de geschiedenis opdat er niet nog meer vallen. Het oude baart alleen maar het nieuwe, als er zorg is voor levende tradities; binnen het christendom zijn er verschillende traditiekettingen met elk hun eigen parels en met elk hun eigen verroeste schakels. Zorg voor de traditie vat ik op als meer dan zorg voor religieus erfgoed, hoewel dat ook belangrijk is. Het gaat om het belang dat gehecht wordt aan het uitpakken aan dat erfgoed, de betekenislagen die alleen door menselijke toe-eigening tot stand komt. De traditie stelt zich vrijelijk en kwetsbaar ter beschikking, grotendeels zelfs gratis, er kan mee gesjoemeld, gestoeid, getroost en geruzied worden.

Als christenen zich niet meer bekommeren om zorg voor de traditie, dan laat dat op het ogenblik een deel van de mensen onverschillig. Maar een ander deel van de mensen raakt betoverd door profeten en filosofen die ons vertellen waar we vandaan komen en waar we naartoe moeten. Zij vullen daarmee het gapende gat van het verlangen met verwijzingen naar een vermeend rasecht verleden. Baudet ontfermt zich over de christelijke geschiedenis en traditie van Nederland, maakt er een wortel voor nationalisme van en voedt daarmee een begrijpelijk verlangen, dat niet vervuld wordt als christenen het lef niet hebben om het doorslaggevende van het evangelie onder woorden te brengen. Bang voor Baudet ben ik verder niet, omdat hij te ijdel zal zijn om zijn gedachtegoed verder te dragen als hij met tegenslag te maken krijgt. Maar anderen zullen zijn stokje overnemen en zelf steeds aan nationalistische traditievorming blijven doen.

Secularisme
We leven met elkaar in een atmosfeer waarin het religieuze en het seculiere altijd op een bepaalde manier met elkaar samenhangen. Ze zijn niet van elkaar te scheiden. Wat je over het religieuze zegt heeft repercussies op wat je over het seculiere zegt en andersom. (Bijvoorbeeld: engelenhaar en de boerkini, zijn die religieus of seculier?). Als ik me echter met het secularisme bezighoudt, dan gaat het me om die beweging die een scheiding zou willen aanbrengen tussen het seculiere en het religieuze en er naar streeft de invloed van het seculiere zo groot mogelijk te maken ten koste van het religieuze. (3)

Deze beweging wordt gedragen door wat wel genoemd wordt een totaal-immanent wereldbeeld: er is of verwijst niets naar iets buiten deze wereld. De wereld is in zichzelf opgesloten en moet zichzelf uitleggen binnen haar eigen materiële begrenzingen. Evenzeer is de mens voor alle vormen van ontplooiing én redding uit diepste schuld, schaamte of eenzaamheid op zichzelf aangewezen. Dit secularisme bestaat wereldwijd in vele varianten als we kijken naar de ordening die op grond daarvan tussen politiek en religie wordt aangebracht. Er zijn dus verschillende secularismen, maar daar kan ik in het kader van deze lezing niet verder over uitwijden. Het secularisme manifesteert zich vaak als een discours dat progressief, grootstedelijk, gender-gelijkwaardig en postkoloniaal is, zowel op het gebied van staatsinrichting als op het persoonlijke gebied. Secularisme wordt voorgesteld als onontkoombaar voor zowel moderne democratische staten als moderne individuen. (4) Het is een stadium in de menselijke ontwikkeling, die hoger staat dan het religieuze stadium, vooral vanwege de tolerantie die in het secularisme schuilt. Alleen op het platteland zijn nog plukjes gelovige mensen, gebonden aan traditionalisme, te vinden, zo is dan de voorstelling. De secularistische mindset werd in 1965 al heel bondig beschreven door Harvey Cox in zijn Secular City: “We have moved beyond the religious stage of human history into our present secular stage”. (5)

In dat kader wordt religie, en meer in het bijzonder religie van immigranten, een bedreiging voor de gevestigde orde van niet-gelovigen. Religie moet gedisciplineerd worden. In de laatste jaren van de 20ste en begin van de 21ste eeuw werd dit discours, gekoppeld aan de joods-christelijke traditie, vooral tegenover de islam gebezigd. De joods-christelijke traditie had zichzelf geseculariseerd: vrijheid, moraliteit, rede, democratie en mensenrechten werden beschreven als de goede overblijfselen van de joods-christelijke traditie. Speciaal de rechten van vrouwen en meisjes waren plotseling de uitvindingen van het secularisme geworden en tegenover de starre niet-geseculariseerde Islam geplaatst. Onderzoekers als Talal Asad, Wendy Brown, Judith Butler en Joan Wallach Scott toonden intussen aan, dat het beeld dat het secularisme hier van zichzelf, van de joods-christelijke traditie en de islam schetst, wel zeer eenzijdig en bezijden de waarheid is. Met name de postkoloniale feministische denkers als Judith Butler en Joan Wallach Scott tonen overtuigend aan dat dit beeld niet klopt met de historische werkelijkheid. Wallach Scott durft zelfs de stelling om te keren en geeft aan dat secularisme en seksisme hand in hand zijn gegaan, waar religie en vrouwelijkheid aan elkaar werden gekoppeld en tezamen afgewezen als krachten voor de vooruitgang van de moderne wereld. Zij heeft daarvoor de nieuwe term gemunt: sexularism (6).

Zelfkritiek van kerk en missie droegen intussen ook bij aan de secularisatie van de wereld van de hulpverlening en de ontwikkelingssamenwerking. In de jaren ’60 van de vorige eeuw werd secularisatie toegejuicht door radicale stromingen in de theologie, omdat een wereldlijk christendom gericht op het leven hier en nu dringend nodig was. Hoewel deze radical theology niet het secularisme omarmde, verwelkomde het wél de secularisatie als een authentieke bijbelse houding in de samenleving. Bijbels geloof, zo benadrukte men, staat even kritisch tegenover de afgoden van het christendom als tegenover de afgoden van elke andere ideologie. Proselitisme, kolonialisme, het samengaan van handelsbelangen met bekering, het kwam allemaal terecht onder vuur te liggen. Het is echter de vraag of de huidige secularistische missie, met name in niet-westerse landen, zich niet evenzeer werpt op proselitisme.

Verzet tegen secularisme tekent zich af in verschillende vormen. 1) Men kan het secularisme koelbloedig of  heldhaftig ontkennen. 2) Men kan vluchten in fundamentalisme. Bij beide ontkenningen willen we even kort stilstaan.

bij 1) Bij de ontkenning van secularisme stelt men gewoon tegenover het secularisme een opkomst van velerlei religieuze ontwikkelingen die zich weliswaar onttrekken  aan de institutionele vormen van religie. Bij de ontkenning van secularisme kan men ook alle nadruk leggen op de ethische doorwerking van religieuze teksten in mensenrechten, het opkomen voor humaniteit, waardenoriëntatie in de samenleving als geheel waarbinnen gerechtigheid en barmhartigheid blijvend van belang zijn. Of men kan een onderscheid aanbrengen tussen de fides quae en de fides qua en naar voren brengen dat hoewel de leerstellige inhoud van het geloof niet meer wordt beleden, er desondanks veel emotionele aanhankelijkheid aan het geloof zichtbaar is

bij 2) De vlucht in fundamentalisme. De beweging terug naar de onwankelbare fundamenten is deels een reactie op de bedreigingen van het secularisme. Fundamentalisme houdt sterk vast aan de fides quae, de inhoudelijke geloofsuitspraken. Het speerpunt van fundamentalisme is niet zozeer tegen aanhangers van andere religies of levensbeschouwingen gericht, maar op de geloofsgenoten die veel te veel water bij de wijn doen. Fundamentalisme wordt gemarkeerd door een zekere haast: er is geen tijd voor nuances of ambiguïteiten, want de eigen groep dreigt verloren te gaan aan haar innerlijke secularisme. In de strijd omarmt het fundamentalisme een absolute waarheidsclaim, onfeilbaarheid van religieuze kennis, en een dualisme tussen geloof en wetenschap.

Oude tradities baren alleen iets nieuws als zij zich juist een goed verstaander tonen van secularisme enerzijds en fundamentalisme anderzijds. Immers, zowel secularisme als fundamentalisme houden de mensen die ‘staan en zich willen bewegen in de traditie’ een spiegel voor.

Zie het boek van George Levine, The Joy of Secularism (7), en let op de theedoekachtige omslag, die iets uitstraalt van the Joy van gezellig samen koken of gezellig picknicken op een geruit kleed. Waar gaat het in dit boek om? Je kunt heel goed gelukkig en zinvol leven zonder religie. Intense, passievolle, seculiere momenten bestaan in schoonheid, verwondering, en… vervulling. Dat laatste is een belangrijk woord, omdat de Canadese filosoof Charles Taylor immers had beweerd in A Secular Age, dat voor ‘vervulling’ toch echt iets van de Andere kant moet komen, een transcendentie die je met materialistische middelen niet kunt bereiken. Welnu, de schrijvers in The Joy of Secularism menen dat je die vervulling wel degelijk zonder religie kunt bereiken.

In mijn jeugd bestond er een sarcastisch liedje over een jongen die aan zijn vader vraagt hoe je christen moet worden. De vader antwoord: christen zijn dat is geen pretje. De vader zegt dat je wekelijks naar de kerk moet en dagelijks goede werken moet laten zien, de dominee zegt dat je dan moeilijke termen moet leren. Nee, word dan secularist.  Het bevrijdt je van een enorme hoop overbodige autoriteit. Van vele verplichtingen. Van vele tijdrovende gewoontes. Van vele schuldgevoelens. Ook van het gevoel dat je verantwoordelijk gehouden wordt voor een gehele erfenis. Ik versta die bevrijding van het secularisme en zelfs iets van de vreugde ervan. Maar na of naast die bevrijding, kan het secularisme ook weer beknellend worden, namelijk in die zin dat alles híer moet gebeuren, dat alles nú moet gebeuren en vooral dat alles door mijzélf moet gebeuren.

De oude traditie van het christelijk geloof baart alleen iets nieuw als zij het secularisme verstaat en in seculiere taal kan spreken, ofwel zodanig christelijk kan spreken dat de seculiere mens ervan ophoort. Dat betekent niet, dat alle traditionele taal opzij gezet moet worden: er blijven krachtige woorden uit de traditie over. Bovendien is niet alles in taal te vatten, muziek en rituelen en diaconale handelingen spreken boekdelen. Maar er is een schat aan zeggingkracht uit de traditie die nooit opgebruikt raakt en tot nieuwe vertaling en praktijken aanzet. Die schat raakt echter meer en meer verborgen door een fenomeen waarop ik nu de aandacht wil richten.

Religieus analfabetisme
Religieus analfabetisme  (8) is niet alleen een sociologisch feit maar ook de historische uitkomst van het veronachtzamen van het aanleren van religieuze talen. Dit analfabetisme betreft zowel mensen die in bepaalde religieuze tradities zijn opgegroeid maar daarvan vervreemd zijn geraakt, als mensen die er nooit kennis van genomen hebben. Het grootste probleem daarbij is dat deze onwetendheid leidt tot vooroordeel en intolerantie. Wetenschappers die hoog aangeschreven staan in hun vak (filosoof René van Woudenberg en terrorismedeskundige Beatrice de Graaf) en daarbij aangeven ook stevig verworteld te zijn in een religieuze traditie, in  dit geval de christelijke, lopen het risico in hun vak niet meer serieus genomen te worden.

We leven middenin een heuse religieuze klimaatverandering. Het religieus analfabetisme in Europa is zo diep, dat het niet met een paar jaar verplichte educatie op alle middelbare scholen zomaar is op te lossen. Maar het is een nog veel grotere en gevaarlijker denkfout dat het in de komende vijftig jaar is op te lossen zónder een serieuze input van adequate kennis. Het gaat niet om pessimisme, maar om de manier waarop we met religieuze onverschilligheid omgaan. Het dilemma wordt niet gecreëerd door migranten, maar het wordt door nieuwkomers wel aan het licht gebracht. Het is een kennisarmoedige duisternis. Het probleem zit dus niet aan ‘hún’ kant –  de nieuwkomers die allerlei mythische gekkigheid en waanvoorstellingen met zich meenemen – maar het zit aan ‘ónze’ kant –  de oudkomers die hun eigen mythologie niet op orde hebben. Het is een sociaal kwaad, waarvan de slachtoffers de schade dragen en die overeenkomt met die andere vorm van analfabetisme: het gewoon niet kunnen lezen en schrijven. Analfabetisme werd politiek gebruikt om de mensen dom te houden; religieus analfabetisme wordt eveneens politiek gebruikt om over de mensen te heersen. Als je religie ziet als iets van vroeger of als iets dat door migranten wordt binnengebracht, of als iets dat alleen nog door fundamentalisten wordt beleden, dan wordt religie iets wat thuishoort in de categorie van angst-management. Op politiek vlak lijkt men er vaak op die manier naar te kijken: we moeten ons met religie bezighouden, omdat we er bang voor zijn en omdat het niet netjes achter de voordeur verdwijnt, zoals we dachten.

Er zijn veel verschillende oorzaken voor het religieus analfabetisme aan te geven en ik beperk mij tot slechts enkele. Onderwijskundig kan ik er op wijzen dat memoriseren niet hip is en dat we dus weinig teksten of liederen echt uit ons hoofd leren. Toch was het meegeven van een schat aan verhalen, gebedsteksten en liederen wel handig. Gedeeltes van die schat kunnen je zomaar ‘invallen’ bij bepaalde gebeurtenissen van je leven. Daarmee interpreteren en kleuren ze die gebeurtenissen, ze troosten je of dagen je uit. Onderwijskundig lijkt soms ook de gedachte opgeld te doen dat je jonge mensen iets van alle tradities moet meegeven. Dat draagt als risico in zich dat alles eindeloos verdund wordt. Het kan een soort Esperanto gaan vormen,  dat zoals we weten nooit een levende taal is geworden.

De Tilburgse theologe Toke Elshof brengt religieus analfabetisme in verband met een religieuze generatiekloof. (9) Ouderen die geboren zijn vóór 1970 blijken een grotere religieuze geletterdheid te bezitten dan jongeren, ook al gaan beide groepen minder naar een kerkelijke of andere religieuze gemeenschap. Ouderen herkennen religieuze symbolen in verhalen en rituelen, ook al kunnen zij die niet altijd heel exact plaatsen. Maar zij herkennen de religieuze verwijzingen in de maatschappij. Jongeren daarentegen groeien niet meer op met deze verhalen, namen en gewoontes. Dat heeft niet alleen gevolgen voor hun herkenning van godsdienstige elementen in cultuur en samenleving, maar ook op hun persoonlijke repertoire aan houvast in tijden van diepingrijende ervaringen. Elshof geeft daarvan een voorbeeld uit haar eigen ziekenhuispraktijk, waar zij een jong stel begeleidde in grote ontreddering omtrent hun pasgeboren baby die een levensbedreigende ziekte had en zou komen te overlijden. Zij hadden geen idee van de doop, maar wel ooit eens gehoord dat je een dergelijk ritueel kon aanvragen. En dat deden zij dus. De geestelijk verzorger merkte dat iedere vorm van religieus vocabulaire hun vreemd was. Hoe gaan we in zo’n situatie om met een authentieke vraag naar iets van een ritueel, iets wat hen draagt, iets wat hen niet terugwerpt op henzelf?

Want daarop wil ik ook wijzen: in een context van secularisme en bij het verdwijnen van  religieuze alfabetisering gaat het niet alleen maar om het risico van onverdraagzaamheid en vooroordeel ten aanzien van religies, maar  het gaat er ook omdat je jonge mensen iets gunt van een samenhangend verhaal waarbinnen zij hun lotgevallen in het leven kunnen plaatsen of waartegen ze hun leven kunnen afzetten.  Het past wellicht in het gegeven dat áls jongeren al aan religie denken, het vooral de transcendente zijde is die hen daarin trekt. De kracht van het christelijk geloven in deze tijd zou juist weleens kunnen zijn dat het centrum daarvan niet het ‘zelf’ is. Jongeren moeten heel veel zelf en heel veel van zichzelf. Maar religie biedt een kader waarin het ‘ik’ niet zelfredzaam hoeft te zijn en niet totaal autonoom. Het leven is niet maakbaar en te construeren en je hoeft niet zelf je hele levensboek te schrijven. Het leven wordt ontvangen en je bent daarin voortdurend op de ander aangewezen.

Het gaat bij het religieuze analfabetisme om onkunde van religies als geheel van verbeelding, expressie, ethische houding, filosofische overtuigingen, politieke stellingnamen, rituelen en gedragingen, gewoontes en denominationele verschillen en overeenkomsten met andere families van religieuze stromingen. Er zijn zorgen om het materiële religieuze erfgoed, maar vooral ook zorgen om het immateriële religieuze erfgoed. Erfgoed is er om uitgepakt te worden en je hoeft er niet alles van te accepteren, maar het is mooi als je het bedachtzaam door je handen, je hoofd en je hart kunt laten gaan. Als je dat gegund wordt.

Slot
Oud baart niet vanzelfsprekend iets nieuws. En als oud iets nieuws baart, is het niet vanzelfsprekend iets beters. Als de oude tradities iets waardevols baren, gaat het om persoonlijk en publiek geloof. Te midden van een enorme honger naar erkenning van het zelf, en naar groepsidentiteiten, (die heel grappige én heel griezelige vormen aan kunnen nemen, zoals wanneer een koor van 100.000 mensen zingt: oh when the Spurs go marching in, als zij tegen de Griekse god Ajax moeten spelen), staat het nieuwe als loslaten van de eigen agenda. Het nieuwe staat zelfs, als ik dat zo durf te zeggen, voor het loslaten van de eigen identiteit.

Maar een herinterpretatie van het oude en het nieuw verworven inzicht moet door het vuur durven gaan. Het moet beproefd kunnen worden.  Er wordt, als je er op letten wilt, enorm veel nieuws gebaard en ik houd nu maar mooi even vast aan de vrouwelijke metaforiek van die zin: Godly Play, iconische stadskerken, de beweging van dorpskerken, pionierende kleine groepen,  het Moreel Kompas, kloostertraditie, evensongs. In al die nieuwe bewegingen zit altijd een herneming van het oude. Zo zou bijvoorbeeld Hildegard van Bingen, gestorven in 1187, de eerste vrouwelijke muziekcomponiste die geschreven muziek naliet als een erfenis, ons kunnen inspireren. Zo eindig ik met een vrouwelijke componiste waar ik ook met een vrouwelijke componiste begon. Hildegard was een groot mystica, die haar werken schreef aan de oever van de Rijn, toen deze nog niet vervuild was. Zij leerde ons over de innerlijke verbondenheid van alle levende wezens. Wat valt uit die traditie op te diepen voor moeder aarde en de ontdekking van het belang van een duurzame omgang met de aarde van vandaag?

Bij het oude dat het nieuwe baart, denk ik aan de barensweeën van de nieuwe schepping, waarover de bijbel spreekt. De mensen kijken reikhalzend en verlangend uit naar het nieuwe, maar het komt er niet zonder pijn. De hele schepping in al haar delen zucht in haar barensnood, zie Paulus’ brief aan de mensen van Rome (8, 18-27). Als Paulus het over de schepping heeft, dan spreekt hij nauwelijks over het verleden, maar dan ligt alle focus op de toekomst. De hele schepping is in een zucht en in barensnood tot nu toe (3,22). Ze is maar steeds in verwachting van het openbaar worden van de kinderen Gods. Op het moment dat het oude iets nieuws gebaard heeft, ben je de pijn en de moeite die dat kostte vergeten. Vreugde, plezier, pret, is misschien wel de christelijke ontspannende deugd die we het meest zijn vergeten. Ik waag het er op te verwachten dat het oude dat nog steeds in zich heeft.

Mechteld Jansen is hoogleraar missiologie en rector van de Protestantse Theologische Universiteit Amsterdam-Groningen. Deze tekst is uitgesproken als  de Volzinlezing  in de abdij van Berne te Heeswijk-Dinther op 18 mei 2019. Deze lezingen richten zich op een open en nieuwsgierige zoektocht naar de betekenis van christelijke inspiratie.

Gebruikte literatuur:

(1) Het verschil tussen traditie en tradities (en traditionalisme) wordt al in de jaren ’60 van de vorige eeuw uitvoerig aan de orde gesteld door P. Ricoeur en door Y.M.-J. Congar, en heeft veel invloed gehad op de Wereldraad Conferentie in Montréal in 1963 en op het Tweede Vaticaans Concilie.

(2) De Noorse extremist Anders Breivik noemt in zijn manifest 12 keer de joods-christelijke traditie (cultuur, beschaving) die beschermd moet worden tegen de Islam, zie 2083 A European Declaration of Independance. De Laude Novae Militiae. Pauperus commilitones Christi Templique Solomonici (Londen 2011). http://www.kevinislaughter.com/wpcontent/uploads/2083+-+A+European+Declaration+of+Independence.pdf.  Het concept joods-christelijke cultuur is door verschillende politiek partijen sinds 2001 veelvuldig ingezet, o.a.door de LPF, CDA, VVD, PVV.

(3) José Casanova, The Secular and Secularisms, JSTOR Social Research 76, No. 4, (2009): 1049, brengt een basaal onderscheid aan tussen het ‘seculiere’ als een moderne kenniscategorie altijd in combinaties met  het ‘religieuze’; daarnaast ‘secularisatie’ als een uitleg van moderne processen in de wereldgeschiedenis; en ‘secularisme’ als een levensvisie of wereldbeschouwing.

(4) Vgl. Alfred Stepan, The Multiple Secularisms of Modern Democratic and Non-Democratic Regimes,  in Rethinking Secularism, eds. Craig Calhoun, Mark Juergensmeyer, and Jonathan VanAntwerpen (New York: Oxford University Press, 2011): 114-44, die aangeeft dat secularisme noch een noodzakelijke voorwaarde voor democratie, noch de neutraal beschreven uitkomst van modernisering is.

( 5) Harvey Cox, The Secular City: Secularization and Urbanization in Theological Perspective, (Princeton, Princeton University Press, 2013 New Edition): XVI. Cox suggereert dat secularisme een ideologie van de elite zal blijken te zijn en dat het volk er niet toe aangetrokken zal worden, p. XXIV. Let wel: dat was zijn verwachting in 1965.

(6) Joan Wallach Scott, Sex & Secularism, Princeton University 2018.

(7) George Levine (ed), The Joy of Secularism , 11 Essays for How We Live Now, Princeton University 2011.

(8)  Alberto Melloni, European religious illiteracy. The historical framework of a removed agenda, in Religious Literacy, Law and History: Perspectives on European Pluralist Societies, eds. Alberto Melloni and Francesca Cadeddu (Abingdon: Routledge, 2019), 3-16.

(9)  Toke Elshof, De religieuze generatiekloofin Narthex, 12 (2012) pp 39-49.