In een ander licht

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Sara kan zich niet uiten: niet praten, niet zingen, niet neurieën. Geestelijk verzorgster Elske Cazemier weet zelfs niet hoe haar stem klinkt. Maar de muziek tijdens de paasviering plaatst Sara’s bestaan in een ander licht. Het licht dat ook te zien is op Isenheimer altaar, meesterwerk van Matthias Grünewald. Elske Cazemier ontving voor dit essay de tweede prijs in de Volzin-schrijfwedstrijd 2018. Tekst: Elske Cazemier

Matthias Grünewald: Isenheimer Altaar.

Ze heeft het weer gedaan. Wat ziet ze er uit! Grote rode schrammen lopen over haar gezicht. Het blonde haar dat normaal als een krans om haar hoofd golft staat nu alle kanten op. Haar hoofd hangt op haar borst en raakt bijna het tafelblad van de rolstoel. De afdruk van haar tanden staat diep in haar handen en armen. Ze zitten vol rode bobbelige littekens.
Er moet iets zijn wat Sara spanning geeft. Maar wat? Ze kan ons niet uitleggen wat er met haar aan de hand is. Ze kan zich niet uiten: niet praten, niet zingen, niet neuriën. Ik weet niet eens of ze zou kunnen huilen of schreeuwen. Ik heb het nooit gehoord. Ik heb geen idee hoe haar stem klinkt. Daar komt bij dat ze slecht ziet en niet kan lopen. Al zou ze willen, ze kan niet weg van waar ze is. Dit wat ze nu doet – zichzelf krabben en bijten – is een van de weinige dingen die ze wel kan. Ik kan het bijna niet aanzien, zo futloos als ze in elkaar gedoken zit. Kon ik maar iets voor haar doen.
Ook Sara’s begeleiders staan met lege handen. En dat is frustrerend. Zo willen ze het niet. Ze willen juist dat ze zich veilig voelt en zich kan ontspannen. Ze zoeken uit alle macht naar wat haar goed zou kunnen doen. Machteloos toezien terwijl zij pijn lijdt kunnen ze niet.
Ik ken de jonge vrouw al zo lang als ik op deze locatie kom als geestelijk verzorger. Het zal een jaar of twaalf zijn. Ik kan haar niet vragen hoe het met haar is. Maar ik ontmoet haar in de sfeerbijeenkomsten op haar groep. Zo kan ik haar een beetje volgen. En dan maak ik soms een dieptepunt mee, zoals vandaag.
“Goede morgen, Sara, wil je me een hand geven?”
En ja, ze steekt me haar hand toe. Ik schrik van de aanblik ervan, maar pak hem in de mijne.
Ze staat toe dat ik haar aanraak. Er is verbinding.
“Dank je, Sara.” Even kan ik haar bruine ogen zien, maar meteen zakt haar hoofd weer naar beneden.

Dikke splinters

Sara’s rode plekken roepen een beeld bij mij op. Ik herinner me een grote, bleke Jezus aan het kruis, met een lichaam vol wonden. Het is een schilderij dat ik als kind zag, het Isenheimer altaar. Ik was geschokt. Daarom weet ik het nog zo goed, denk ik. Nu ik het schilderij weer bekijk, zie ik dat er ook doorns of dikke splinters in het lijf van Jezus zitten. Zijn hoofd is op zijn borst gezakt. Zijn gezicht drukt de ontzetting uit om wat hij doormaakt: de open mond, de diepe frons in zijn voorhoofd, de dichte ogen, zijn hele uitdrukking is een ongeuite roep om hulp, net als bij Sara.
De geliefden van Jezus staan machteloos om hem heen. Al sterft hij onschuldig voor hun ogen, ze kunnen niets voor hem doen. Maar ze blijven wel bij hem. Maria Magdalena zit op haar knieën. Ze steekt haar biddende handen omhoog. Het lijkt wel alsof ze licht geven. Achter haar staat de moeder van Jezus. Ze ziet spierwit. Handenwringend zakt ze achterover, terwijl leerling Johannes haar vasthoudt.
Naar deze afbeelding van Matthias Grünewald keken de zieken, die waren opgenomen in het antonietenklooster in Isenheim, zo’n vijfhonderd jaar geleden. Hun huid was aangetast door een afschuwelijke ziekte, die wonden veroorzaakte en een brandend gevoel in hun armen en benen. Ze werden met bed en al naar de kapel gereden. En daar lagen ze, oog in oog met het naakte leed.

Zo gemeen

Op bijzondere dagen wordt de grote zaal op mijn werk ook een soort kapel, waar de bewoners naar toe gebracht worden. Kort na mijn ontmoeting met Sara komen we bij elkaar voor Goede Vrijdag. We vertellen elkaar hoe Jezus wordt verraden, gevangen genomen, geslagen, bespuugd, uitgelachen, in de steek gelaten en gekruisigd. En we zien het ook allemaal gebeuren. We kijken naar afbeeldingen uit de kijkbijbel. Sommige bewoners blijven bewust weg, Bart bij voorbeeld. Hij kan de wreedheid niet aanzien en moet al huilen als hij er aan denkt: “Ik kan er niet tegen. Het is zo gemeen wat ze met Jezus doen. Ik word verdrietig als hij dood gaat.” Hij is aangedaan, maar ook verontwaardigd. “Waarom moet hij aan het kruis?” vraagt hij elk jaar opnieuw. Steeds weer denkt hij dat ik een antwoord op heb op zijn vraag. Maar dat is niet zo, ik weet het ook niet. Het is al moeilijk genoeg om het uit te houden met de vraag. We leven mee, hoe pijnlijk dat ook is. Op het moment dat Jezus sterft, is het doodstil in de zaal, alsof iedereen zijn adem inhoudt. Daarna komen we in beweging. We leggen bloemen bij het kruis, we branden kaarsjes en we noemen namen. Ik noem Sara’s naam en Barts naam. “Heer, ontferm U”, zingen we.

Open handen

Weer kijk ik naar de afbeelding van de gekruisigde Jezus op het schilderij van Grünewald. Mijn blik valt op zijn handen. Ze zijn heel groot en ze zijn vastgenageld aan de balk van het kruis. En terwijl de omstanders hun handen in elkaar klemmen, zijn die van Jezus open, opengesperd zou ik haast zeggen, alsof het om ogen gaat. Hoe is het mogelijk? De enorme handen zitten vast, maar de vingers zijn uitgestrekt naar de hemel. Het lijkt alsof ze zich inspannen, alsof ze hun uiterste best doen om ondanks alles te blijven ontvangen.
Johannes de Doper staat links van het kruis. Terwijl de mensen aan de andere kant duidelijk geschokt zijn door wat ze meemaken staat de Doper er volkomen rustig en ontspannen bij. Naast hem staan een paar woorden: “Hij moet groter worden en ik kleiner.” Hij richt een lange uitgestrekte wijsvinger op Jezus. De vinger is zo lang dat je de indruk krijgt dat hij door Jezus heen wijst, voorbij het kruis. Ik heb het gevoel dat hij me verder wil wijzen, alsof hij wil zeggen: “Het hangt niet van mij af, maar ook niet van jou. Geef je over aan wat er is, strek je handen maar uit.”

Gevuld met licht

Tijdens de feestdagen gingen de deuren van het altaarstuk in Isenheim open. Achter het schilderij van de kruisiging kwam een heel ander paneel met lichtere kleuren tevoorschijn. Links neemt een verlegen Maria de aankondiging van de geboorte van Jezus in ontvangst. In het midden heeft ze het kind al in haar armen, omringd door engelen en goddelijk licht. En helemaal rechts ontstijgt Jezus zijn doodskist in een wapperend rood gewaad. Zijn gezicht is een en al licht. Het lijkt alsof hij gewichtloos naar de hemel zweeft. Het witte doodskleed glijdt van hem af. Hij is zijn verwondingen en zijn doorns kwijt, alsof hij gedoucht heeft of door het water heen is gegaan. Het is alsof de zee uiteen is geweken en ruimte voor hem heeft gemaakt, zodat hij kan wegtrekken uit wat hem is aangedaan.
Jezus stijgt op. Hij laat de grafstenen, de soldaten en de duisternis achter zich. Als kijkers naar wat er gebeurt, staan we tegenover hem. En dan zie ik het pas: hij zegent ons. In een wijds gebaar strekt hij zijn armen naar ons uit. Zijn handen heft hij op. De tekenen van zijn gewelddadige dood zijn nog te zien. Maar deze handen zijn niet meer leeg en uitgerekt. Ze zitten niet meer vast, maar zijn vrij en ontspannen en gevuld met licht.

Violen en cello

Net als de zieken in Isenheim vieren wij een paar dagen na Goede Vrijdag Pasen. Ook Sara’s groep komt naar de viering in de grote zaal. De jonge vrouw zit in haar rolstoel op de eerste rij, haar gezicht nog steeds vol korsten en schrammen. Naast haar en achter haar zitten andere mensen, veel andere mensen. Ik hoop maar dat ze geen last zal krijgen van hun rumoer.
Zodra de muziek begint tilt Sara haar hoofd omhoog. Het is alsof ze haar gezicht naar de zon keert. Eerst luistert ze aandachtig, dan beginnen haar ogen te stralen. Dit lied kent ze van de kleine bijeenkomsten op haar groep. Haar hoofd begint heen en weer te wiegen en te dansen op het ritme van de muziek. Haar gezicht licht op door de glimlach op haar lippen. Ze laat zich raken door de klank van de violen en de cello. Ze wordt er zachter van. Het heeft iets heel natuurlijks, er breekt iets open, een beweging van binnen uit. Ik kan mijn blik bijna niet van haar afhouden. Sara houdt er niet zo van als we haar aanraken. Maar de muziek mag haar vasthouden en optillen in alle vrijheid.
Ook de begeleidster zit maar naar Sara te kijken. Ondertussen begint ook zij mee te bewegen op de muziek. Onze blikken kruisen elkaar en ik zie haar beide duimen omhoog gaan. Een grote lach breekt door in haar gezicht. Ook mijn duimen gaan de lucht in. Voor ik het weet sta ik te dansen. Deze muziek is als een moeder die ons allemaal op schoot neemt en niet ophoudt ons te wiegen. Het is alsof ze de pijnlijke plekken met zachte hand masseert, zowel die van Sara als die van ons. Zij slaat haar armen om ons heen.

Paspoort

Elske Cazemier (58) werkt sinds 2001 werk ik als geestelijk verzorger bij Amsta Karaad,een organisatie voor mensen met een verstandelijke beperking in Amsterdam. Ze doet er “kostbare ervaringen” op. Daarover schreef ze het boek De ziel ontdekken in contact met mensen met een verstandelijke beperking ( Narratio 2014).
Haar motivatie om mee te doen aan de Volzin-schrijfwedstrijd? “Deze schrijfwedstrijd was voor mij een nieuwe uitnodiging om stil te staan bij dit contact, maar ook bij de grenzen daarvan en hoe dan verder.”
Het Isenheimer altaar van Matthias Grünewald is te zien in het museum Unterlinden in Colmar, Frankrijk.