'Ik word opgenomen in het overal en altijd'

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
“Ik ben een zoekende en zwervende binnen geloofsland. Heel lang heb ik me verzet tegen het geloof van mijn jongere jaren. Maar ik ben altijd met de waarom-vraag bezig gebleven, ik was nooit tevreden met wat ik zag, ik wilde daaraan voorbij." Aart Geervliet (60) is casemanager in een gevangenis. Na een protestantse jeugd en daarna een lange niet-religieuze periode heeft hij zich een aantal jaren geleden rooms-katholiek laten dopen. Vervolgens is hij lid geworden van de Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland.

Tekst: Jurgen Tiekstra

Aart Geervliet (60) is casemanager in een gevangenis. Na een protestantse jeugd en daarna een lange niet-religieuze periode heeft hij zich een aantal jaren geleden rooms-katholiek laten dopen. Vervolgens is hij lid geworden van de Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland.

Geervliet: “Ik ben een zoekende en zwervende binnen geloofsland. Heel lang heb ik me verzet tegen het geloof van mijn jongere jaren. Maar ik ben altijd met de waarom-vraag bezig gebleven, ik was nooit tevreden met wat ik zag, ik wilde daaraan voorbij. In 2004 ben ik voor het eerst een dominicaans klooster binnen gegaan, in Huissen, en al op de eerste dag voelde ik me opgenomen in een atmosfeer waarin ik mocht zijn wie ik ten diepste ben. Ik was tot dan toe politiek sterk actief aan de ultralinkse kant en had altijd gedacht: geloof verdraagt zich daar niet mee. Maar dat was niet zo. Dat besefte ik na me te hebben verdiept in de persoon van de dichteres Henriëtte Roland Holst. Zij was al vroeg religieus, maar daarnaast een orthodox communiste. In feite viste zij als religieus en als communist in dezelfde vijver: het gaat steeds om de mens, en zijn ‘verheffing’.”

Je laten aanraken

“In Huissen werd ik sterk geïnspireerd door een ‘theopoëtische’ atmosfeer. Het dominicaans klooster van Huissen heeft zijn eigen liturgische vormen, die naar mijn idee meer aanrakend en troostend zijn door de nadruk op stilte en ruimte, en meer gericht op de poëzie en op zachtheid. Ik werd daar uitgenodigd tot: word eerst maar eens stil, laat je eens aanraken door wat je ervaart, hoort en leest in plaats van direct in discussie te gaan. Na tien jaar daar inspiratie te hebben opgedaan, heb ik me katholiek laten dopen. Vervolgens ontmoette ik in Rotterdam de dominicaanse pater Leo de Jong. Hij was actief als mystagoog en spiritueel leidsman van het Leerhuis. Tijdens een bijeenkomst, enkele jaren geleden, hoorde ik hem mijn hele bestaan terugbrengen tot twee woorden: ‘Ik ben…’ Dat was voor mij de bevestiging van wat al diep in mij sluimerde: het is wat het is.
Misschien is dat wat ik zoek: voorbij raken aan wat wij zien, reiken naar de lege ruimte die schuilt achter de wereld die wij hebben gebouwd om vat te krijgen op ons bestaan. Als het gaat om het begrip ‘hemel’, heb ik als kind allerlei associaties meegekregen: oma gaat naar ‘de hemel’ als ze dood gaat, de ‘hemel’ is een plek die we zien als we naar boven kijken. Volgens mij is ‘hemel’ slechts een naamgeving voor iets wat zich niet laat vangen in ons begrip. Het is een naam voor een deel van ‘het mysterie’, wat we willen benoemen om het beter te kunnen duiden.
Als iemand zegt: mijn dierbare is naar ‘de hemel’ gegaan, dan begrijp ik enigszins wat hij bedoelt. Maar je kunt ook zeggen: hij of zij is uit de tijd gegaan. Of: hij is opgenomen in het overal en altijd. We proberen woorden te geven aan ervaringen, maar die woorden raken nooit de essentie. Ze schieten te kort. In poëzie kun je iets verder tot die essentie komen. Als een poëet de hemel beschrijft, dan weten we doorgaans wat in het menselijk verlangen bedoeld wordt. En laten we het in Godsnaam benoemen. Niets mis mee, want we kunnen niet anders; we zijn beperkt, eindig.”

Lege ruimte

“Wat mij nu beangstigt, is dat ik fysiek afscheid zou moeten nemen van veel dierbaren. Ik wil die mensen nog zoveel zeggen, al weet ik dat woorden ontoereikend zijn. Dood-zijn op zich baart me geen zorgen. Zoals ik het zelf zeg: dan maak ik deel uit van het overal en altijd. Wat mij wel fascineert is waar ‘ik’ naar toe ga, dat wat mij ‘mij’ maakt. Mijn lichaam eindigt als stoffelijk deel, maar wat mij ‘mij’ maakt, vervliegt ergens. Is dat wat in het overal en altijd wordt opgenomen? Blijft het achter in de ziel en harten van dierbaren?
Wat hierna komt, onttrekt zich aan de wereld waarin ik leef. Ik zou graag voorbij de dingen willen kijken, voorbij alle constructen en woorden en geschriften, en dan God willen zien; het mysterie dat wordt aangeduid met het woord ‘God’. Leo de Jong zei dan altijd: maar dat kan niet. Want als je God ziet, ben je dood. Ik begreep later pas: dan ben je opgenomen in die lege ruimte, en wij kunnen die werkelijkheid niet zien, niet kennen. Daarom hebben wij de wereld gebouwd waarin we dagelijks verkeren. Wij zijn deel van die lege ruimte, die ‘hemel’, maar we kunnen dat niet begrijpen.” ●

 

Lees nog meer ervaringen in de Volzin. Nog geen abonnee? Klik dan hier.