Sommige mensen stralen

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
“Het enthousiasme dat macht doet oplaaien, wordt afgemeten aan de ijver waarmee men in de pas loopt.” Machthebbers verwijzen enkel naar zichzelf, maar leiders gaan aan zichzelf voorbij, stelt Toon Baert. Leiders weten mensen te inspireren. Hun optreden “verwijst naar ‘elders’, een nieuw verhaal dat we onszelf kunnen vertellen, een visioen, of een andere manier van leven.”

Tekst: Toon Baert

“Heb je dat gezien? Ik kan niet zeggen wat het is precies is, maar die man straalt als hij daar vooraan zijn betoog doet!” Mijn beste vriendin was in de wolken. Het leek wel of we naar huis wandelden van een speech van Barack Obama vanop een groot scherm in het stadspark, of van een uitverkochte Dalai Lamai in het sportpaleis van Antwerpen. Maar nee, het was de professor metafysica aan de filosofiefaculteit van Leuven die zojuist de geestdrift van mijn vriendin had aangewakkerd. Misschien was zij verliefd. Zelf noemde ze zich ‘fan’, en ik begreep haar. We wandelen naar huis bij schemerlicht. De hele weg lang praatten we over de merkwaardige uitstraling van deze prof. Jazeker, we hadden al eerder naar bevlogen docenten mogen luisteren, maar deze keer waren we beiden getroffen zonder duidelijk te weten wat ons precies trof.

Belangrijke ontmoetingen

Sommige mensen stralen. Er ademt ‘iets’, in hun spreken en hun bewegen, los van een momentaan geluksgevoel. Het ademt trager, ruimer. Misschien tonen zij gewoon hoe ‘gelukkige mensen’ er uitzien? Ja, zeker is hier sprake van een of andere vorm van geluk, maar er ademt ook iets mee, in mij, ik weet niet zo goed wat. Niet de roes van verliefdheid; geen indruk die vluchtig mijn enthousiasme doet oplaaien. De dingen zijn er zelf iets helderder op geworden. Wat is dit?

Ik prijs me gelukkig een aantal persoonlijkheden in mijn jonge leven te hebben ontmoet die zo konden stralen. Toen ik 23 was, maakte ik per toeval kennis met een verre oom, een man die moeiteloos danste tussen eruditie en naïviteit, tussen bezonnenheid en schalksheid. Het gadeslaan van die uitersten in één persoon leek soms wel op het kijken naar een kunstwerk. Terugblikkend op zulke belangrijke ontmoetingen in mijn leven, verwonder ik mij erover hoe onze persoonlijke wereld blijvend kan kleuren onder de tijdelijke invloed van een ander. Betekenisvolle ontmoetingen – ja, ook die met denkers en dichters in oude boeken – kunnen een soort tijdloos elan ademen. De ander raakt iets aan, je bent bewogen, en je voelt je meer in contact met een deel van jezelf dat er steeds was, maar dat misschien nog zocht naar een uitdrukkingsvorm om echt tot leven te komen. De ander doet het je voor: hij of zij verpersoonlijkt een bepaalde houding of een bepaalde taal die resoneert met iets in jou. Is dat wat we bedoelen, als we zeggen dat we ‘geïnspireerd’ zijn?

Het is deze inspiratie die ik iets beter wil begrijpen. Dat lijkt me nodig om te verstaan wat leiderschap juist is, of beter: hoe leiderschap zou moeten zijn. Want zijn we het er niet over eens dat leiderschap – in zijn ware vorm – juist dat doet: inspireren, bezielen, ons diep en duurzaam bewegen? Ik heb een vermoeden, voorlopig veeleer intuïtief dan rationeel, dat een beter begrip van inspiratie, van het gebeuren tussen uitstralen en bewogen worden, ons leren kan hoe inspiratie verschilt van imitatie, en – in het verlengde daarvan – hoe leiderschap verschilt van macht. Anders gezegd: door te kijken naar de dynamiek van inspireren en geïnspireerd worden, begrijpen we misschien meer van onze eigen woorden wanneer we zeggen: “die heeft het, dat is een leider!”

Beloftevolle bestemming

Hoe komt het dat personen zo’n opmerkelijke invloed kunnen achterlaten, zonder voortdurend of opdringerig present te zijn in het leven van een ander? Wat maakt dat een betoog van een professor metafysica mijn vriendin zo diep kon enthousiasmeren?

Natuurlijk, in een overtuigend betoog spreken niet alleen de woorden. Het lijfelijk optreden van de prof, afwisselend ingetogen mijmerend en vrolijk gebarend, zette zijn verhaal niet enkel kracht bij, het deed ons ook al vermoeden dat de grote theorieën over het bestaan tevens een ethische smaak dragen, nog voordat we Kants ingewikkelde bewijsvoering daarvoor hadden begrepen. Dit optreden was geslaagd: woord en lijf spraken dezelfde taal en versterkten elkaar. Toch, het was niet zozeer het betoog of het optreden zelf dat ons bewoog, er klonk nog iets anders mee. Nieuwe ideeën kunnen ons denken prikkelen, maar bij inspiratie gebeurt er kennelijk iets meer: niet alleen ons denken, maar onze hele ervaring wordt rijker en ‘ruimer’. Het is alsof we een nieuw spoor ontdekken dat ons naar een onbekende maar beloftevolle bestemming voert.

Wat resoneerde was volgens mij niets anders dan een vorm van hoop. Inspiratie en hoop worden terecht vaak in één adem genoemd. Iemand die inspireert, trekt tegelijk een spoor van hoop in het bestaan van degene die gevoelig is voor zijn of haar boodschap. Dit gebeurt veelal impliciet. Iemand kan groots spreken over ‘kansen’ en ‘toekomst’ zonder dat onze snaren daarbij gaan trillen. Hoop is vaak een duurzaam gevoel op een dieper niveau, een besef van zinvolle mogelijkheden, soms zelfs onbewust. Een ander kan dat gevoel in ons aanwakkeren of vergroten. Het is alsof ons een blik wordt gegund op een nieuw, deels onbekend terrein, alsof we ‘proeven’ van de eerste bloei op een weidelandschap in de lente.

Inspiratie heeft dus te maken met een toenemend besef van mogelijkheden. Voordat we dit besef herkennen als ‘hoop’, heeft het zich al lang getoond in ons denken, voelen en spreken. Hedendaagse filosofen spreken daarom soms van ‘existentiële hoop’, om deze duurzame variant te onderscheiden van onze alledaagse vormen van hoop (we ‘hopen’ op goed weer voor de vakantie, we ‘hopen’ dat er straks geen lange file is, enzovoort). Existentiële hoop is niet concreet, geen ‘hoop op’ of ‘hopen dat’, maar maakt juist alle hoop in die vorm mogelijk. Ze huist in de achtergrond van onze ervaring, als een vanzelfsprekend gevoel. Vanzelfsprekend menselijk, en tegelijk levensnoodzakelijk: studies wijzen erop dat mensen in een ernstige depressie precies dat ontberen – een vanzelfsprekend besef van de toekomst als een horizon voor nieuwe, betekenisvolle mogelijkheden.

Dichter bij onszelf

Het is niet mijn bedoeling om hier hoogdravende existentiefilosofie te bedrijven. Wel wil ik begrijpen hoe een persoon ons inspireert, hoe iemand voor ons als autoriteit kan gelden. Volgens mij is existentiële hoop hierin een belangrijk leidmotief. Het is niet alleen de blik die straalt, er straalt iets mee. Het zijn de mogelijkheden die de persoon belichaamt en die hij of zij belicht in mijn leven, waarin ze lijken te worden opgetild uit een laagje aarde. De inspirator gaat zodoende steeds voorbij aan zichzelf. Zijn of haar optreden verwijst niet naar hem- of haarzelf, maar naar ‘elders’, naar een mogelijkheidsruimte als je wil, zij het een nieuw verhaal dat we onszelf kunnen vertellen, een visioen, of een andere manier van leven.

Ziedaar een belangrijk verschil tussen authentiek leiderschap en louter macht. We illustreerden eerder hoe inspiratie ook gezag insluit, maar de voorbeelden van macht zonder inspirerend leiderschap zijn natuurlijk legio in het draaiboek van onze politieke geschiedenis. Macht an sich kan enkel naar zichzelf verwijzen. Zij vertelt vaak keurig gedefinieerde, grote verhalen, maar die verhalen beogen niets anders dan het versterken van de gevestigde macht. Ze ontsnapt moeilijk aan de dynamiek van zelfbestuiving. Het enthousiasme dat zij doet oplaaien, wordt afgemeten aan de ijver waarmee men in de pas loopt.

Leiderschap lijkt daarentegen steeds onbedoeld. Hoezo? Gezag vormt geen doel, het vloeit voort uit de kwaliteiten van de persoon. Deze schetst met de contouren van zijn of haar persoonlijkheid intuïtief een weg, die wij aanvoelen als ‘nobel’ of ‘de moeite waard’. Wat telt, is niet de concrete bestemming, maar de aangeduide richting, en in welke mate deze ons gevoelig maakt voor nieuwe, zinvolle mogelijkheden. De boodschap geschiedt vaak meer impliciet dan expliciet, zodat er ruimte wordt gelaten voor een invulling op maat van de eigen verbeelding. Dit leiderschap zet niet aan tot imitatie, integendeel. Het is niet uit op de internalisering van een of andere persona, maar op inspiratie in de eigenlijke zin: het doen eigen maken van een nieuwe sfeer van mogelijkheden die ons dichter bij onszelf kan brengen.

Dit leiderschap relativeert dan ook de eigen inbreng, niet omdat successen bijna steeds van korte duur zijn, maar omdat de taak in essentie tijdelijk en overdraagbaar is. Je treedt als leider namelijk toe tot een lange traditie van dienstbaar leiderschap. Je neemt de draad op die zich uitspant vanaf de wijze leermeesters die de mensheid gedurende tweeduizend jaar heeft voortgebracht, en weeft daarvan enkele vezeltjes in de levens van anderen, in het vertrouwen dat deze vezels voor ieder volstaan om een leermeester voor zichzelf te worden. “Alle zaden van goedheid die een man in de wereld verspreidt, zullen op een dag ontkiemen in het hart en het denken van andere mensen”, wist Albert Schweitzer. En de vruchten die dat hart voortbrengt, zullen weer nieuwe zaden doorgeven. Volgens mij is dat wat het rentmeesterschap binnen religies in essentie betekent: het opnemen en doorgeven van een zorg die onze hoop cultiveert, een zorg die de mogelijkheid schept voor nieuwe, betekenisvolle mogelijkheden.

Charisma

Het is me al vaker voorgekomen dat ik onder de gezwollen taal van het christendom een paar elementaire inzichten vond. Zo ontdekte ik dat de christelijke theologie spreekt van ‘charisma’ om de gave aan te duiden waarmee mensen het welzijn van anderen bevorderen. Deze zou hen door God worden geschonken via de Heilige Geest. Charisma als genade dus. Of met andere woorden: dat deel van onszelf waarmee wij anderen bijstaan en inspireren, is niet helemaal onze eigen verdienste. Charisma hebben we in zekere zin gekregen, van andere inspiratoren. Charisma is het stralende neveneffect van een hoop die wij trachten te belichamen, dankzij én voor anderen.

Ergens wisten we dat wel, mijn goede vriendin en ik, toen we de bijzondere kwaliteiten van onze prof bejubelden. Want nog voordat we tot zulke bewoordingen kwamen, voelden we het al: onze wereld was ruimer! ●

Toon Baert (29) uit Heverlee, België, is pas afgestudeerd als arts. De jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2019 kende aan zijn inzending een eervolle vermelding toe.