Liefde heb je niet, liefde ben je

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
‘Als ik de liefde niet had...’ Die tekst doet het goed op bruiloften, maar wat wil Paulus ons werkelijk zeggen? Paulus geeft geen tips en trucs om in moeilijke tijden toch het hoofd boven water te houden zegt Liesbeth Jansen. Sterker nog, hij raadt ons aan om volledig kopje onder te gaan.

Tekst: Liesbeth Jansen

‘Als ik de liefde niet had… klonk alles wat ik zei volkomen inhoudsloos… zou ik voor niemand iets betekenen, hoezeer ik me ook inspande… waren al mijn kennis en talenten waardeloos.” Het zijn fragmenten uit het dertiende hoofdstuk van de eerste brief die de apostel Paulus schrijft aan de jonge christelijke gemeente in Korinte, die hij een aantal jaren eerder gesticht heeft.

Anders-zijn

De tekst is ook nu nog vrij bekend en wordt graag voorgedragen tijdens bruiloften, omdat de betekenis van de liefde er zo krachtig geformuleerd staat. Maar het is evengoed een tekst die niet zou misstaan bij echtscheidingen, als er voor dat soort gebeurtenissen ook een plechtige ceremonie bestond. Want net zoals de tekst uitdrukking geeft aan de kracht van de liefde wanneer zij bloeit, geeft zij food for thought voor de momenten waarop de liefde verdwenen lijkt. Immers, de afwezigheid van liefde en het gevoel van gemis zijn vaak bijna nog intenser dan de ervaring van haar aanwezigheid. Zeker wanneer de fase van verliefdheid voorbij is en plaats heeft gemaakt voor een prettige, vanzelfsprekende alledaagsheid.
“Toen ik de liefde niet meer had…”, wordt dan de formulering. Maar de angel zit in beide gevallen in het woordje ‘hebben’. Want wat hebben we nu eigenlijk in handen? Wat bezitten we nu werkelijk als het om de liefde gaat? Niets. Op ieder moment kunnen we haar kwijtraken, kan zij ons ontglippen, zonder dat we enige macht hebben om haar vast te houden of terug te roepen. Een beangstigend idee.
Daarom is het misschien belangrijk om te beseffen dat we de liefde niet hebben, maar zijn. Als we van iemand houden, wordt diegene deel van mij, van wie ik ben. En wie ik ben is niet statisch, maar fluctueert. Elke dag ben ik een beetje anders, afhankelijk van mijn omgeving, mijn stemming en de gebeurtenissen die er op mijn pad komen. Dat maakt ook de geliefde anders, en de betekenis die hij of zij voor mij heeft. Zo kan ik ‘s ochtends grootmoedig denken dat het vast allemaal wel weer goed komt na die ruzie, en ‘s avonds wanneer ik moe ben vertwijfeld vrezen dat mijn geliefde toch niet echt meer van mij houdt.
Als we de liefde tot ‘hebben’ reduceren, verliest ze haar kracht. Zoals je een vogel kunt opensnijden om het mechaniek van zijn vleugels te analyseren. Zodra je dat dan begrepen hebt en hem opnieuw de lucht in gooit, vliegt hij niet meer. We weten dan, we hebben – maar dat wat de vogel tot vogel maakte, is verdwenen. Zo stelt de joodse denker Levinas dat de ander volledig willen begrijpen gelijk staat aan zijn anders-zijn uitschakelen. En dat is niet verstandig, want zijn anders-zijn is nu juist hetgeen dat de ander boeiend en aantrekkelijk (en bij tijden verschrikkelijk irritant) maakt. Zodra we de ander begrijpen, en als het ware inlijven bij onszelf, ‘verdwijnt’ hij of zij. Zo blijf ik opnieuw achter in mijn eigen eenzaamheid, omdat er niemand meer is die voor wrijving zorgt.

Geen eindbestemming

In het verlengde van de metafoor van de vogel moeten we ook stellen dat de liefde niet bestaat tenzij ik liefheb. De liefde is geen theoretisch concept dat ik kan vastpakken en beschrijven, maar bestaat bij de gratie van een ik dat zich openstelt voor een ander. Ik heb lief, en geef me over aan al wat die liefde vervolgens brengt, zowel in positieve als in negatieve zin. Ook in dit opzicht kunnen we de liefde dus niet hebben, alleen maar doen. Dat doen veronderstelt overgave, en die gaat gepaard met een grote mate van kwetsbaarheid. Want de ander kan ons ook teleurstellen, of in de steek laten. We moeten de liefde dus ook durven. En ons tegelijkertijd realiseren dat het nooit af is. We zijn nooit klaar, nooit gearriveerd. De liefde is een richting, geen eindbestemming. We kunnen liefde dus ook wel definiëren als het ‘nog niet’. En ook dat heeft twee kanten. Want het gevoel steeds maar onderweg te zijn, steeds hard te werken zonder dat we ooit daar geraken waar we denken heen te gaan, kan heel frustrerend zijn. Maar tegelijk heeft dat ‘nog niet’ ook de betekenis van verlangen, van iets dat het vuur brandend houdt en ons levensvreugde geeft.
Het punt is natuurlijk dat het ongrijpbare, onaffe en variabele karakter van ‘zijn’ ook heel beangstigend is. We willen graag zeker weten dat de ander van ons houdt – nu en tot in lengte van dagen. Maar omdat we ook wel aanvoelen dat dat in wezen niet kan, bouwen we graag allerlei (onuitgesproken) verwachtingen, voorwaarden en spelregels in onze relaties. Als er dan vervolgens iets misgaat, verwijzen we naar deze afspraken als iets waar we recht op hebben, of bakkeleien over de zin en onzin van een uitzondering op de regel. De angst die in dergelijke situaties aan onze woede en teleurstelling ten grondslag ligt, zien we graag over het hoofd.
En juist daar komt de kracht van Paulus’ boodschap om de hoek kijken, al moeten we waarschijnlijk even wennen aan het perspectief dat hij ons voorhoudt. Verwacht van Paulus geen geruststellende woorden, geen ‘het komt allemaal goed’, en ook geen tips en trucs om in moeilijke tijden toch het hoofd boven water te houden. Sterker nog, Paulus zou eerder zeggen dat liefhebben betekent volledig kopje onder te gaan, ook of juist in verdriet. Omdat we daar, in onze reddeloosheid, gevonden kunnen worden. Juist in de momenten waarop het leven ons het heft volledig uit handen neemt, ligt de mogelijkheid besloten om boven onszelf uit te stijgen. Doordat we het zonder onze eigen kracht, efficiëntie en zelfredzaamheid moeten stellen, opent het in ons de ruimte om te antwoorden in plaats van te roepen, om gezien te worden in plaats van te zoeken.

Niet autonoom

In een tijd waarin er zoveel nadruk gelegd wordt op zelfredzaamheid en op het autonome individu, laat Paulus dus een radicaal tegengeluid horen. Autonoom? Niets daarvan, zegt Paulus, we zijn helemaal niet autonoom. Ten diepste zijn we volmaakt afhankelijk, van elkaar en van God. En dat is maar goed ook, want alleen zo kunnen we werkelijk geraakt worden. Alleen in wederzijdse en fundamentele afhankelijkheid kunnen we werkelijk liefhebben en worden liefgehad.
Mind you: het Griekse woord agapè dat Paulus hier gebruikt voor liefde heeft niet zozeer betrekking op de romantische liefde tussen twee personen, maar op de genegenheid tussen alle leden van een gemeenschap. Ook hierin breekt Paulus dus onze gebruikelijke kaders open: als we ons durven overgeven aan de ervaring van fundamentele afhankelijkheid, zegt hij, als we radicaal durven te vertrouwen dat we gekend en geliefd zijn, dan maakt dat onze liefde grenzeloos. Het onderscheid tussen ik en jij, tussen wij en zij, komt dan te vervallen. Onze liefde is dan niet meer beperkt tot één andere persoon maar reikt uit naar iedere andere mens. Dat, zou Paulus zeggen, is pas echt ware liefde.

Liesbeth Jansen is theoloog en programmamaker bij Radboud Reflects.