'Pap, is de wereld er nog als ik er niet meer ben?'

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
“Ik denk er soms over na of er een God is”, zegt de tienjarige Tim. “De meeste mensen geloven in één God en verschillende mensen geloven in verschillende goden. Welke God is echt? Daar kom ik niet uit. En ik denk ook weleens over het grote heelal, dat dat allemaal altijd maar doorgaat. Kan dat? Daar kom ik ook niet uit.” Kinderen stellen religieuze vragen. Nemen ouderen hen serieus?

Tekst: Willem van der Meiden

Zijn kinderen spiritueel en willen wij dat niet zien? En als we dat wel willen zien, hoe ziet die spiritualiteit er dan uit en welke rol speelt de waarneming daarvan in de opvoeding, in de religieuze of spirituele opvoeding bijvoorbeeld? Deze vragen staan de laatste halve eeuw nadrukkelijk op de agenda van psychologen, pedagogen en theologen. Om te illustreren hoe dat vaak gebeurt, begint dit verhaal met een persoonlijk voorval, met de vragen van een kind, ons kind.

We zijn op vakantie in Italië, twintig jaar geleden. Laat in de avond rijden we na een etentje naar onze camping in Toscane over verlaten wegen in een fonkelende sterrennacht. Ik zit achter het stuur en onze zoon van zeven zit naast me. De andere helft van het gezin dommelt achterin. Onze zoon staat in de mijmerstand en doorbreekt de stilte met de ene vraag na de andere. Ik probeer steeds antwoorden te formuleren, maar met twee vragen legt hij mij het zwijgen op. “Weet je, pap, dat ik niet begrijp dat er nog iets is als ik dood ben. Is de wereld er nog als ik er niet meer ben?” Ik knaag op een mogelijk antwoord, maar hij is me alweer voor: “En wat ik ook niet begrijp, pap: was er dan wel een wereld voordat ik geboren was?” We zwijgen de rest van de reis. Van mij heeft hij nooit een antwoord gekregen, de vraag was al goed genoeg.

Behalve dat het gesprek me levendig bijstaat, bood het me ook veel stof tot nadenken. Ik verbond deze vragen bijvoorbeeld met het korte gedicht van Hans Andreüs: ik grens aan twee kanten aan het licht / ik word verwekt en ik ga dood / een spiegel kijkt in een spiegel. Maar ik wilde ook graag proberen dit verhaal in te passen in een theologisch frame. Niet om het verhaal krachteloos te maken of theologisch te annexeren, maar omdat het zou kunnen helpen bij de duiding van bijbelse noties als de eeuwigheid. Zo is er de staande uitdrukking in het Oude Testament, in het Hebreeuws le-olaam ad-olaam, die traditioneel vertaald wordt met ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’, of foutief met ‘in alle eeuwigheid’. Die twee eeuwigheden komen wat mij betreft dicht bij de twee spiegels van Hans Andreüs: een mens leeft van eeuwigheid tot eeuwigheid en die twee eeuwigheden zijn de begrenzingen van zijn of haar leven. Het antwoord op de vraag van onze zoon had dus kunnen zijn: “Dat hoef je helemaal niet te begrijpen, want de wereld bestaat voor jou alleen maar in jouw deelname aan die wereld. En verder is er niets vóór je geboorte en niets na je dood. Dan is er alleen maar eeuwigheid, en daartussen is er tijd, jouw tijd.” Ziezo, de vraag geframed en beantwoord.

Onbeschreven blad

Dit verhaaltje kan model staan voor de manieren waarop de vraag ‘zijn kinderen spiritueel?’ door meestal gelovige wetenschappers en opvoeders is benaderd en ook voor de bezwaren die daaraan kleven. De vraag is het eerst opgekomen bij mensen die zich bogen over de geloofsopvoeding van kinderen en kritische vragen stelden bij het op het dwangmatige af doorgeven van bijbelverhalen aan kinderen, al dan niet in voor hen bewerkte vorm.

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.