'Niet macht, maar gezag telt'

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Slechte leiders moeten het hebben van macht, goede leiders genieten gezag, zo leert Kurt Kooiman van filosoof Hannah Arendt. “Als we het hebben over een leider met gezag, is dat niet iemand waaraan men zich onderwerpt, maar iemand die kwaliteiten heeft op basis waarvan diens hogere positie wordt erkend. Ieder gezag wordt geschraagd door geloof.”

Tekst: Kurt Kooiman Beeld: ANP Foto (header)

In de steeds complexer wordende en geglobaliseerde wereld van de 21ste eeuw schieten de autocraten en (semi)dictators als paddenstoelen uit de grond. Het rijtje is bekend: Turkije, Filipijnen, Hongarije, Verenigde Staten, Brazilië. De behoefte aan een sterke man die orde op zaken stelt, lijkt groot. Toch ligt hier veelal een gevaarlijke misvatting aan ten grondslag. Autoriteit wordt verward met macht, vertrouwen met zekerheid. Een essay van Hannah Arendt en de resultaten van een persoonlijkheidstest maakten me daar recentelijk op attent.

Persoonlijkheidstest

Normaal gesproken ben ik te sceptisch om oprecht een vragenlijst in te vullen over mijn karakter. Zoals ik tijdens mijn opleiding filosofie meen te hebben geleerd, is elke categorisering van de mens problematisch: het kan alleen maar tot tirannieke toestanden leiden als een ander gaat vertellen hoe je precies in elkaar steekt. Nog even, en je gaat je ook werkelijk identificeren met de algemene, dus elke bijzonderheid vermorzelende typering die uit zo’n test rolt. Toch verloor de twijfelzucht het onlangs van de nieuwsgierigheid: ik liet me verleiden tot een onderzoekje naar de eigen persoonlijkheid. Het betrof de zogeheten 16 personalities test, losjes gebaseerd op het werk van Carl Gustav Jung, de Zwitserse psychiater en grondlegger van de analytische psychologie. Het resultaat? Ik ben het persoonlijkheidstype ‘leider’ of ‘leidinggevende’. U begrijpt: de vraag naar goed leiderschap is voor mij niet een theoretisch vraagstuk, maar een existentiële aangelegenheid (zoals misschien wel iedere goede vraag).

Het resultaat verbaasde me. Hoewel mijn CV enigszins die kant op wijst – bestuursvoorzitter van een studentengenootschap, eindredactie kunstwebsite, junior docent aan de universiteit – acht ik mezelf te rustig om geassocieerd te worden met leiderschap. Ik ben niet iemand die een invloedrijke positie ambieert. In een groep ben ik zeker niet de meest overheersende. En in het middelpunt van de aandacht wens ik alleen te staan als ik mezelf tot in de puntjes hebt voorbereid. Dat kortom hét kenmerk van mijn persoonlijkheid uit leidinggevende kwaliteiten zou bestaan, ging er bij mij dus niet zo in. Tenminste, aanvankelijk.

De vraag die aan de bovenstaande bespiegelingen en in feite aan iedere zinvolle discussie over leiderschap voorafgaat, luidt natuurlijk: wat verstaan we daar precies onder? En belangrijker nog: wat verstaan we eronder als het goed in praktijk wordt gebracht? Blijkbaar had ik een duidelijk beeld van wat leiderschap inhoudt. Ik dacht aan: dominantie, anderen vertellen wat te doen, honger naar macht. Maar bij nader inzien is deze opvatting verre van onproblematisch. Zoals in het publieke denken en spreken wel vaker gebeurt, verwarde ik autoriteit met macht, en in het verlengde daarvan vertrouwen met zekerheid. Leiderschap vraagt er juist bij uitstek om dat deze zaken helder onderscheiden zijn. Dat geldt zowel op individueel als op politiek niveau; een goede leider heeft niet enkel macht en zekerheid, maar vooral autoriteit en vertrouwen.

Vrijwillige onderwerping

In de in 1954 verschenen tekst What is authority? schetst filosoof Hannah Arendt (1906-1975) op heldere en toegankelijke wijze het verschil tussen macht en autoriteit (of gezag). Machtsuitoefening, zo stelt zij, heeft een tweevoudige structuur: iemand die macht uitoefent, en iemand die deze machtsuitoefening ondergaat. De laatste wordt dwangmatig ondergeschikt gemaakt aan de eerste. Autoriteit daarentegen heeft een drievoudige structuur: iemand met gezag, een ander die dit gezag accepteert én een kwaliteit die het gezag van de eerste persoon rechtvaardigt. Deze derde component, de rechtvaardiging, maakt dat er in tegenstelling tot wat bij machtsuitoefening het geval is, bij autoriteit sprake is van een vrijwillige onderwerping. De autoriteit van een ander aanvaarden betekent: jezelf uit eigen beweging ondergeschikt maken aan die ander op basis van een gedeelde grond. Er is dus geen sprake van dwang. Hoewel Arendt ziet dat macht en autoriteit elkaar niet uitsluiten en zelfs vaak samen gaan, is het vrijwillige karakter van de onderwerping dat wat de autoritaire verhouding onderscheidt van de zuivere machtsrelatie.

Daarnaast heeft autoriteit niets te maken met het overtuigen met argumenten. Waar een woordenwisseling nodig is om een ander tot een standpunt of een handeling te brengen, heeft de autoriteit gefaald. Dit heeft te maken met de hiërarchische structuur van een autoritaire orde. Gezag gaat altijd samen met ongelijkheid. Een overtuiging veronderstelt een horizontale verhouding, waarbij de gespreksgenoten op hetzelfde niveau met elkaar communiceren. Datzelfde geldt overigens ook voor een machtsrelatie. Arendt wijst er fijntjes op dat een tirannieke samenlevingsvorm, waarin één persoon alle macht in handen heeft, bij uitstek egalitair is. Eén heerser regeert over allen, en alle onderdrukten zijn volkomen gelijk aan elkaar. Een relatie op basis van autoriteit gaat daarentegen uit van onderlinge ongelijkheid, van hiërarchie. We kunnen het ons voorstellen als een piramide waarin de macht in de top zetelt, maar waarin de bron van die macht, de grond die de hele structuur en de ongelijkheid rechtvaardigt, buiten de piramide zelf ligt.

Mystieke basis

Goed leiderschap, zo zou ik willen beargumenteren, bestaat hoofdzakelijk uit autoriteit. Als we het hebben over een leider met gezag, is dat niet iemand waaraan men zich onderwerpt omdat hij onderdrukt of anderen verbaal overtuigt, maar iemand die kwaliteiten heeft op basis waarvan zijn of haar hogere positie wordt erkend. Daarmee is leidinggeven in zekere zin een spirituele zaak: het hangt ten diepste samen met geloof, in de zin van vertrouwen stellen in iemands kwaliteiten. Dat is geen nieuw inzicht: Blaise Pascal stelde reeds in 1669, in zijn Pensées, dat gezag een mystieke basis heeft waarin geloofd moet worden om enige zin te hebben. Autoriteit kan enkel bestaan door een ‘ongrijpbaar’ gedeeld vertrouwen in een grond waar een zekere achting naar uitgaat. Ieder gezag wordt geschraagd door geloof. Een leider zou, in welke context dan ook, achting moeten afdwingen. Niet door naar machtsmiddelen te grijpen, maar door het vertrouwen te winnen op basis van kunde of kwaliteit.

De stelling van Arendt is dat autoriteit in de hedendaagse samenleving zo goed als verdwenen is. Wij zouden ons nauwelijks meer kunnen voorstellen op basis waarvan wij ons vrijwillig zouden onderwerpen aan een ander. In een bepaald opzicht is deze ontwikkeling toe te juichen. Het lijkt een goede zaak dat men zich niet meer vanzelfsprekend onderwerpt aan vader, leraar en dominee. De seksuele misstanden in de rooms-katholieke kerk waren waarschijnlijk nooit boven tafel gekomen als alle priesters en bisschoppen konden rekenen op een onbetwistbare autoriteit. Maar deze ontwikkeling heeft ook een keerzijde. Het morrelen aan gezag gaat namelijk gelijk op met een geloofscrisis: dat is de grond waarop ontmaskering groeit. Zou het feit dat leiderschap nu zo’n hot topic is niet ten diepste samenhangen met het onvermogen überhaupt nog ergens in te geloven?

Sterke mannen

Onze tijd wordt gekenmerkt door grote onzekerheid. Het veranderende klimaat, grote groepen vluchtelingen en een groeiende kloof tussen arm en rijk: voor velen staat het gevoel van geborgenheid in de wereld onder druk. Misschien wel begrijpelijk dus dat overal ter wereld sterke mannen met tirannieke trekjes de macht naar zich toe trekken. Toch, als we met Arendt goed leiderschap begrijpen in termen van autoriteit, dan moeten we tot een andere conclusie komen. Het tegengif voor onzekerheid is niet macht en zekerheid, maar autoriteit en vertrouwen. De populistische kiezer die hoopt dat een sterke man met harde hand de boel weer in het gareel krijgt, schiet zich in eigen voet: door de behoefte aan zekerheid draagt hij bij aan een wereld waarin relaties voornamelijk op macht zijn gebaseerd. Wensen we een wereld waarin niet louter het recht van de sterkste zegeviert, dan hebben we een leider nodig voor wie we een sprong willen wagen door er gezamenlijk in te geloven. Dat is verre van eenvoudig. Maar de vraag in wie we een dergelijk vertrouwen zouden durven stellen, lijkt mij voor ons allemaal van existentiële betekenis.

Met de beschouwing van Arendt in het achterhoofd heb ik me verzoend met de resultaten van mijn persoonlijkheidstest. Jung had het misschien toch wel goed gezien: ik ben graag iemand die het vertrouwen van anderen zoekt en op basis van een kunde of kwaliteit het woord voert. Alhoewel, wie een beetje studie heeft gemaakt van de psychoanalyse, weet ook dat het bewuste beeld dat je van jezelf hebt, niet per se overeenkomt met wie je in werkelijkheid precies bent. Wellicht is het veeleer een gevalletje van de wens die de vader van de gedachte is. Zo’n persoonlijkheidstest blijft een hachelijke onderneming. Maar hoe het ook zij, deze test heeft mij in ieder geval het inzicht opgeleverd dat aan goed leiderschap geen rotsvaste zekerheid, maar een gedeeld vertrouwen ten grondslag ligt. ●

. . .

Paspoort

Kurt Kooiman (29) werkt en studeert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij studeert af aan de opleiding Filosofie van Cultuur en Bestuur op het onderwerp ‘subjectiviteit’, aan de hand van het denken van Hegel, Kierkegaard en Taylor.. Eerder voltooide hij de masteropleiding journalistiek. Daarnaast is hij junior docent aan de School of Business and Economics en student-assistent bij Centrum Èthos, een centrum voor onderwijs, onderzoek en debat over maatschappelijke transformaties. Hij schrijft journalistieke stukken met een filosofische inslag, onder andere voor de website leesspengler.nl.

Kooiman: “De Volzin-schrijfwedstrijd leek me op mijn lijf geschreven! Over de vraag naar goed leiderschap heb ik recentelijk college gegeven én ik heb recentelijk een uitgebreide persoonlijkheidstest gedaan waarin naar voren kwam dat ik een type ‘leider’ zou zijn. Hoezo, leider?! Wat bedoelen we daar precies mee? De schrijfwedstrijd bood mij de gelegenheid om deze zoektocht van enige systematiek te voorzien, én te combineren met enkele filosofische teksten die mij aan het denken hebben gezet.”

De jury van de Volzin-schrijfwedstrijd heeft aan Kurt Kooiman de derde prijs toegekend.