Nederigheid: een moraal voor dienstmaagden

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Eeuwenlang gold de vrouw binnen het christendom als minder rationeel en meer wellustig dan de man. Als erfgenaam van Eva – de eerste zondares! – werd zij getroffen door Gods uitspraak dat de man over haar zou heersen. Nederigheid zou daarmee een bij uitstek vrouwelijke deugd zijn. Maar heeft nederigheid daarmee voorgoed als deugd afgedaan?

Tekst: Grietje Dresen Beeld: Hollandse Hoogte

In een tijd waarin de wereldpolitiek bepaald wordt door ijdele, machtsbeluste heersers doet het ideaal van de nederigheid of bescheidenheid dat de meeste religies en levensbeschouwingen hoog in het vaandel hebben staan, weldadig aan. Ik vermoed dat veel lezers van dit blad ook meer op hebben met dit ideaal dan met de stijl en toon van de meeste huidige wereldleiders. Maar zou het ooit anders geweest zijn? Al in wereldbeschouwingen van ver voor Christus wordt de gelaten bescheidenheid van de wijze mens geplaatst tegenover de hoogmoed, ijdelheid, hebzucht en machtswellust van heersers of door heerszucht gedrevenen. Wijze en bescheiden filosofen als Socrates en Seneca werden vanwege hun kritische distantie tegenover hun machthebbers en hun welbespraakte verwoording daarvan ter dood veroordeeld. “Ruil om ‘t wisselspel der machten / Niet uw eenvoud voor een schijn”, zoals  Anton van Duinkerken dichtte bij het katholiek worden van zijn vriend Frederik Buytendijk, in een qua taal gedateerde, maar in het licht van de dreigende tijd indringende lofzang op Buytendijks levensmotto Considerate Lilia (‘Ziet de leliën des velds’).

Voor slaven en vrouwenTegenover deze doorgaande lijn van religieuze en filosofische waardering voor eenvoud, gelatenheid en nederigheid als deugd, staat Friedrich Nietzsches onbarmhartige oordeel erover. De nederigheid aanprijzen als deugd is de uiting van een slavenmoraal, aldus Nietzsche. De onmacht van de slaaf wordt zo opgewaardeerd tot ideaal, tot morele deugd. Of, zoals het spreekwoord zegt: hier wordt van de nood (de nood aan autonomie en Wille zur Macht, bij Nietzsche) een deugd gemaakt.

Nietzsches Umwertung aller Werte heeft de gemoederen van de filosofische en theologische ethiek grondig bezig gehouden, tot op de dag van vandaag. Ik vertrek hier vanuit Nietzsches problematisering van de nederigheid als deugd omdat ik via zijn ‘genealogische’ analyse ervan ook wil stilstaan bij de concretisering van deze moraal, die in de christelijke traditie voor vrouwen anders uitwerkte dan voor mannen. Nietzsche achtte het christendom met zijn nadruk op naastenliefde en zachtmoedigheid bij uitstek een godsdienst ‘voor slaven en vrouwen’ – groepen die in de vroegchristelijke samenkomsten verhoudingsgewijs sterk vertegenwoordigd zouden zijn geweest. Christelijke waarden als deemoed en dienstbaarheid zouden, vergeleken met de cultuur en levenshouding tegen de achtergrond waarvan zij ontwikkeld werden, ‘vrouwelijke’ waarden vertegenwoordigen. De vrij gekozen zelfbeheersing en welwillendheid van de klassieke aristocratische burger zouden tijdens de kerstening van de westerse cultuur verschoven zijn van een autonoom gekozen levenshouding naar een moraal binnen welke beloofd werd dat dienstbaarheid en lijden, naar het voorbeeld van Christus, na de dood tot verheerlijking zouden leiden. Overigens beoogde het christendom met die heilsbelofte welbewust ook een democratisering ervan. Of men nu man was of vrouw, rijk of arm, heer of horige: wie Christus navolgde op geleide van de voorschriften van de kerk zou na de dood delen in Gods heerlijkheid.

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.