Ontvankelijkheid als tweede natuur

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Gabriele Münter en Wassily Kandinsky stonden aan de wieg van een revolutie in de schilderkunst van de twintigste eeuw. Ze legden hun oor ten luisteren bij de hartslag van de tijd. Ze wensten volledig recht te doen aan de ‘innerlijke klank’ van de werkelijkheid.

Tekst: Eric Corsius

‘Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft…’ Deze klassieke woorden van de Vlaamse dichter Guido Gezelle roepen ons op tot zwijgen en luisteren. Ze nodigen ons uit tot het scheppen van ruimte in onszelf, opdat de werkelijkheid tot ons kan spreken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Deze houding moet worden ingeoefend en gecultiveerd. Monniken van alle religies verstaan deze kunst en gaan ons daarin voor, maar ook kunstenaars en dichters, zoals Guido Gezelle zelf.

Vorm van mystiek

Op één beroemd kunstenaarsduo zijn deze woorden op een bijzondere wijze van toepassing: Gabriele Münter (1877-1962) en Wassily Kandinsky (1866-1944). Zij legden zich toe op een aandachtig bestaan, op de kunst van het luisteren naar de dingen. Deze ontvankelijkheid werd hun tweede natuur, een grondhouding. We gaan zeker niet te ver als we deze attitude een vorm van mystiek noemen. De twee kunstenaars schuwden immers zelf het woordgebruik uit de spirituele traditie niet. Kandinsky ontwikkelde zelfs een eigen leer aan de hand van dit begrippenkader, een leer die tot op heden zeer invloedrijk is.
Luisteren naar de ‘innerlijke klank’ van de werkelijkheid, zoals Kandinsky het formuleerde, stond centraal in deze leer. En dit begon voor hem met inkeer, met het luisteren naar het eigen hart, het gevoel en de zielenroerselen. Naast het doorgronden van de dingen was ook het doorgronden van het eigen innerlijk voor hem van belang. Dit paste goed bij het introverte en gesloten karakter van Kandinsky, die niet was geboren voor regelmatig en intensief contact met zijn medemensen. Voor zover hij relaties aanging, schrok hij terug voor sterke bindingen. Ook kwam het nooit tot een sterke binding met zijn geliefde Gabriele Münter. Hij leefde als een kluizenaar en reisde graag alleen rond.
Ook zij was van huis uit enigszins verlegen en naar binnen gekeerd, maar als het erop aankwam toch meer een gezelschapsmens. In de tijd dat ze geliefden waren (1903-1916), legde dit verschil in aanleg een zware wissel op de relatie tussen de twee kunstenaars. Münters minnaar liet haar maar al te vaak bungelen – om haar uiteindelijk te laten vallen als een baksteen. Niettemin was hun vriendschap een van de meest vruchtbare uit de kunstgeschiedenis.

Volkskunst

Münter en Kandinsky kwamen beide uit de grote stad – hij bracht zijn jeugd door in Moskou en verhuisde in 1896 naar Duitsland, zij kwam uit Berlijn. Zij genoten met volle teugen van de reizen naar en verblijven in grote kunststeden als München en Parijs. Uiteindelijk sprak echter vooral het landelijke hen aan, misschien ook vanwege de rust die ervan uitging en de overzichtelijkheid ervan. In menselijk en artistiek opzicht bloeiden ze op tijdens een verblijf op het Beierse platteland. De jaren in Murnau, vanaf 1908, vormden het hoogtepunt in de relatie tussen Münter en Kandinsky, maar droegen ook bij aan een doorbraak in beider kunstzinnige ontwikkeling. Ze leefden in de stimulerende sfeer van het vriendelijke vooralpenlandschap, met zijn kleinschalig dorpsleven. Tevens verkeerden ze met collega-kunstenaars.
Het was niet in de laatste plaats het authentieke karakter van de lokale volkskunst die de kunstenaars aansprak. Zoals veel vernieuwers uit die tijd zochten ze immers een ontsnappingsroute uit de al te academisch geworden kunstbeoefening met zijn meedogenloze vormenleer en conventies. De directheid van het ‘primitieve’ sprak hen aan. Münter zou in haar eigen werk voortborduren op één vorm van volkskunst, het achterglasschilderen – bijvoorbeeld door te werken met grote kleurvlakken, onderling afgebakend door zwaar aangezette lijnen en contouren.

Terwijl ze oog in oog stonden met het agrarische landschap, de bergachtige natuur en de volkscultuur, openbaarde zich aan Münter en Kandinsky iets wezenlijks. Ze ontdekten de noodzaak om niet te blijven staan bij de buitenkant van de dingen, doch om door de dringen tot de kern ervan. Ze kwamen tot het inzicht, dat het niet langer noodzakelijk – en zelfs niet meer wenselijk! – was om heel natuurgetrouw te schilderen. De kunstenaar diende in hun ogen de ruimte te krijgen om vrij om te gaan met de realiteit en daarvan te abstraheren. Het ging erom, de ‘innerlijke noodzaak’ te volgen en niet meer de uiterlijke dwang van conventies en voorbeelden. Münter schreef over de periode in Murnau: “Ginds heb ik, na een korte lijdensweg, een grote sprong voorwaarts gemaakt: een sprong van het min of meer impressionistisch nabootsen van de natuur enerzijds naar het voelen van een inhoud, naar het abstraheren, naar het maken van een extract.”
In Murnau werden ook de kiemen gezaaid voor de theoretische geschriften van Kandinsky uit 1911 en 1912, waaronder zijn klassieke Over het spirituele in de kunst en zijn bijdragen aan de almanak van de kunstenaarsbeweging Der Blague Rijder (‘de blauwe ruiter’).

Seismograaf van de tijd

De aangehaalde uitspraak van Münter maakt duidelijk, waarom het ging in de abstracte kunst, die zich in deze tijd ontwikkelde. Nog altijd associëren veel mensen abstracte kunst met een cerebrale aanpak, met doorgeschoten rationaliteit, met de kilheid van de rechte lijn. Abstracte kunst staat dan voor intellectuele, moeilijk doorgrondbare kunst voor en van de elite. In haar vaak aangehaalde woorden laat Münter echter zien, dat abstractie juist voortkomt uit het hart, uit het gevoel, uit de ontdekking van iemand die doordringt tot het hart van de dingen, tot de ziel ervan. Abstractie is de uiting van een hart dat meetrilt met de ‘innerlijke klank’ van de dingen.

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.