Volzin-lezing: Tussen traditie en vernieuwing

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Is de oude christelijke traditie nog steeds in staat iets nieuws baren? Zeker wel, meent Mechteld Jansen, maar niet door haar in steen te houwen. “Als de christelijke traditie daadwerkelijk iets nieuws wil baren, moet zij de wereld om haar heen, het secularisme écht verstaan.” Jeroen Fierens doet verslag van de elfde Volzin-lezing, die 18 mei jl. in de Abdij van Berne plaatsvond.

Tekst: Jeroen Fierens Beeld: Ted van Aanholt

Het is geen goede tijd voor traditie. Zij wordt alom gezien als een ongewenst overblijfsel van ouderwetse (of ons vreemde) machtsstructuren, als bron van conflict en geweld en als tegenpool van progressie. De nieuwe wereld, zo lijkt de heersende opinie, is beter af zonder al deze oude bagage. Als er al positief over traditie gesproken wordt, is dit niet zelden door religieus extremisten of populisten die haar voor hun nationalistische karretje willen spannen, zoals in het telkens terugkerende discours over ‘onze joods-christelijke wortels’. Reden temeer voor politiek en opiniemakers om traditie op een veilige afstand te houden. Maar kan dat wel zomaar? Kunnen we onze traditie achter ons laten? Of hebben we ‘oud’ misschien toch harder nodig dan we denken om naar ‘nieuw’ te kunnen gaan? Mechteld Jansen, hoogleraar missiologie en rector van de Protestantse Theologische Universiteit, ging in de elfde Volzin-lezing in op deze bewogen plaats van traditie in de Nederlandse samenleving en vroeg zich daarbij af: kan oud ook in deze tijd nog nieuw baren?

Een mooiere plaats om dit thema te bespreken is nauwelijks voor te stellen: Gesticht in 1121 vormt de abdij van Berne de oudste kloostergemeenschap van Nederland. De muren waarbinnen zo’n 250 bezoekers van de lezing zich verzameld hebben, staan al eeuwen op hun plek, maar de gemeenschap binnen die muren is door de eeuwen heen gevormd door een levend, telkens nieuw samenspel van mensen. Zo is ook traditie volgens Jansen allereerst niet – zoals het populaire discours vaak lijkt te insinueren (“het is de Traditie!”) – iets doods dat in steen is gehouwen, maar een levend, telkens nieuw geheel. “We hebben een enorme geschiedenis achter ons liggen waartoe we ons vanuit het heden moeten verhouden. Er is een ketting van interpretaties nodig om die afstand te overbruggen. Tradities zijn de materiële kant van die ketting van overlevering.” Onze samenleving is gebouwd op talloze lagen, op Griekse, Keltische, Germaanse, joodse, islamitische en humanistische tradities. “Geen van deze lagen is volledig vervuld of afgesloten, zij vormen samen een open en dynamisch geheel van onvervulde beloften die telkens opnieuw door mensen worden doorgegeven en tot leven gewekt kunnen worden.”

Taal van de beschaving
Traditie is volgens Jansen als taal: een mens groeit op binnen een traditie, leert die taal spreken om de wereld te begrijpen. Pas later ontdekt hij misschien dat er ook andere talen zijn, dat andere mensen in andere tradities staan. Maar wel in die volgorde; voor wie nooit heeft leren spreken, klinken alle talen hetzelfde. Lange tijd vormde het ‘christelijks’ in Nederland de moedertaal. Afwijkende talen, zoals het ‘atheïstisch’, werden als schadelijk voor de samenleving ervaren. “Nu is dat veranderd, misschien zelfs wel volledig omgekeerd,” meent Jansen. “Het ‘seculiers’ heeft de plaats van beschaafde taal ingenomen en andere talen worden als mogelijke bedreiging gezien.” Deze situatie hebben we te danken aan het secularisme, de overtuiging die meent dat het religieuze zo veel mogelijk moet worden teruggedrongen en het seculiere een zo groot mogelijke plaats in de samenleving moet innemen. “Het secularisme wordt gedragen door een totaal immanent wereldbeeld; er is niets buiten deze wereld, de mens is op zichzelf aangewezen. Wereldwijd zijn er talloze varianten van het secularisme, maar hier bij ons manifesteert het zich voornamelijk in een discours dat progressief, grootstedelijk, gender-gelijkwaardig en postkoloniaal is.”

Het secularisme plaatst zich moreel bóven de (religieuze) traditie, met name in termen van tolerantie; het ziet zichzelf als een onvermijdelijk volgend stadium in de menselijke ontwikkeling. Religie, met name die van migranten, wordt daar vaak lijnrecht tegenover geplaatst als een achterhaald wereldbeeld dat de menselijke vooruitgang alleen maar in de weg staat. De grote populariteit van het secularisme is voor Jansen goed te begrijpen. “De belofte van een wereldbeeld zonder hogere machten is aantrekkelijk, zeker wanneer geplaatst tegenover de vele verplichtingen en tijdrovende gewoontes van het ‘ouderwetse’ christendom.” Het waren in de jaren zestig bovendien niet in de laatste plaats christenen zelf die secularisatie toejuichten, ‘omdat een wereldlijk christendom gericht op het leven hier en nu dringend nodig was’. Maar secularisme kan vervolgens evengoed beknellend worden: “Alles moet hier en nu, binnen de kaders van deze temporele en fysieke werkelijkheid gebeuren. En bovenal: door jezelf.”

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.

De volledige tekst van de Volzin-lezing voor Mechteld Jansen is hier te vinden.