We zijn één maar niet hetzelfde

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Tien jaar geleden verhuisde historicus en theoloog Peter Nissen binnen de kerk van de ene kamer naar de andere: van rooms-katholiek werd hij remonstrant. Kerkverhuizing doet geen afbreuk aan de inzet voor de eenheid van de christenen, meent de hoogleraar oecumenica. Juist wie oog heeft voor de zwakheid én sterkte van uiteenlopende tradities, kan een bruggenbouwer zijn.

Tekst: Peter Nissen Beeld:  ANP Foto

Tien jaar geleden heb ik aan een aantal vrienden en collega’s een ‘kerkelijk verhuisbericht’ gestuurd. Ik vertelde hen dat ik binnen het grote huis dat de kerk is, naar een andere kamer was verhuisd: van de grote zaal die de rooms-katholieke kerk is naar een kleiner kamertje, dat van het vrijzinnig protestantisme. Ik heb in dat verhuisbericht ook uitgelegd wat mijn beweegredenen voor de verhuizing waren. Ik heb het vaak vergeleken met emigratie: de emigrant wordt aangetrokken door bepaalde zaken in het nieuwe land en afgestoten door elementen in het land van herkomst. Zo ging het ook bij mijn kerkverhuizing: er waren push- en pullfactoren. Ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk stootten mij af, vooral de blijvende uitsluiting van vrouwen uit het gewijde ambt en de hiërarchische top-downstructuur. Ik werd naar het nieuwe land getrokken door de uitdaging van het werk van vrijzinnige theologen en door het perspectief van een geloofsgemeenschap waarin vrijheid en verdraagzaamheid gecultiveerd worden, een kerk waarin niemand de ander de maat neemt en waar niemand wordt buitengesloten wegens geslacht, seksuele oriëntatie, levensstaat, huidskleur of wat dan ook.

Ik heb de kerk niet verlaten, want de kerk is groter dan het instituut van waaruit ik ben verhuisd. Dat het nieuwe kamertje dat ik in dat huis ben gaan bewonen het beste van het hele huis zou zijn, geloof ik niet. Dat pretendeert dat kleine kamertje ook niet. Maar het biedt mij momenteel wel de beste omgeving om samen met anderen mijn geloof te delen. Ik heb de kerk dus niet verlaten. Ik herhaal het nog maar eens, want de kerk is mij dierbaar. Maar ik kon mij niet langer vinden in de gestalte die zij in het instituut van de rooms-katholieke kerk heeft aangenomen. Dat laatste geldt ook voor vele oude katholieke vrienden. Zij zijn toch gebleven, omdat zij nog steeds de hoop koesteren dat die kerk van binnenuit veranderd kan worden. Dat respecteer en bewonder ik, maar zelf kon ik die hoop niet meer opbrengen.

Wonder van Drachten

Verhuizen van kerkgenootschap komt in Nederland niet zo vaak voor. In de Verenigde Staten is het een vertrouwd verschijnsel. Ongeveer een derde van de christenen in de Verenigde Staten is in zijn leven ooit van kerkgenootschap veranderd, zo blijkt uit onderzoek, en in Groot-Brittannië doet dat volgens een studie uit 1996 zelfs 37 procent van de kerkelijke bevolking. Wisselen van kerkgenootschap of denominatie is in Nederland een betrekkelijk zeldzaam fenomeen. Uit een artikel van twee godsdienstsociologen, Ariana Need en Nan Dirk de Graaf, gepubliceerd in 2005, blijkt dat in Nederland vanaf 1966 in een periode van ongeveer veertig jaar maar 4,5 procent van de kerkelijke bevolking boven de achttien jaar ooit van kerkgenootschap is gewisseld (zie ook het artikel op blz. 28 e.v.). Die wisseling van kerkgenootschap komt meer in protestantse dan in katholieke kring voor, en in de protestantse wereld dan weer vooral in de orthodoxe hoek. U herkent het waarschijnlijk uit wat in de kroegtaal van godsdienstsociologen, naar een studie van de Canadese godsdienstsocioloog Reginald Bibby, ‘the circulation of the saints’ heet, het rondpompen van kerkleden: hervormden en gereformeerden die overstappen naar meer orthodoxe of bevindelijke varianten van de gereformeerde gezindte of die zich aansluiten bij baptistengemeenten, pinksterkerken of evangelische gemeenten.

Een bekend voorbeeld in Nederland is ‘het wonder van Drachten’: de Vrije Baptistengemeente Bethel van dominee Orlando Bottenbley. Deze groeide in enkele jaren tijds uit tot een megakerk met enkele duizenden bezoekers in de zondagse diensten. Van de leden van de jonge baptistengemeente was, zo stelde onderzoeksjournalist Gerko Last vast, negentig procent uit andere kerken afkomstig, bijna de helft uit de voormalige synodaal-gereformeerde kerken, zo’n twintig procent uit de Nederlandse Hervormde Kerk en bijna tien procent had een vrijgemaakt-gereformeerde voorgeschiedenis. Nieuwe leden zonder enige kerkelijke ervaring vormen dus ook in het wonder van Drachten een kleine minderheid, slechts tien procent. De meesten zijn ook daar verhuisd van kerkgenootschap.→

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.