Renée van Riessen: Diep door U bereikt

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:

Tekst: Bert van der Kruk Beeld: Freddy Schinkel 

PSALM I

Systeem! Gij spitst geen oog of baard
en draagt geen slepend kleed;
hij die in U een man ontwaart
misvormt U naar zijn eigen aard
waar hij ook niets van weet.

Systeem, ik noem U dus geen God,
geen Heer of ander Woord
waarvan men gave en gebod
en wraak wacht en tot wiens genot
men volkeren vermoordt.

Systeem! Lijf dat op niets gelijkt,
Aard van ons hier en nu,
ik voel mij diep door U bereikt
en als daardoor mijn tijd verstrijkt
ben ik nog meer van U.

Leo Vroman (1915-2014), uit: Psalmen en andere gedichten (Querido,1995).

‘Dit gedicht duikt altijd weer bij me op. Het is heel begrijpelijk en tegelijk enorm diepzinnig. Het is vormvast, en daar houd ik zelf als dichter ook van. Er zit ritme in, het rijmt, maar nergens dwangmatig. Waardoor de inhoud heel natuurlijk overkomt, en toch ook iets raadselachtigs heeft. Meteen bij de eerste woorden gebeurt al iets bijzonders. Vroman gebruikt het woord systeem, maar spreekt dit wel aan. Hij neemt afstand van het benoemen van God – ik noem U dus geen God – en tegelijkertijd doet hij het wel. Dat is typerend voor een hele reeks denkers, te beginnen met Augustinus die ergens schrijft dat we God niet kunnen benoemen omdat we daarvoor alleen maar menselijke woorden hebben. Maar helemaal ophouden met spreken over God, zou het ergste zijn dat we kunnen doen. We moeten dus spreken, al kunnen we niks over God zeggen. Zoiets proef ik ook in dit gedicht. Sinds Augustinus kom je het ook tegen bij mensen als Dionysius de Areopagiet en Meister Eckhart. Tot aan Levinas toe, die ook een grote terughoudendheid heeft om met God voorstellingen te verbinden, maar er toch over blijft spreken – een soort doorstrepend spreken over God.

Niet alleen in de mystieke theologie, ook in de godsdienstkritiek heeft altijd de waarschuwing geklonken: pas op als mensen de naam van God gebruiken, want ze doen er vaak iets anders mee dan ermee bedoeld wordt. Dat lees je terug in de twee strofe. Maar de derde strofe vind ik het mooist. Daar zie je een soort toenadering. Het systeem is het lijf, het is van onze aard. Ik voel mij diep door U bereikt. Het systeem zelf zendt kennelijk ook iets uit; er is communicatie mogelijk. Het vreemde dat je niet kunt benoemen, is tegelijkertijd dichtbij. Het zit onder je huid, in je bloed. Je tijd verstrijkt, je bent eindig, maar na het leven ga je op in dat wat groter is, in het systeem. Dat is voor Vroman geen bedreigende gedachte. Ik zie er een vorm van overgave in, een uitdrukking van het gegeven dat je bij iets hoort wat groter is dan jijzelf. Je zult daar uiteindelijk in opgaan of verdwijnen, maar dat is niet erg. Het is iets heel vertrouwds, omdat je het aangesproken hebt.

Het slot vind ik troostend. Ook dat doet me denken aan Levinas. We hebben allemaal te maken met veroudering, schrijft hij, maar dat is één groot adieu, een afscheid dat je ook begrijpen kunt als een à Dieu, één groot naar God toeleven. Het is een loslaten van jezelf, van wat er krachtig is in jezelf. Dat proces heeft tegelijk met God te maken, want die leeft als het ware in die verzwakking. Juist in onze zwakheid en onmacht zit de kracht, het goddelijke. In de filosofie wordt veel gesproken over sterfelijkheid, maar heel weinig over lichamelijke aftakeling. Levinas doet dat wel. Hij kijkt er heel lijfelijk en weinig heroïsch naar en verbindt het met een notie van God. Ouder worden is niet alleen een verdriet of last; in het afscheid nemen van mogelijkheden word je ook van jezelf bevrijd. Ik ben nog niet zo vreselijk oud gelukkig, maar merk wel dat het me niet meer lukt om alles tegelijk aan te pakken en ’s avonds lang door te werken. In het begin was er een soort ongeloof, ik dacht: het komt wel weer terug. Maar dat is gewoon niet zo, de vanzelfsprekendheid is verdwenen. Er zit een grote vreugde in alles kunnen en geen grenzen kennen. Maar nu is het goed om meer tijd voor rust te nemen en te leren lummelen. En ook daar de vreugde van in te zien.”

Renée van Riessen (Lunteren, 1954) is bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Universiteit Leiden en dichter. Half mei verscheen van haar over de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995): Van zichzelf bevrijd. Levinas over transcendentie & nabijheid (Sjibbolet, Amsterdam).