Rijksmuseum toont werk van Caravaggio

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
In de periode van de barok maakte de rooms-katholieke kerk een periode van grote bloei mee en leverde zij een belangrijke bijdrage aan de westerse cultuur. Dat alles mede dankzij mensen als de heetgebakerde, stuurloze en bandeloze, maar geniale schilder Caravaggio. Door kunstenaars als hij trok de kerk weer volle zalen.

Tekst: Eric Corsius

Het leven is een schouwtoneel. Dat gold zeker voor Michelangelo Merisi (1571-1610), ook wel Caravaggio genoemd, naar de plaats waar hij als kind opgroeide. De kunstenaar hield er een uitbundige en losbandige levenswandel op na, brak de nodige mannelijke en vrouwelijke harten en bracht veel beroering te weeg, niet alleen vanwege zijn werk maar ook vanwege zijn opvliegende karakter. Zo raakte hij herhaaldelijk verzeild in ongeregeldheden, die hem geregeld in aanvaring brachten met vrouwe Justitia en op de vlucht deden slaan. Caravaggio is echter toch vooral de geschiedenis ingegaan als een geniaal schilder van dramatische en indringende religieuze en wereldse taferelen. Hij is een van de boegbeelden van de Romeinse en Italiaanse barok en geldt als uitvinder van de ciaroscuro-stijl – een stroming waarin scherpe licht-donkercontrasten en spectaculaire lichteffecten centraal staan. Deze stijl was ook van invloed op de Nederlandse kunst van de Gouden Eeuw.

Actie en drama
Caravaggio staat momenteel centraal in een tentoonstelling in het Amsterdamse Rijksmuseum, samen met prominente tijdgenoten als de beeldhouwer en architect Bernini, die bekend is vanwege zijn bijdragen aan het Sint-Pietercomplex in Vaticaanstad. Het is een hele prestatie om een dergelijke tentoonstelling samen te stellen. De curatoren moeten daarvoor immers zaken doen met collega-musea, kerken en andere eigenaren, om representatieve werken in bruikleen te krijgen. Dat valt bij Caravaggio en Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) niet mee, want hun werken zijn belangrijke trekpleisters en vormen vaak een vast bestanddeel van het interieur van kerken en de collecties van musea. Ze worden daarom niet gauw uitgeleend. Wie de echte topstukken van Caravaggio wil bewonderen, zal dus ook na een bezoek aan Amsterdam menige reis moeten maken – en vooral Rome moeten aandoen.

De actuele tentoonstelling in het Rijksmuseum is echter een ervaring op zich en de moeite waard. Ze vestigt de aandacht op een aantal kenmerkende aspecten van de genoemde kunstenaars en hun tijdgenoten. Wat was het mentale kader en hoe zag de maatschappelijke, kerkelijke en culturele context eruit, waarbinnen zij werkten? Wat was hun bijdrage aan de kunstgeschiedenis? Op deze en dergelijke vragen geeft de tentoonstelling antwoord. Ze biedt daarom een goede introductie op het werk van Caravaggio, Bernini en hun tijdgenoten en ze zet de hedendaagse beschouwer ertoe aan om over deze antwoorden na te denken. De rode draad is daarbij het citaat van Shakespeare, waarmee ik dit artikel opende: “Het leven is een schouwtoneel.”
In de tijd waarin Caravaggio en zijn vakbroeders leefden en werkten, was Europa al sinds een eeuw een toneel van strijd. Het continent werd in de greep gehouden door oorlogen en door de nasleep van de reformatie – waarbij de politieke en de religieuze strijd uiteraard niet zelden met elkaar samenhingen. Europa kookte en kolkte. Vroeg of laat kon dit niet zonder invloed blijven op de kunstbeoefening en moest dit onvermijdelijk leiden tot een grote kunsthistorische verschuiving. In de zestiende eeuw was de renaissance nog op haar hoogtepunt geweest. In de kunst had de terugkeer van de glans uit de oudheid voorop gestaan, met kenmerken als elegantie, bekoorlijke evenwichtigheid, berustende en kalme schoonheid. Dit was echter steeds minder een afspiegeling van het levensgevoel. In toenemende mate was er behoefte aan actie, drama en beweging. Men zou zelfs kunnen zeggen, dat de behoefte aan effectbejag toenam, zowel bij de kunstenaars zelf als bij de opdrachtgevers en het publiek. Effectbejag en de middelen om dit te optimaliseren: het waren bij uitstek de kenmerken van de barok.

Lichteffecten
Het favoriete en meest representatieve genre van deze stroming was misschien daarom wel de opera, die omstreeks 1600 in Italië werd uitgevonden. Deze vorm van muziektheater was een mengsel van ingrediënten, die haar ongekend populair zouden maken en waarop het publiek als het ware zat te wachten: meeslepende muziek, visueel spektakel, dramatische verhaallijnen, optische en andere technische middelen waarmee men kijkers en toehoorders kon hypnotiseren en boeien. Alle registers werden opengetrokken. In de opera – qua functie de musical van die tijd – kon men zich identificeren met heldinnen en helden, kon men innerlijk met hen meelijden en – strijden, kon men treuren om de tragische afloop van de verwikkelingen of juist triomferen om de overwinning van het goede over het kwade. De bewogenheid en de passie van de hoofdrolspelers waren aanstekelijk en leidden tot bewogenheid en compassie bij het publiek. De succesformule van de opera leidde ertoe, dat ook de beeldende kunst en de literatuur zich gingen bedienen van de troeven, trucjes en technieken van het muziektheater. Schilderijen en beeldhouwwerken gingen bijvoorbeeld steeds meer lijken op tableaux vivants of stills. Toeschouwers hadden steeds meer het gevoel naar een podium te kijken. →

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.