Vaticaanse top over misbruik: is kerk nog geloofwaardig?

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Komende donderdag, 21 februari, begint in het Vaticaan een topconferentie over het seksueel misbruik in de r.-k. kerk. De kerk ziet zichzelf als geroepen tot heiligheid. Maar volgens katholiek theoloog Will Verhoef vraagt deze roeping van de kerk om een grondige revisie van haar zelfverstaan.

Demonstratie tegen r.-k. misbruik in Ierland.

Tekst: Will Verhoef Beeld: ANP Foto

Het is half december. De ochtendkrant leert dat de kardinalen George Pell en Francisco Javier Errázuriz Ossa door paus Franciscus zijn ontslagen als lid van de raad van kardinalen die hem bijstaat in de hervorming van de Vaticaanse curie, het centrale bestuursapparaat van de rooms-katholieke kerk. De raad adviseerde Franciscus eerder om een topconferentie te beleggen over seksueel misbruik. Die conferentie vindt van 21 tot 24 februari in Rome plaats. Nu zijn twee leden van de raad zelf heengezonden. Pell is intussen in Australië schuldig bevonden seksueel misbruik. Errázuriz heeft in Chili jarenlang priesters die misbruik pleegden, de hand boven het hoofd gehouden.
Na het lezen van de krant komt het bulletin van mijn parochie binnen. In afwachting van de goddelijke geboorte geeft het de tijden van de vieringen, aankondigingen van kerstgezang en een bijbelcursus. Geen woord over de situatie waarin de wereldkerk zich in de vloed van berichten over seksueel misbruik bevindt. De Commissie Deetman heeft in Nederland haar werk gedaan en een duidelijk beleid uitgezet. “Hoe pijnlijk ook, we hebben dit adequaat afgehandeld”, zei kardinaal Wim Eijk in een interview. Alsof het hier gaat om een kwestie van goed management.
De r.-k. kerk bevindt zich in een crisis zoals zij die sinds de Reformatie niet gekend heeft. De golf van berichten over seksueel geweld door priesters jegens jeugdige kerkleden houdt aan. De laatste maanden ligt het accent in het nieuws op het verzwijgen en versluierend handelen door verantwoordelijken, waardoor daders hun gang konden blijven gaan.

Boosheid en schaamte

Ik ga hier niet in op de pijn en het verdriet van de direct getroffenen, op de verwarring en kwetsuren waarmee zijmoeten leven. Mijn onderwerp hier is de kerkelijke gemeenschap als geheel, waarin de daders en hun slachtoffers zijn inbegrepen. In september 2018 schreef Franciscus naar aanleiding van de onthullingen een brief aan alle gelovigen. Zijn benadering herinnert aan wat ik in mijn theologische opleiding kreeg ingeprent: in de kerk bestaan geen buitenstaanders. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee, citeert de paus de apostel Paulus. De klacht van hen die geweld is aangedaan, schreit ten hemel. Het is een verdriet dat allen in de kerk raakt, stelt Franciscus. De pijn van de slachtoffers vindt zijn weerklank in hele kerkgemeenschap.
Tot zover zal de lezer de woorden van de paus zonder moeite beamen. Maar de brief gaat verder. “Met schaamte en berouw erkennen we als kerkelijke gemeenschap dat we niet waren waar we moesten zijn, dat we niet tijdig hebben gehandeld (…), we toonden geen zorg voor de kleinen; we lieten ze in de steek.” Ho even, wie zijn die ‘we’? Het zijn toch ambtsdragers, die deze daden begingen? En ambtsdragers, bisschoppen en kardinalen, die de aanklachten verborgen en daden ongestraft lieten? De verontwaardiging over de misdrijven is onder kerkleden niet minder groot dan daarbuiten. Maar toch zegt de paus ‘we’: ‘wij als kerkelijke gemeenschap’ schoten tekort. Alsof we ons als katholieken allemáál moeten schamen.
Er is boosheid vanwege ambtsdragers en religieuzen die deze daden begingen. Boosheid om hun misdragingen en bedrog. Boosheid op het bestaan van een verborgen werkelijkheid. Boosheid om het in gevaar brengen van het in onze landen toch al fragiele bestaan van de kerk. Nietttemin: de boosheid camoufleert ook schaamte. En die schaamte kan niet anders dan voortkomen uit het feit dát we ons als katholieken beschouwen als een gemeenschap. We zijn niet alleen emotioneel betrokken bij wat deze jonge mensen is aangedaan, maar ook, zeg maar, positioneel. Het eerste is omdat we mens zijn, het tweede omdat we elkaar in de gemeenschap als broeders en zusters zien. De schaamte duidt op een bewustzijn dat we niet alleen verbonden zijn met de slachtoffers, maar ook met de daders. En dat we als leden van een ongedeelde gemeenschap delen in het berouw jegens gekwetsten. Er zijn geen buitenstaanders.
De pijnlijke boodschap dat de gemeenschap als zodanig verantwoordelijk zou zijn, deed weinig stof opwaaien. De pers in de Verenigde Staten – waar momenteel de meest actuele berichten van misbruik vandaan komen – reageert goedkeurend op het gebruik van woorden als ‘misdaden’ (in plaats van ‘zonde’) en ‘gerechtelijke maatregelen’ (in plaats van interne maatregelen). In Nederland is er vrijwel geen commentaar op de pauselijke brief. Voorzover het er is, is de toon is er een van ‘wat nu?’ Excuses zijn er genoeg geweest, er moet nu doorgepakt worden. Alsof de brief maar papier was, en woorden geen daden zijn.

Topconferentie

En dan nu de ‘topconferentie’, een novum. De voorzitters van alle bisschoppenconferenties zijn opgeroepen tot deelname. Volgens Ernesto Caffo, een man met een indrukwekkende staat van dienst en (leken)lid van de pauselijke commissie voor de bescherming van minderjarigen, zou de conferentie de nadruk leggen op het herkennen en aanpakken van misbruik. Daarnaast zouden de aanwezigen ‘getraind’ worden in het luisteren naar slachtoffers. Het herstellen van de veiligheid in de kerk is het eerste doel, zo lijkt het. De voorbereidende commissie spreekt van “een heldere en begaanbare weg uitzetten voor de bisdommen”, een weg van “zero tolerance” en transparantie. Het klinkt alsof er nog méér bagger wordt verwacht.
Tot de voorbereidende commissie hoort de Maltese aartsbisschop Charles Scicluna. Hij is promotor justitiae (zeg maar: hoofdofficier van justitie van het Vaticaan) en verbonden met de hoogste kerkelijke rechtbank. Het doet vermoeden dat de mogelijkheden van het kerkelijk recht in de omgang met daders beter gebruikt zullen gaan worden. In 2012 bepleitte Scicluna al de mogelijkheden om plegers van misbruik ter verantwoording te roepen verder te ontwikkelen. Thans kan de kerkelijke rechtbank priesters de uitoefening van hun ambt ontnemen, maar de bestraffing van bisschoppen is tot nu toe aan de paus overgelaten, meldde Scicluna destijds al. De bisschop van Rome is daarmee opgezadeld met een taak die – helaas – veel te groot voor hem blijkt.
De r.-k. kerk kan zich niet langer permitteren te suggereren dat deze zaak binnenshuis wordt opgelost. De feiten spreken dat telkens weer tegen. Er wordt een andere weg gezocht. Een uit te vaardigen instructie zal er waarschijnlijk op aandringen bij kennis of vermoeden van misbruik aangifte te doen bij de burgerlijke autoriteiten, zoals in het beleid van de Nederlandse kerkprovincie al het geval is. Toch is dat niet genoeg. De kerk heeft een eigen juridisch-dogmatisch systeem nodig, bedoeld om de waarheid te dienen waar zij voor staat in haar verlangen om Christus in de wereld present te stellen. In Nederland mogen we vertrouwen stellen in de rechtspraak, maar lang niet overal geldt dat overheden zorgen voor recht en veiligheid.

Verantwoordelijkheid nemen

Paus Franciscus dringt aan op veranderingen in de kerkelijke gemeenschap. De héle gemeenschap: “Als volk van God worden we uitgedaagd om de pijn van onze broeders en zusters die fysiek en mentaal verwond werden, op ons te nemen.” Er is een bekering van de kerk nodig, die alleen mogelijk is met de actieve deelname van alle leden van Gods Volk, aldus de paus. De verandering bestaat vooral in het verlaten van het clericalisme. Het creëren van kleine elites verdeelt het kerkelijk lichaam, een verdeeldheid die het kwaad dat we nu veroordelen bevordert, aldus Franciscus.
De kerk kent geen buitenstaanders. Wil zij iets zijn voor de wereld, dan kan ze dat alleen zijn wanneer het Lichaam van Christus niet in zichzelf verdeeld is. Een ernstiger verdeeldheid dan waar het ene lid het andere geweld aandoet, is niet mogelijk.
Of de woorden van Franciscus troost bieden aan de gedupeerden, betwijfel ik. Ze zijn ook niet specifiek voor hen bedoeld. Niettemin: vanuit de ervaring die in de vrouwenbeweging is opgedaan rond seksueel geweld is bekend dat slachtoffers over het algemeen geen genoegdoening eisen in de vorm van grote sommen gelds of torenhoge straffen voor de daders. Hun verlangen is gewoonlijk zich daadwerkelijk gehoord te weten. Een horen dat resulteert in maatregelen om verder geweld te voorkomen. Doorgetrokken naar de situatie in de r.-k. kerk zou dat kunnen betekenen dat de kerk in geloofwaardigheid groeit naarmate zij een weg weet te vinden uit het verderf waarin ze zich nu bevindt. Ze dient te leven uit haar wonden. In die zin begrijp ik dat de paus de schreeuw van de slachtoffers tekent als een openbaring. “De Heer hoorde die roep en liet ons opnieuw zien aan welke kant Hij staat. Maria’s lied (het Magnificat, WV) is geen vergissing. (…) ‘Hij toont de kracht van zijn arm en slaat trotsen van hart uiteen’.” Wie God is, leren we vanuit het weten van degenen die in het nauw gedreven zijn en aangewezen zijn op de Levende.
Het enige fatsoenlijke dat de kerkelijke gemeenschap te doen staat, is als katholieken samen verantwoordelijkheid te nemen voor wat geweest is door verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst.
Op het moment van schrijven is nog niet te zeggen tot welke resultaten de conferentie zal leiden. Waarschijnlijk zullen er ook in andere landen procedures komen om misbruik te bestrijden. Een goede zaak, maar daarmee zijn we er niet. Dit is geen vergadering van filiaalhouders om een gemeenschappelijke bedrijfspolicy uit te zetten. Het eerste aandachtspunt is de veiligheid van allen binnen de gemeenschap. Maar vervolgens moet het ook gaan om de kerk zelf, om haar zelfverstaan. Er is een ecclesiologische bezinning nodig. De kerk is geroepen tot heiligheid. Dat betekent niet dat zij per definitie juist handelt, of dat het kwaad enkel buiten haar zou bestaan. Bijna integendeel: het betekent dat zij zich bij voortduring in dient te spannen om haar roeping te volgen en heilzaam in de wereld present te zijn. Zij staat ónder haar roeping, en haar kennen is, om met de apostel Paulus te spreken, een voorlopig kennen. Ze heeft de waarheid niet in pacht, maar is – en daarin verschilt ze per definitie van welke organisatie ook die gedragscodes opstelt en procedures uitvaardigt – verplicht zichzelf en haar eigen handelen te bezien vanuit een gevormd geweten, in de overtuiging dat Gods ogen op haar rusten.

Priesterschap ontwijd

Geroepen tot heiligheid wil de r.-k. kerk een sacrament zijn voor de wereld. Het is de kern van haar bestaansrecht, en het enige waarin ze zich kan onderscheiden van ‘de wereld’. Uit dit verlangen vloeit haar sacramentele structuur voort, inclusief de ambtstheologie. Daarin wordt de priester gezien als plaatsbekleder van Christus. Het misbruik dat heeft plaatsgevonden heeft echter het priesterschap zelf geweld aangedaan, zo niet ontwijd. Aan de sacramentele structuur van de kerk, waarin de priester en de eucharistie de voornaamste pijlers vormen, is de bodem ontvallen. Wil de kerk haar roeping, de zin van haar bestaan, overeind houden, dan kan een bezinning op de ambtstheologie niet uitblijven.
De pauselijke brief lijkt aan te sturen op een doortrekken van het aggiornamento, het bij de tijd brengen van de kerk door het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). De ambtstheologie is daarin achtergebleven bij het optimisme van het conciliair spreken over de kerk en het algemeen priesterschap van de gelovigen. De post-Vaticaanse interpretatie onder kerkelijke beleidsbepalers bleef een tweedeling zien in de opdracht van de gelovigen: de kerk bleef het domein van de geestelijkheid en de wereld het terrein van de ‘leek’. Ecclesia semper reformanda: de kerk behoeft altijd verandering. De r.-k. kerk – maar dit geldt ook voor alle andere geloofstradities – bestaat en bestaan bij de gratie van geloof. De Eeuwige troont op de gezangen van Israël, zong de psalmist al. De geëmancipeerde mens gelooft in e n uit vrijheid, kiest zelf aan wie of wat gezag gegeven wordt. Een kerk die niet geloofwaardig is, kan slechts verlating verwachten.

Will Verhoef is rooms-katholiek theoloog en was werkzaam als beleidsmedewerkster van de congregatie van de zusters Ursulinen van Bergen.