‘Ik grijp niet meer, ik laat God doen’

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
De levensreis van Gert Bremer is vol muziek en spiritualiteit. De weg van misdienaar, met talent voor zang, naar zenleraar loopt via de KRO, de Dominicusgemeente en de trappistenabdij in Zundert. “Ik nam afscheid van God als zeker weten. In het niet-weten moet ik het zien uit te houden.”

Tekst: Kees Posthumus Beeld: Annemiek van der Kuil

In de jaren tachtig leidde kerkmusicus en dirigent Gert Bremer (1951) de samenzang tijdens de landelijke manifestaties van de Acht Mei Beweging, een katholieke vernieuwingsbeweging. De manifestaties werden door zo’n tienduizend mensen bezocht.

Bremer: “In die tijd dirigeerde ik vanuit Omroepparochie ’t Zand in Amersfoort het koor tijdens de eucharistievieringen op televisie. Omroeppastor Maria ter Steeg zag van dichtbij hoe ik daar het volkje enthousiasmeerde om de teksten van Huub Oosterhuis mee te zingen. Zij vroeg mij voor de Acht Mei-manifestaties.

Natuurlijk ging ik van tevoren een paar keer dood, dat veranderde nooit. Maar stond ik er eenmaal voor, dan was het heerlijk om te doen. Man, het waren mijn mooiste jaren. Als mijn partner Joost en ik op de snelweg een bus vol Acht Mei-gangers passeerden en mensen zagen mij, helde de bus bijna over van de zwaaiende mensen. Bij de herinnering daaraan voel ik nog steeds het enthousiasme en de bevlogenheid van vroeger.”

Bevrijd uit het slavenhuis
“Ik groeide op in Epe, in een kleine rooms-katholieke enclave op de Veluwe te midden van veel protestants geloof. Al in mijn lagereschooltijd vonden ze dat ik mooi kon zingen. Bij eerste communies en andere kerkelijke feestjes mocht ik voorzingen: ‘Als ik een klokje was, blij zou ik luiden’.

Helemaal alleen zingen gaf mij vleugels. Hierdoor begreep ik dat ik iemand was, niet slechts een onderdeel van een gezin, kerk, klas. Dat inzicht bepaalde de rest van mijn leven. Als misdienaar, achterstevoren op mijn stoel, keek ik naar de zangzolder waar het koor stond. Dat wilde ik ook. Er was voor mij ook niets anders weggelegd, concludeerden de beroepskeuzeadviseur en mijn ouders. Ik volgde een vooropleiding muziek. Na de havo in Apeldoorn ging ik naar het Instituut voor Katholieke Kerkmuziek in Utrecht. Daar studeerde ik in 1976 af als dirigent, organist en pianist.

Een van mijn docenten was de componist Bernard Huijbers. Hij liet mij zien hoe in de liturgie van de katholieke kerk de rol van de samengekomen gemeente praktisch nihil was geworden en hoe dat anders kon. Hij motiveerde mij om die scheefgroei te herstellen, mensen mee te laten doen.

Daar was geen materiaal voor, tot Oosterhuis en Huijbers nieuwe liederen gingen schrijven. Ik zag het als mijn taak om hun nieuwe repertoire bekend te maken. Via de televisie gaf ik deze nieuwe muziek een breed podium. Door in het Nederlands te zingen en bidden begreep ik beter wat ik zong. Oosterhuis maakte voor mij de stoere oudtestamentische taal minder hoekig, ronder. Hij gaf zicht op betekenissen achter de woorden.

Dit liep gelijk op met mijn persoonlijke ontwikkeling. Weg uit Epe, naar de grote stad. Sindsdien, tot op vandaag, gaat mijn persoonlijke ontwikkeling gelijk op met een veranderend denken over God. Ik ontdekte dat ik het vooral zélf ben, die mijn God maakt. Wat ik denk, vind, geloof van God komt allemaal van beneden. Ook de geloofstaal die Oosterhuis mij gaf.

Als jongere beluisterde ik muziek van Huijbers en Oosterhuis op grijsgedraaide elpees en hunkerde ik ernaar van die wereld deel uit te maken. Dat gebeurde ook, ik werd dirigent in Amersfoort en de Dominicusgemeente in Asterdam, het walhalla van de liturgische muziek. ‘Zomaar een dak’, ‘Lied aan het licht’, noem het en ik heb het gedirigeerd.

Bij het Omroeppastoraat en de Dominicus vermengden zich sociaal-maatschappelijke thema’s met liturgie. Ik keerde mij meer naar de wereld. Het evangelie kreeg politiek-maatschappelijke betekenis. Van de zachte, verholen majesteit uit het gregoriaans en Latijn, werd God nu degene die mensen bevrijdt uit het slavenhuis. Daar was ik aan toe.

Ik kreeg het lef om mijn eigen weg te gaan. Dat leidde ertoe dat ik na zoveel jaren eindelijk uit de kast kwam. Lang leefde ik in een spagaat tussen mijn homoseksualiteit en mijn geloof. Nu God de bevrijder was, wist ik dat Hij mij nooit zou afkeuren zoals ik ben.

In alle fasen van mijn leven is mijn geloof met mij meegegaan. Ik veranderde, mijn geloof veranderde, mijn beeld van God veranderde. God is verandering, niet voor altijd en eeuwig hetzelfde. Oosterhuis gaf aan dat geloof woorden.”

Niet langer de regie
“Begin deze eeuw was ik op de top van mijn loopbaan. Ik werkte bij de KRO als redacteur godsdienstige programma’s en bij Radio 4. Ik was gelukkig met mijn man, in een groot herenhuis, met een goed inkomen. Maar de panelen begonnen te verschuiven. Met het aanrukken van de orthodoxie werden liturgische vernieuwingen teruggedraaid. In 2003 eindigde mijn relatie. Mijn baan stond op de tocht. Mijn vertrouwde bestaan werd heen en weer geschud. 2006, ik was 55, werd een moeilijk en achteraf gezien goed jaar. Ik hield het niet meer vol om krampachtig alles bij het oude te houden. De werkelijkheid haalde mij in. Ik vroeg mijzelf af: zal ik ander werk, een andere man, een ander huis zoeken? Daaronder lag een diepere vraag: zal ik een herhaling zijn van mijzelf of ga ik iets totaal nieuws beginnen?

Misschien had ik al te geharnast mijn leven bepaald. Ik had het lang gered met ‘laat mij maar, ik doe het zelf wel’. Daardoor had ik, vooral op spiritueel vlak, heel veel van het leven nog niet aan mij laten schuren en schaven. Ik had mijn natje en mijn droogje, en dat was het dan ook. Het leek alleen maar buitenkant, ik miste mijn binnenkant. Ik wilde het geloof dat ik altijd had bezongen achternagaan. In mij groeide een verlangen om ergens te zijn waar ik niet langer de regie had, waar ik afhankelijk werd van wat er gebeurt.”

Op een dag viel het als een mes uit de lucht: jij moet naar de abdij van Zundert! Ik wist vanuit mijn opleiding hoe daar de psalmen werden gezongen, op teksten van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde, met een verstilling die ik miste bij Huijbers en Oosterhuis.

Nooit had ik roeping gevoeld, hooguit als een ondertoon. De abdij waarvoor ik koos, is een moderne, ruimdenkende abdij met ruimte om je eigen weg te gaan. Dat trok mij, ik ging niet naar Zundert om er behaaglijk religieus aan te komen. Na mijn besluit kreeg ik slapeloze nachten van pure opwinding. Huis verkopen, alles loslaten, op ontdekkingstocht gaan. Vol levenslust en energie was ik, dat duurde tot mijn vertrek uit de abdij in 2017.

Mijn leven lang had ik van binnen naar buiten gezongen. Het werd tijd om van buiten naar binnen te zingen. Mijn zelf uitzetten, geen ambitie, gedoe of succes.

Het leven in de abdij maakte mij hartstikke gelukkig. Ik was van de boot in het water gesprongen en ontdekte al zwemmend hoe heerlijk dat is. Op een onconventionele manier werd ik gelukkig en wijs, door te zien hoe je binnen alle beperkingen vrij kunt worden. En God? Ik heb de cd’s van Oosterhuis nooit meer gedraaid. Ze hoorden bij een ambitieuze wereld, die ik los kon laten. In de abdij leerde ik om er niet toe te hoeven doen. Om met aandacht elke dag te doen wat moet gedaan. “

Door zen gered

“Na zes, zeven jaar was de geloofstaal van de abdij mijn taal niet meer. Er was te weinig ruimte voor twijfel. De stelligheid en zekerheid ervan ging schuren met het steeds leger worden van mijn gelovige inzichten en aannames. Had ik Oosterhuis achter mij gelaten, er kwam niet direct iets nieuws voor in de plaats. De leegte die ontstond bleek exact de leegte waar ik moest zijn: mijn geschiedenis met God en geloof loslaten, zien wat er dan zou komen. Ik heb het grijpen naar God vooral gelaten.

Na zes jaar werd ik solemneel geprofest, dan besluit je in de orde te blijven. De dag daarvoor maakte ik met één druk op de knop mijn hele bezit over naar van alles en iedereen. Ik dacht dat ik doodging, maar juist door mijn gekoesterde onafhankelijkheid weg te doen, werd ik oneindig vrij.  Dat bracht een nieuwe dynamiek op gang. Vanaf nu was ik met hart en ziel monnik. Het dagelijks zingen van de psalmen bracht mij naar het verlangen om die teksten te vertalen naar mijzelf toe.

In mijn hertaling gebruik ik voor God zowel Jij als Gij. Jij, vanwege de God die met mij meegaat en waarmee ik in gesprek ben. Gij, omdat het mysterie rond God zo groot is dat ik ook huiver voel. God is Jij en Gij tegelijk.

In Zundert veranderde de samenstelling van de gemeenschap en daarmee het klimaat. Ik kan daar verder niet op in gaan. De ontwikkelingen deden mij geen goed. Ik leefde tegen mijn eigen stroom in. Hoe graag ik ook monnik was, ik moest weg. Begin 2017 hielp mijn ex-man mij verhuizen, een wonderlijke trouw. Ik zat in Leusden in een donker appartementje en dacht: laat het nu maar afgelopen zijn.  Na twaalf jaar goed en gelukkig leven was er geen enkele reden om in de wereld te willen zijn.

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.