'Het idee van gemeenschap ben ik nooit kwijtgeraakt'

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
“Je wilt natuurlijk altijd gezien worden. Liefst door een goedaardige vaderlijke aanwezigheid. Godsdienst heeft ook te maken met goedkeuring, regels en gedrag, wat door je ouders wordt versterkt. Dat raak je nooit helemaal kwijt.” Een gesprek met Rob van Essen die in mei de Libris Literatuurprijs ontving voor zijn roman De goede zoon.

Tekst: Nico Keuning Beeld: Hollandse Hoogte

De goede zoon is een futuristische roman met robots die bedienen in restaurants. Een roman, waarin de hoofdpersoon een dialoog voert met zijn zelfrijdende auto. Tegelijkertijd maakt de ‘ik’ een reis naar het verleden. De ‘ik’ past niet meer in de nieuwe tijd en kijkt terug op zijn leven, naar de plekken van zijn jeugd. Een van die plekken is het Overijsselse dorp Rijssen, een bolwerk in de Biblebelt.

Ik ontmoet de schrijver in een grand café aan ’t Spui in Amsterdam. De stad die een belangrijke plaats inneemt in Kind van de verzorgingsstaat (2016), het non-fictie boek dat geldt als pendant van De goede zoon. Fictie en werkelijkheid, de stad en de provincie, waar Van Essen (56) opgroeide in dorpen waar het gereformeerde geloof zijn jeugd bepaalde. “Ik heb vijf jaar over dit boek gedaan,” zegt hij. “Ik schreef al over een hoofdpersoon die zijn moeder elke week bezoekt in een bejaardenhuis, maar ik kreeg het verhaal niet rond. Toen overleed mijn moeder, februari vorig jaar. Ineens paste alles in elkaar; ik heb de verteller ouder gemaakt dan ik zelf ben. Nu zijn moeder was overleden, kon de hoofdpersoon beter terugkijken. Zowel op zijn eigen leven als op dat van zijn moeder.”

In het autobiografische boek Kind van de verzorgingsstaat vertelt Van Essen dat zijn ouders, toen hij bijna een jaar was, van Amstelveen naar Rijssen verhuisden en terugkeerden naar het geloof. In De goede zoon moet de hoofdpersoon het verleden van Bonzo, de crimineel die aan geheugenverlies lijdt, bedenken, schrijven: een verleden in Amstelveen.

Het laatste hoofdstuk van de roman heet Zevende dag. Dat doet denken aan het scheppingsverhaal. Heeft u dat bewust gedaan?

“Een reis moet een aantal dagen duren. Zo kwam ik op zeven dagen. Een mooi symbool. Maar het ontstond pas tijdens het schrijven. Stephen King zegt in On writing: ‘Symboliek moet je nooit van te voren in je verhaal stoppen, dan wordt het iets doods.’ Je mag het wel uitbaten, maar je moet het uit zichzelf laten komen.”

Nu we het toch over symboliek hebben. De titel De goede zoon roept associaties op met de bijbelse ‘verloren zoon’.

“Zeker. Als motto heb ik in de roman The good son gebruikt, van zanger Nick Cave. ‘De goede zoon’: zo noemt Cave de broer van de verloren zoon. De goede zoon is al die tijd thuis gebleven, heeft voor zijn ouders gezorgd, meegewerkt op het land.”

De hoofdpersoon is in zeker zin ook ‘verloren’ nu beide ouders zijn overleden.

“Mijn eerdere boek is ontstaan uit stukken die ik op mijn blog had geschreven en die ik steeds verder heb uitgebreid. Maar nadat ik het boek had geschreven, wist ik dat ik er nog niet klaar mee was. Toen ik aan De goede zoon begon, kwam alles weer terug, in fictieve vorm. In fictie kun je meer zeggen dan in non-fictie, omdat het multi-interpretabel blijft. Meer betekenissen heeft. Een roman is gelaagder. De lezer kan er veel meer uithalen.”

Uw ouders zijn in achttien jaar zeven keer verhuisd. Zij verhuisden soms zelfs terug naar een dorp waar ze eerder ook al woonden. U keert in de twee boeken ook voortdurend terug naar plekken uit uw verleden.

“Als je ouder wordt ga je je eigen geschiedenis reconstrueren. Een vriendin van mij is opgegroeid in Amstelveen. Ik ging wel eens met haar mee als zij haar oude vader bezocht. Ik ben daar geboren, maar had er geen herinneringen aan, omdat ik er maar zo kort heb gewoond. Ik vroeg me af hoe het was geweest als mijn ouders hier waren gebleven en nooit terug waren gegaan naar de zwartekousenkerk. Laatst liep ik nog door Rijssen. Het is een soort zelfonderzoek, gerelateerd aan plekken. Voor mij zijn locaties en plekken heel belangrijk. Mijn herinneringen zijn eraan verbonden, maar ze maken zelf ook indruk. De architectuur, de rijtjeshuizen, doorzonwoningen. Hoe een wijk gebouwd is, gevormd is. Wat het betekent als je in zo’n dorp terechtkomt, in zo’n gemeenschap.”

Denkt u dan aan de paasvuren en bedreigingen van hel en verdoemenis?

“Mijn moeder was bang voor de dood en bang voor de hel. Ik als klein kind niet. Ik wilde dominee worden. Als je opgroeit in een systeem waarin ‘bekeren’ zo belangrijk is, waarin je als kind ‘een nieuw hartje’ moet krijgen, is het logisch dat anderen bekeerd moeten worden en dat je zendeling of dominee wordt. De angst voor de hel heb ik ontleend aan een zus van mij. Zij was ouder dan ik en kende het vrije, seculiere leven in Amstelveen, voordat wij verhuisden naar Rijssen. Ik was één jaar en kende geen ander leven. Toen ik ouder werd, kreeg ik er ook mee te maken. Dat was niet comfortabel.”

De goede zoon: “Je was gemaakt van vlees en vlees kon branden tot alleen de botten over waren, het zou eeuwig duren en dat kon alleen maar betekenen dat het steeds opnieuw zou beginnen, zodra je as was, werd je weer nieuw en stond je weer naast je ouders en je zusje naar het paasvuur te kijken, nietsvermoedend, en dan: weer rook aan de horizon, noord, zuid, oost en west, aanstormend vuur, en vuur onder je waar geen ontkomen aan was, razend vuur, de angst is nog erger dan de pijn, tot de pijn begint, dan is de pijn erger en telkens als het opnieuw begint herinner je je de pijn van de vorige keren, steeds herinner je je meer pijn en daar komt steeds meer pijn bij.”

De hel als zwaard van Damocles.

“De predestinatie die eigenlijk niemand echt kon verklaren. Daarom was het ook wel weer eenvoudig om van je geloof te vallen, want het is iets onmogelijks: aan de ene kant moet je je goed gedragen en bidden en smeken om bekering, aan de andere kant is alles al voorbestemd. Alles in de Bijbel werd letterlijk genomen. Zes scheppingsdagen, de aarde – en verder niets – is zesduizend jaar oud. Het voordeel was dat mijn ouders die andere wereld van Amstelveen kenden, dus wij mochten naar de Openbare Bibliotheek. Daar las ik over de evolutietheorie en ik maakte kennis met de literatuur.”

U bent niet haatdragend tegenover het geloof zoals Maarten ’t Hart.

“Ik ben nogal vatbaar voor melancholie en nostalgie. Meer dan ik zou willen. Als ik door de jarendertigwijken van Amsterdam fiets en ik zie kerken midden in die buurten staan, die nu meubelhal zijn, klimhal of dansschool, dan vind ik dat jammer. De kerk staat voor een gemeenschap, een keurige wijk en op zondag rukte iedereen op naar zijn of haar kerk. Dat roept een nostalgisch verlangen op. Het idee van zo’n gemeenschap ben ik nooit kwijtgeraakt.”

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.