Vluchtelingen in de hel van Lesbos

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Journalist Nynke Sietsma ging als vrijwilliger naar Lesbos om ontbijt uit te delen in vluchtelingendorp Kara Tepe. Ook ruimde ze vuil op in de hel van Lesbos, Moria. Ze voelt zich niet beter, nu ze terug is. “Zij zitten daar nog. Doe in godsnaam iets, Europa.”

Kamp Moria op Lesbos.

Tekst: Nynke Sietsma Beeld: Hollandse Hoogte

We turen naar zee en kijken naar Turkije. We – vrijwilligers van een Nederlandse vluchtelingenorganisatie – staan op een heuvel dus we kunnen Turkije goed zien liggen. Het lijkt heel dichtbij. Naast me staan drie Koerdische zusjes en een vriendinnetje. De oudste, 22 jaar oud, neemt het voortouw. Het jongste zusje is net 19. Ze zijn bezig met hun lange zwarte haren. Elastiekje eruit en de haren losschudden. Elastiekje er weer in. Ze maken selfies en giechelen.

Zo alleen

Op dit stuk zee waar we op uitkijken, in de buurt van Molyvos, ooit de toeristische trekpleister van Lesbos, steken de meeste vluchtelingen over. Het stuk zee tussen Turkije en Lesbos is hier ‘maar’ zes kilometer.
Ook de drie zusjes staken hier over. De boot, geschikt voor vijftien man, helemaal volgepropt. “Soms zetten mensensmokkelaars wel 100 mensen op zo’n boot”, vertelt het oudste zusje. De kleinste kinderen gaan dan in het midden, de sterksten op de reling. De zusjes betaalden duizend euro per persoon voor een plek op het bootje. Ze filmden hun tocht met hun telefoon. Giechelend van spanning. Alsof het een leuk avontuur was, zoals een dropping op de middelbare school. Het wás natuurlijk ook een spannend avontuur. Alleen dan wel eentje waar je – als je pech hebt – aan dood kunt gaan. Ze deden er twee uur over. “Boten gaan vaak stuk”, zegt de oudste. De zwemvesten, die de vluchtelingen aantrekken, zijn vrijwel altijd nep. En veel mensen kunnen niet zwemmen. Afgelopen jaar verdronken honderden mensen, kinderen, baby’s. Precieze cijfers zijn er niet, maar het aantal mensen dat in 2018 tussen Turkije en Griekenland in zee verdronk, wordt op 1400 geschat.
De zusjes hebben alleen elkaar op Lesbos. Hun vader en moeder zitten al in Duitsland, er is nog een jonger zusje, die zit nog in Irak. Ze zijn hier nu tien maanden. Ze voelen zich wel oké zeggen ze, maar hun slechte huid – helemaal vol puistjes – verraadt de stress en onrust. Als wij later foto’s van een jaar daarvoor van ze zien, zien we gezichten zonder bultjes en puistjes. Een stressreactie, zegt mijn collega-vrijwilliger met wie ik deze week een huis deel. Zij is arts.
Dat de meiden hier met z’n drieën zitten, zonder ouders, komt omdat vluchtelingen die achttien jaar oud zijn, hun eigen asielprocedure krijgen. Het is waarschijnlijk, maar nog maar de vraag of ze óók in Duitsland terecht zullen komen, bij hun ouders. Zo kan het dus zijn dat families uit elkaar worden gerukt. De zusjes zijn niet de enigen. Later in die week zal ik meerdere tieners treffen die helemaal alleen op Lesbos zijn, zoals Abdullah uit Afghanistan. Negentien jaar. Een schat van een jongen, hij wil iedereen wel helpen. Altijd die glimlach. Maar zo alleen. Dat zie je in zijn ogen.

Zwemvestenkerkhof

We stappen weer in de auto. We zijn namelijk onderweg naar de Lifejacket Graveyard waar duizenden zwemvesten liggen. Lukraak bij elkaar gegooid als een monument. Grieken gebruiken de plek nu ook om illegaal afval te dumpen. We klauteren over het afval heen om bij de zwemvesten te komen. Het is onwerkelijk. Duizenden verkleurde oranje hesjes. Sommigen juist nog feloranje, die liggen er net. Er liggen resten van boten, er liggen buitenboordmotoren en zwarte zwembanden. Er liggen babyzwemvestjes tussen. Ook nep.
De giechelende meisjes staan aanvankelijk monter selfies te maken. Alsof zij niet óók zo’n zwemvest hebben aangehad en op de boot zijn gestapt. Misschien liggen die van hen er wel tussen. Maar dan komen de tranen. Bij ons allemaal. Minutenlang omhelzen we elkaar, weten we niet wat te zeggen. Het is te groot. Het jongste zusje pakt haar telefoon opnieuw. Nu zie ik pas wat ze daar de hele tijd mee doet. Ze streelt over een pasfoto van haar moeder die aan de achterkant van haar telefoon zit geplakt.
Wegwezen hier. Al leer ik later dat je dit macabere zwemvestenkerkhof ook kunt zien als een plek van hoop. Alle mensen die een zwemvest hebben gedragen, die hier bij elkaar op een berg zijn gegooid, hebben het overleefd wordt mij verteld. Vier daarvan zijn de zusjes en hun vriendinnetje. Dan ben je niet zielig, dan ben je een overlever. We praten elkaar moed in en vertrekken naar een barretje in Molyvos. We lachen, kijken Youtube-filmpjes, bekijken elkaars Instagramfoto’s en voegen elkaar toe op Facebook. Dit is nú de werkelijkheid. Die andere ligt nu voorgoed achter ze. Maar ik ga straks verder. Naar mijn nieuwe huis dat ik net heb gekocht. Zij hebben niet eens een huis. Ze weten niet eens waar dat huis zal staan. Het is zo oneerlijk, zo dubbel. Zo ingewikkeld ook. Ik kan wel íets doen. Ik kan met ze lachen, huilen en dansen. En samen ontbijt uitdelen.

Zelfredzaamheid

De vier meiden wonen nu in vluchtelingendorp Kara Tepe, waar ik en mijn collega-vrijwilligers een week lang iedere ochtend ontbijt aan de bewoners zullen brengen. Dat doen we met de Nederlandse organisatie Because We Carry die onder het mom #nietlullenmaarpoetsen voor dat ontbijt zorgt, betaald met donaties. Een team van pakweg 25 vrijwilligers uit het kamp zelf neemt ons op daarbij sleeptouw. Zij weten precies hoeveel mensen in welke container wonen. Ze wonen er zelf tussen. Als ik er ben, wonen er 1.240 mensen. Het zijn de kwetsbaarste vluchtelingen die er op adem mogen komen. Kara Tepe wordt een ‘modelvluchtelingenkamp’ genoemd. Hier staan ze niet in de rij voor het eten, de sfeer is er goed. Een vijfsterrenvluchtelingenkamp, denk ik cynisch. Maar inderdaad, vergeleken met Moria, waar ik later die week vuil zal opruimen, is het een vredig tussenstation in een ongewisse toekomst.
De volgende ochtend is het de tweede keer dat we ontbijt uitdelen. “Goodmorninggggg, how are you?” De Afghaanse Abdel verwelkomt ons. Het is half acht ’s ochtends. Hier, bij de kromme boom staat een enorme, vrolijk beschilderde foodtruck waar aardappelen, aubergines, smeerkaasjes, uien en bananen in de koeling liggen opgeslagen. Er worden ook broodzakken in bewaard maar die gooien we vandaag weg want er hebben muizen aan zitten vreten.
De vrijwilligers uit het ontbijtteam komen overal vandaan. Op Lesbos verzamelden zich de afgelopen jaren 46 nationaliteiten sinds de vluchtelingencrisis. Ze hebben één ding gemeen: ze zijn allemaal bootvluchteling. Ze zijn zo vrolijk, de vrijwilligers. Iedere ochtend dansen we op Arabische hits, maken we de flauwste grapjes en proosten we met de chai die we drinken als we de twaalf bolderkarren hebben ingepakt waarmee we het ontbijt gaan uitdelen. De sfeer in het kamp is relaxed. In die week horen we wel eens mensen ruziemaken en we weten dat er ook kinderen worden geslagen en dat bewoners gebukt gaan onder een ernstige vorm van stress. Hun toekomst is ongewis. Niemand die kan vertellen waar ze ooit terecht zullen komen met hun peuters, hun basisschoolkinderen, hun baby’s. Maar hier in Kara Tepe is het even goed. Dat komt vooral omdat Because We Carry en andere ngo’s in het vluchtelingendorp aan empowerment doen. Ze zorgen ervoor dat bewoners zélf aan de slag kunnen als ze dat zouden willen. Ze kunnen in een tuin werken, fietsen repareren, ontbijt uitdelen met bolderkarren, ze kunnen koffie schenken in een koek-en-zopie-achtig tentje en Engelse les nemen. Die zelfredzaamheid werkt. Het geeft mensen iets om handen én veerkracht om de draad weer op te pakken. Wat kunnen we hier veel van leren, denk ik soms hoopvol en somber tegelijk.

Geen haar beter

Als de schemering valt, het is een uur of zes, sta ik even te wachten in de buurt van de speeltuin. Er hangt een volleybalnet. Vier mannen slaan een bal over. Best hard ook. Het worden er zes. Het worden er acht. Uiteindelijk staan er teams van elk zes man aan iedere kant van het net. Ieder een andere achtergrond, een ander verhaal. De vader die met zijn buggy aan de kant staat, stapt ook in het veld. Ik mag ook meedoen – sommige vrouwen vinden dat maar raar, dat zie ik heus wel – maar haak onder luid gelach af als er knoerthard wordt gesmashed. Sporten helpt. Muziek ook. We dansen heel wat af.
En dat doen we ook weer in Moria, de hel van Lesbos. Daar gaan we vuil rapen.
Ik ben best een beetje zenuwachtig want we zijn gewaarschuwd. Als de pleuris uitbreekt, dat wil zeggen dat de sfeer in het kamp, omheind met grote hekken, zomaar kan omslaan, dan moeten we terug naar de hoofdingang. En als dat ook niet veilig is, terug naar de auto rennen. Ook in Moria helpt een team van bewoners mee. En zij zijn vrolijk. Ze trekken lachend handschoenen aan en met een vuilniszak in de hand gaan we ouwehoerend Moria in. Alsof ze er niet wonen. Tussen de drollen, tussen de flessen urine, tussen de poepluiers en al die andere viezigheid die er ligt. De tentjes pal naast elkaar. Geen mogelijkheid om zelf te koken, geen verwarming, totaal afhankelijk. En alles is vochtig. Als het regent, stromen de tentjes ook vol omdat ze op een helling staan. Het is onbestáánbaar dat daar mensen met baby’s moeten wachten totdat ze verder mogen met hun leven. Want dit is overleven. En Europa staat erbij en kijkt ernaar. Daarom voel ik me geen haar beter als ik weer terug in Nederland ben. Ja tuurlijk, ik heb met mensen gedanst, met ze gelachen, ze getroost, gehigh-fived, eten uitgedeeld, geld voor ze ingezameld en mijn benen uit mijn lijf gelopen toen ik er was. Maar mijn comfortabele leven gaat verder en er zijn heel wat dagen dat ik niet aan Lesbos denk. Dat ik niet aan de zusjes denk. En aan Abdel en Abdullah. En het oudere echtpaar in Moria dat zo blij was dat we kwamen opruimen voor hun tentje en de handen voor hun borst vouwden om ons te bedanken. Zij zitten daar nog.
Doe in godsnaam iets, Europa.