Paulus over mannen en vrouwen: Voorhuid maakt verschil

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
“Er is geen Jood of Griek, geen slaaf of vrij, geen man en vrouw, want jullie zijn allemaal één in Christus”, aldus Paulus in zijn brief aan de Galaten. Maar maakt deze ene zin Paulus tot een kampioen van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen? Exegeet Karin Neutel meent van niet. De apostel was een man van zijn tijd. Het idee van gelijkwaardigheid was hem daarom vreemd.

Besnijdenis van een joods jongetje.

Tekst: Karin Neutel Beeld: Hollandse Hoogte

Net zoals tegenwoordig was mannenbesnijdenis in de oudheid onderwerp van verhitte discussie. Men veroordeelde deze praktijk of maakte haar belachelijk, maar ook verdedigde men haar met passie om religieuze redenen én in verband met gezondheid en seksualiteit. Dat Paulus zich ook behoorlijk druk maakte over mannenbesnijdenis, daarover kunnen de meeste lezers van zijn brieven het wel eens zijn. Maar waarom dit onderwerp hem zo bezighield en wat zijn mening er nou precies over was, daarover bestaan veel verschillende opvattingen. Daarnaast kunnen we ons afvragen wat al die aandacht voor mannelijke geslachtsdelen betekent voor Paulus’ ideeën over gender, een zaak waar ook de nodige controverse over bestaat.

Innerlijk en uiterlijk

Traditioneel worden Paulus’ uitspraken over de besnijdenis gezien als een kernpunt van zijn kritiek op het jodendom en joodse gebruiken. Tegenover lichamelijke besnijdenis zou hij ‘besnijdenis van het hart’ (Romeinen 2,29) benadrukken, omdat voor hem alleen het innerlijke telt. Lastig is dan dat Paulus op de vraag: ‘Welk voordeel hebben joden dan en wat is de waarde van besnijdenis?’, het antwoord geeft: ‘Veel, in alle opzichten’ (Rom. 3:1-2).
Deze ronduit positieve waardering van besnijdenis als joodse praktijk valt moeilijk te rijmen met het gangbare idee dat Paulus het jodendom bekritiseerde en lichamelijke rituelen afwees, maar hoeft niet problematisch te zijn als we hem zien als een eerste-eeuwse joodse man die vooral niet-joden goed nieuws wilde brengen over de eindtijd en de komst van Gods Messias. Wanneer we Paulus zoveel mogelijk begrijpen vanuit de veelstemmige joodse traditie van zijn tijd en niet in tegenstelling ermee, kunnen we ook zijn ideeën over besnijdenis beter plaatsen. De metafoor van besnijdenis van het hart komt bijvoorbeeld niet voor het eerst bij Paulus voor, maar is bekend uit de traditie, waarin het geen afwijzing van lichamelijke besnijdenis impliceerde, maar er juist mee samenging. Ook voor Paulus had zowel innerlijke als uiterlijke besnijdenis blijkbaar zijn waarde, zonder tegenstrijdigheid.

Bekeerlingen

Maar hoe moeten we dan Paulus’ meer polemische uitspraken tegen besnijdenis begrijpen? Daarvoor is het belangrijk te weten dat er in de oudheid twee vormen van joodse besnijdenis waren: besnijdenis van joodse jongetjes op de achtste dag na de geboorte en besnijdenis van volwassen niet-joodse mannen, als rituele markering van de overgang naar het joodse volk. Hoe vaak die laatste vorm daadwerkelijk voorkwam en hoe dat ritueel precies in zijn werk ging weten we niet, maar in zowel joodse als Grieks-Romeinse literatuur wordt het verschillende keren genoemd. Sommige teksten stellen deze besnijdenis van bekeerlingen, in het verlengde van besnijdenis op de achtste dag, als iets positiefs voor. Andere joodse teksten laten zien dat het goed mogelijk was om veel waarde te hechten aan besnijdenis op de achtste dag, maar besnijdenis van proselieten – mannen die overgingen naar het jodendom – af te wijzen.
Deze binnen-joodse discussie over proselietenbesnijdenis vormt een plausibele achtergrond voor de controverse die we in Paulus’ brieven terug zien. Zijn ongebruikelijke voorkeur voor het woord ‘voorhuid’ als aanduiding voor niet-joden – meestal vertaald als ‘onbesneden’ of ‘niet besneden’ – onderstreept dat besnijdenis hier de scheidslijn vormt tussen etnische groepen. In dit licht kunnen we ook Paulus’ meer heftige uitspraken tegen besnijdenis begrijpen en tegen degenen die niet-joodse mannen willen overtuigen dat ze zich moeten laten besnijden. Paulus noemt hen honden en stelt voor dat zij er bij zichzelf maar wat meer afsnijden (Filippenzen 3, 2; Galaten 5,12). Hij verzet zich dus heftig tegen het idee dat besnijdenis nodig of goed is voor niet-joodse volgelingen van Christus. Deze discussie was hiermee niet alleen binnen-Joods, maar lijkt ook intern te zijn binnen de groep joden die volgers van Christus waren. De vraag is of niet-joodse mannen, nu de messiaanse tijd is aangebroken, alleen op basis van hun Messiasgeloof bij de kinderen van Abraham kunnen horen, of naast dat geloof ook nog besneden moeten worden. Over besnijdenis op de achtste dag zegt deze discussie dus niets. We kunnen zeker niet aannemen dat Paulus daar een probleem mee had, alleen omdat hij in het specifieke geval van niet-joodse volgelingen van Christus, hun geloof in de Messias beschouwde als de toegang tot Gods volk, die geen verder besnijdingsritueel vereiste.

Focus op mannen

Deze hele discussie over de besnijdenis, die in verschillende brieven voorkomt, draait duidelijk om mannen en mannelijke anatomie. Wat de implicaties zijn voor niet-joodse vrouwen die over willen gaan tot het joodse volk komt niet aan de orde. Hiervoor bestond in het jodendom van de eerste eeuw geen bekend ritueel en Paulus houdt zich daar ook niet specifiek mee bezig.
Deze vanzelfsprekende focus op mannen in Paulus’ brieven staat in contrast met de interesse van moderne lezers, die juist vooral willen weten hoe hij over vrouwen dacht. De vraag of Paulus een ‘vrouwenhater’ was, of juist gelijkwaardigheid van man en vrouw verkondigde, is al een tijd een heet hangijzer. Verschillende strategieën worden toegepast om mogelijk problematische teksten over vrouwen te verklaren, zoals de suggestie dat verzen later in de tekst zijn toegevoegd, of het idee dat Paulus tegenstanders citeert, wanneer hij dingen lijkt te zeggen die als seksistisch worden ervaren.

Daarbij is het goed te bedenken dat de vraag naar gelijkwaardigheid echt een vraag is van onze tijd. In de oudheid kwamen verschillen tussen mannen en vrouwen vooral ter sprake als het ging over huwelijk en voortplanting. Genderverschil werd gezien als een verschil in kwaliteit: mannelijkheid was een superieure vorm van mens-zijn, dichter bij het goddelijke, en vrouwen waren min of meer mislukte mannen. De hiërarchie tussen mannen en vrouwen was een gegeven en niet zoals tegenwoordig een controversiële interpretatie van mogelijke verschillen. Dat Paulus met name gericht is op mannen en zijn eigen boodschap kan samenvatten als ‘het evangelie voor de voorhuid’ (Galaten 2,7) past in een dergelijke voorstelling van gender, waarin mannen vanzelfsprekend de norm zijn.

Verschil in status

Wanneer we de vraag naar gelijkwaardigheid loslaten, zien we dat ook Paulus’ veelbesproken passages over vrouwen passen in dit antieke denken. Zowel van het uiterlijk als van het spreken van vrouwen werd in de oudheid verwacht dat het hun ondergeschikte positie weerspiegelde. Als Paulus instructies geeft over de passende hoofdbedekking voor vrouwen bij het bidden en profeteren noemt hij als achtergrond dat de man ‘het beeld en de eer van God is’ en de vrouw ‘de eer van de man’ (1 Korintiërs 11,7). Deze hiërarchie, die voor zijn tijd dus niets nieuws was, onderbouwt hij door te verwijzing naar de schepping. De vrouw is geschapen omwille van de man en uit de man, en niet andersom (1 Kor. 11,8-9). ‘In de Heer’ zijn beiden nodig, maar hebben ieder hun eigen rol (1 Kor. 11,11-12). Verschil in kleding en haardracht tussen mannen en vrouwen zijn voor Paulus dus een uitdrukking van een meer fundamenteel verschil in status, zowel ten opzichte van elkaar, als ten opzichte van God.
Ook de omstreden tekst dat vrouwen moeten zwijgen past in dit hiërarchische beeld. Daarin wordt gezegd dat vrouwen in de bijeenkomsten van de gemeente niet morgen spreken en ondergeschikt moeten zijn. Als ze iets willen leren moeten ze het thuis aan hun man vragen, omdat het een schande is als een vrouw spreekt tijdens zo’n bijeenkomst (1 Kor. 14,34-35). Hoewel vaak wordt gesteld dat deze verzen een latere toevoeging zijn – iets wat niet is uit te sluiten, maar ook lastig te bewijzen – rust de argumentatie daarvoor sterk op het idee dat een dergelijke instructie in tegenspraak is met Paulus’ positieve kijk op vrouwen.

Afwezigheid van huwelijk

Voor dat positieve beeld speelt één tekst de hoofdrol: ‘er is geen Jood of Griek, geen slaaf of vrij, geen man en vrouw, want jullie zijn allemaal één in Christus (Gal. 3,28). Op deze zin zijn heel veel verwachtingen geprojecteerd, niet alleen over gender, maar ook over Paulus’ vermeende universalisme en verzet tegen slavernij. De uitspraak wordt wel geclaimd als het begin van het idee van algemene menselijke gelijkwaardigheid of als de uitvinding van het individu in de westerse beschaving. Het is de vraag of deze zin dit allemaal kan dragen. Of eigenlijk is dat geen vraag, omdat zoals gezegd gelijkwaardigheid heel sterk ons ideaal is, maar niet dat van de oudheid, ook niet van Paulus.
Om te kunnen zien hoe deze woorden in de eerste eeuw geklonken zouden hebben, moeten een aantal puzzelstukjes bij elkaar gebracht worden. In de eerste plaats speelden de paren die Paulus in deze uitspraak noemt in zijn tijd alle drie een rol in voorstellingen over een ideale wereld. Daarbij ging het er niet om dat mensen ondanks de genoemde sociale verschillen in wezen gelijk waren, maar juist om de afwezigheid van die verschillen, waardoor harmonieus samenleven mogelijk zou worden. Wat gender betreft stelde men zich een ideale samenleving voor als een gemeenschap met alleen mannen, of, als er ook vrouwen waren, dan zonder huwelijk en familieverbanden (dus ook zonder slaven). Het probleem bij het samenleven van mannen en vrouwen in familieverband was niet ongelijkheid, maar begeerte rond seksualiteit en bezit; storende factoren die in een ideale manier van samenleven afwezig zouden zijn.
Een volgend stukje is het feit dat de woorden die Paulus hier gebruikt voor het paar ‘man en vrouw’ een duidelijke verwijzing vormen naar een vers uit Genesis, over de schepping (Gen. 1,27). Dit vers over schepping in ‘man en vrouw’ werd in Paulus’ tijd gezien als een verwijzing naar de goddelijke instelling van huwelijk en voortplanting, een gebruikelijke context om over gender te spreken. Een laatste element is dat in verschillende vroegchristelijke teksten en ook in Paulus, het huwelijk wordt gezien als een kenmerk van de huidige, voorbijgaande wereld, dat geen rol meer zal spelen in de nieuwe schepping die zal komen. Dit alles bij elkaar maakt het plausibel dat ‘geen man en vrouw’ hier verwijst naar de afwezigheid van huwelijk en voortplanting, als kenmerk van het ideale samenleven ‘in Christus’.
De Paulus die hier naar voren komt is niet zo makkelijk in verband te brengen met onze eigen vragen over besnijdenis en gender(on)gelijkheid. De bijna 2000 jaar tussen hem en ons zijn niet zomaar te overbruggen. Wie Paulus’ autoriteit claimt om een eigen visie religieuze of historische autoriteit te verlenen, loopt al snel het risico hedendaagse kwesties op het verleden te projecteren.

Exegeet Karin Neutel is verbonden aan de Universiteit van Oslo, Noorwegen, en redactiesecretaris van het tijdschrift Schrift.