‘Zonde is verloochening van je diepste zelf’

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Zondigen doet een mens allereerst tegen zichzelf: zijn diepste kern, zijn ware geest. Dat is de nieuwe invulling die theoloog en predikant Fokko Omta geeft aan het sleets geraakte begrip ‘zonde’. Tot die ware geest moet je je steeds opnieuw bekeren, anders “verlies je niet alleen de connectie met God maar ook met je eigen diepte”.

Tekst: Victor Bulthuis

Een kleine vergaderzaal, driehoog achter in het enorme Utrechtse gebouw waarin het dienstencentrum van de Protestantse Kerk is gehuisvest. Diepe stilte rondom. Gezien het gespreksonderwerp is de ruimte haast symbolisch. Want ‘zonde’ is allang geen factor van betekenis meer in het geseculariseerde menselijk bedrijf. Zelfs niet binnen de kerkmuren, waar het de tongen van voorgangers amper losmaakt.
Toch heeft het onderwerp de schrijfspier van Fokko Omta wél in beweging gebracht. Op tafel ligt een kloek boek met de titel Sin: Against Whom or against What? Het is zijn proefschrift, waarop hij 28 november vorig jaar promoveerde. Het resultaat van een kleine twintig jaar studeren. Vanwaar deze lijvige studie over een onderwerp dat aan slijtage onderhevig is geraakt? Omdat Omta nog altijd gelooft dat we “iets wezenlijks kwijtraken als we het er niet meer over hebben”. Dat mag hij uitleggen, en dat doet hij graag – bedachtzaam, zijn woorden zorgvuldig wegend.

Gebrek aan goed
De traditionele visie op zonde, zegt Omta, wordt kernachtig verwoord door de Amerikaanse theoloog Cornelius Plantinga junior: zonde is een schuldig en persoonlijk vergrijp jegens een persoonlijke God. Maar dat is een problematische omschrijving geworden, die niet meer aansluit bij het levensgevoel van hedendaagse gelovigen. Ook Omta zelf heeft er moeite mee. “Zonde betrek ik niet zozeer op dingen waarvan iedereen wel weet dat ze niet deugen. Dat is gewoon moreel laakbaar gedrag, daar heb je het woord zonde niet voor nodig. Bovendien: als het leven zijn gewone gang gaat, zijn mensen helemaal niet slecht.” Sterker nog, de meeste mensen zien zichzelf ook niet zo. Dat het christendom in de westerse wereld tanende is, komt volgens Omta onder meer doordat in de beleving van het morele kwaad het persoonlijk schuldbesef heeft plaatsgemaakt voor tragiek en onvolmaaktheid. Dat heeft gevolgen voor de schuldbelijdenis in de liturgie: waarom schuld belijden als je je geen zondig mens voelt, maar eerder machteloos?
“In mijn optiek heeft zonde niet zozeer betrekking op het kwade dat uit mensen voortkomt, maar op het goede dat er niet uitkomt,” zegt Omta. ‘De kerkvader Augustinus spreekt niet voor niets over het kwaad als privatio boni, letterlijk een gebrek aan goed. Zonde betekent vooral dat er iets ontbreekt.” Daarom schrijft hij: “Een zinvolle notie van zonde mag niet uitgaan van trivialiteiten of van onze zwakheid, maar moet juist appelleren aan wat sterk is in ons.” Als je voorbij leeft aan wie je ten diepste bent en wilt zijn, dan zondig je – tegen jezelf dus. ‘Spirituele zelfverloochening’ noemt hij het.

Maar hoe zit het dan met God? Wezenlijk voor het klassieke zondebegrip is toch dat je God beledigt, een persoonlijke God nog wel. Behalve het schuldbesef is ook het geloof daarin echter goeddeels verdwenen. Toch hoef je volgens Omta niet perse in een persoonlijke God te geloven om over zonde te kunnen spreken. “Ik wil niet zeggen dat God niet persoonlijk is; ik wil tegemoetkomen aan mensen die daar moeite mee hebben. Ik oriënteer me daarbij vooral op de theoloog Paul Tillich. Mede op basis van zijn pastorale ervaringen aan het front in de Eerste Wereldoorlog kon hij niet meer geloven in een persoonlijke God die onderdeel uitmaakt van onze werkelijkheid en daarin naar believen ingrijpt. In plaats daarvan spreekt hij over het onvoorwaardelijke, dat de bron en grond is van alle zijn, hoewel hij zich tegelijk de vraag blijft stellen hoe die onpersoonlijke en ongrijpbare God ons tegelijk kan inspireren, ja bij de keel grijpen. Hij ervaart God in dat wat ons mensen onvoorwaardelijk aanspreekt en ten diepste beweegt.” Ultimate concern noemt Tillich dat, als een mens ergens ten diepste door gegrepen is en er helemaal voor gaat. Dat kan door God zijn, maar ook geld, seks of macht. In dat laatste geval echter vervreemdt de mens zich volgens Tillich van wie hij in essentie is of zou kunnen zijn. →

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.