‘Ik ben geen artiest om een ster te worden’

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Concertpianiste en zangeres, Iris Hond treedt met evenveel gemak op in het Concertgebouw als in ziekenhuizen, gevangenissen en vluchtelingencentra, voor mensen die het niet zo makkelijk hebben. Hun leven kent ze uit eigen ervaring als geen ander.

Tekst: Tom Engelshoven Beeld: Rahi Rezvani

Iris Hond (32) groeide weliswaar op in Harderwijk en Nunspeet (“dat is echt heel christelijk”), maar is “helemaal niet” gelovig. “Mijn ouders waren daar ook echt een beetje berucht. Het zijn hele artistieke, excentrieke mensen, die vroeger tegen alle muurtjes aan schopten en alles buiten de gebaande paden deden. Zij gingen om met mensen als tattookoning Henk Schiffmacher en schrijver Jan Cremer. In zo’n milieu ben ik opgegroeid, wars van godsdienst en alles wat daarmee te maken heeft. Maar ik ben natuurlijk heel jong, op mijn veertiende, het huis uit gegaan om in Den Haag te gaan studeren aan het conservatorium. Toen heb ik best wel veel meegemaakt (na misbruik door een gastouder in haar pleeggezin belandde Hond een aantal maanden tussen de daklozen op straat, TE). Daarna ging het niet zo goed met mij en ben ik met heel veel therapeuten gaan praten. Dat was erg intens. Maar ik kwam tot de conclusie: niemand gaat mij helpen. Zij kunnen het niet oplossen, dat moet ik zelf doen. Toen ben ik veel gaan mediteren. Ik stond echt op een kruispunt. Het kon helemaal de foute kant opgaan. Ik was destructief en kon heel slecht voor mezelf zorgen. Ik had nooit geleerd om met mezelf en anderen om te gaan. Iedereen die dicht bij mij kwam, ook vrienden, duwde ik weg. Ik was gewoon te bang. Ik had de mentaliteit van een straathond: grommen en bijten. Ik had veel liefde nodig, trok mensen naar me toe en vond dat vervolgens veel te eng.’

Was dat een reactie op het misbruik?
“Ja, en op het leven als dakloze dat daarna kwam. Ik was mijn waardigheid en gevoel van veiligheid helemaal kwijt.”

In je voorstelling Bewogen sprak je daar heel afgewogen over. Niet als iemand die gaat grommen en bijten.
“Ja, maar die reflex heb ik natuurlijk nog wel eens. Ik ben heel bang om controle te verliezen. Ik heb mezelf tools aangeleerd om goed te functioneren. Maar wat nou als ik de controle uit handen geef, dan wordt het heel eng. Ik weet niet wat er dan naar buiten komt. Agressie en woede houd ik weg. Ik kan ook niet tegen geweld in films. Want voor mij is dat echt.”

Als therapie niet helpt, wat dan wel?
“Als je het gewoon breed bekijkt, zitten we allemaal met aangeleerd gedrag. En er speelt altijd ego. Maar als je dat weghaalt, wat blijft er dan over? Dan zijn we allemaal één. Dan is er eigenlijk alleen maar liefde en alles wat daaruit voortkomt. Daarom vind ik dat je goed moet doen voor een ander. Dat lijkt misschien een beetje zalvend en ‘christelijk’, maar uit die hoek komt het bij mij niet voort. Een klein gebaar kan zoveel doen. Ik heb dat zelf ook meegemaakt. In mijn voorstelling vertel ik over een dakloze die mij geld gaf toen ik op straat terecht kwam. Dat soort momenten hebben mij totaal getransformeerd en gevormd. Ik denk daar altijd aan terug.”

Je treedt op in reguliere zalen en theaters, maar ook in gevangenissen, ziekenhuizen en vluchtelingencentra. Breng je er hetzelfde optreden?
“Nee, die optredens zijn heel anders. Maar voor mij maakt het niet uit of ik nou voor mensen speel die betalen of niet. Uiteindelijk doet muziek met iedereen hetzelfde. Mijn doel is altijd om in een concert verbinding te maken met de mensen. Je wilt mensen iets geven, echt iets met ze delen. Zonder het publiek bestaat muziek ook bijna niet. Want dan is die verbinding er niet. Ik heb wel eens gedacht dat die optredens in ziekenhuizen en voor de vluchtelingen belangrijker zijn, maar dat is helemaal niet waar. Iedereen worstelt met gevoelens van waardigheid. Een dakloze waarschijnlijk meer dan iemand die in het Concertgebouw komt. Maar de succesvolle zakenman in z’n Porsche heeft ook vaak problemen met z’n waardigheid. Iedereen heeft daar moeite mee. Zoals ik al zei, we zijn in veel opzichten allemaal hetzelfde.”

Het Concertgebouw bezit glamour, het ziekenhuis en de gevangenis niet.
“Maar misschien is de behoefte aan muziek daar juist nog groter. Ze hebben er niet de luxe om even lekker buiten te kunnen genieten. Er is weinig comfort, geen ontsnappingsmogelijkheden. Ze worden er continu geconfronteerd met hun bestaan. Wat heel erg  pijnlijk is. Dan is muziek zo’n welkome kracht. Afgelopen maand speelde ik een paar keer in het Concertgebouw. Daar draag ik hele hoge hakken en een gouden broek. Daar sta je met elan. En het lange applaus, dat is heel erg leuk, natuurlijk spreekt dat mij ook aan. Het is waanzinnig zoals je in het Concertgebouw ontvangen wordt. Alles klopt. Ze doen er alles voor dat jij optimaal kunt presteren. Dat is bij vluchtelingen of in een gevangenis niet zo. Dat kan ook niet. Daar ga ik ook gewoon in mijn dagelijkse kleding naar toe. Net als in een ziekenhuis, waar mensen aan het sterven zijn, zet je daar alles van jezelf overboord. Dus dat is wel heel anders.”

In een interview zei je: soms zit ik na afloop huilend in de auto terug naar huis.
“Na mijn voorstelling ga ik altijd de zaal of de foyer in. Omdat ik het contact met de mensen belangrijk vind. Dus dan hoor je ook wel veel. In een gevangenis blijf ik echt uren om nog na te praten met die mensen. Ik speelde vorige week in een psychiatrische instelling. Een mooi kerkachtig gebouwtje. Er zaten, denk ik, zo’n veertig mensen. Allemaal langdurig opgenomen. Ik moest me echt afsluiten tijdens het spelen, anders kom ik er niet doorheen zonder in tranen uit te barsten. Naderhand was ik twee dagen van slag, want er is zo veel verdriet. Als ik speel, sta ik helemaal open. Ik vertel mijn verhaal en krijg daar meteen reactie op. Voor de mensen die daar zitten is het zeer herkenbaar. Ik vertelde: ‘Ik ben misbruikt.’ Nou, toen liepen er al twee huilend weg. Te confronterend.
Ik merk dat ik mij thuis voel bij al die groepen, of het nou vluchtelingen zijn of in de gevangenis. Ik word ook zo omarmd. Ik word gewoon een van hen. Dat geeft een heel fijn gevoel. Wat ik eigenlijk zelden in het normale leven voel, voel ik dan juist wel. Het doet óók heel veel voor mij. Ik zie het als een onderdeel van wie ik ben. Iedereen heeft een roeping in het leven. Ik ben geen artiest om een ster te worden. Ik word daar niet blij van. Ik vind dat gewoon te leeg. Ja, we leven in een succescultuur, maar wat is succes? Voor mij is dat totaal iets anders dan voor veel van mijn collega’s. Ik geloof dat als jij iets voor een ander doet, dat die ander het op zijn of haar beurt voor weer iemand anders gaat doen. Laat iedereen dat nou eens proberen. Ik moet erbij zeggen, ik werk er heel hard aan om me goed te voelen. Ik sport ook veel bijvoorbeeld. Ik moet me goed voelen, om goed voor anderen te kunnen doen. Want het begint bij jezelf. Ook weer zo’n cliché, maar het is wel echt waar. En ik leid een heel veilig leven. Ik heb nu geen relatie bijvoorbeeld. In een relatie komen allemaal dingen naar boven, waarmee ik niet om weet te gaan. Ik ben ook superbang om verlaten te worden. Dus ik kan andere mensen wel heel spiritueel adviseren om goed te doen en goed te reageren, maar het zelf in de praktijk brengen is natuurlijk niet altijd makkelijk. We zijn allemaal emotionele wezens en ik leef naar buiten toe heel gecontroleerd. Dat zien mensen ook. Ze zeggen: ‘Je bent zo afgewogen.’ Nou, dat is ook gewoon echt zo. Het stoort me dat ik zo ben. Ik zou veel vrijer willen zijn.”

Wat let je?
“Angst denk ik.”

Voor een uitzending van het tv-programma Kruispunt bezocht je samen met je vader Auschwitz. Die angst heeft ook te maken met je Joodse achtergrond?
“Ik had als heel jong meisje al nachtmerries over de oorlog. Ik wist wel waar dat vandaan kwam. Toen ik een jaar of zes was, heb ik aan m’n vader gevraagd: ‘Wat is er met opa gebeurd, waar is hij dan? Hoe is hij overleden? En hoe was zijn familie?’ Er werd thuis niet echt over gesproken, maar toen hoorde ik natuurlijk wel over de oorlog.”

Misschien heb je verdriet van je ouders gevoeld.
“Je gaat voor je ouders zorgen. Voor mijn vader vooral. Dat is op den duur niet vol te houden. Dat probeer ik nu ook niet meer zo te doen. Samen met hem naar Auschwitz gaan heeft heel veel gedaan. Echt niet normaal. In de relatie tussen hem en mij. Voor hem ook. Hij is een totaal andere man geworden. Echt omgeslagen. Ik zou er sowieso heen gaan, dat wilde ik al heel lang. Ik wilde hem meevragen, maar ik durfde dat niet. Toen dacht ik: ‘Wat een onzin, ik ga hem nu bellen.’ Hij zei: ‘Ik heb er geen behoefte aan, maar ik doe het voor jou.’ En toen zei ik: ‘Pap, voor mij moet je niet doen, maar dit is wel je kans om iets aan te gaan.’ Het was veilig dat er een cameracrew bij was, je wordt opgevangen, alles wordt geregeld. Hij vond het doodeng. Hij had bijvoorbeeld een angst voor parkeergarages. Daar kon hij niet in. We liepen in die gaskamers en ineens dacht hij: ‘Dit is het…’ Ikzelf dacht vooraf: ‘Dit gaat voor mij heel zwaar worden, ik weet niet of ik het ga trekken.’ Want ik was er elke dag mee bezig, met die oorlog. Ik had er vijf keer per week nachtmerries over. Ik heb altijd een sterke connectie met mijn Joodse achtergrond gevoeld. Maar toen we daar waren, vond ik het niet zwaar. Toen ik, letterlijk dus, weer thuis kwam na Auschwitz, dacht ik vlak voor het slapen gaan: ‘Nee.’ Toen heb ik eerst alle foto’s van m’n opa weggehaald. Ik had een schilderij van hem gemaakt. Dat heb ik aan de kant gezet. ‘Dat gaat naar papa toe!’ Ik had mijn hele leven lang alles gedaan om opa levend te houden, zodat ik ‘m weer terug kon brengen bij mijn vader. En dat is nu gebeurd. Dat voelde ik. Nu kan ik het los laten. Vanaf dat moment heb ik die nachtmerries niet meer. En ben ik er ook niet meer zo mee bezig. Ik liep daar door Auschwitz en voelde: ‘Dit is niet van mij, dit hoort helemaal niet bij mij, ik sta hier eigenlijk heel ver van af’.”

Ben jij een eenzaam iemand? Of juist niet? Je hebt geen moeite om over jezelf te vertellen.
“Allebei. Ik deel veel, maar ben ook heel erg gehecht aan mijn eigen leventje, maar dat is ook zelfbescherming. Ik vind die eenzaamheid eigenlijk wel moeilijk. Maar ja, ik ben overgevoelig. Ik word gewoon moe van veel prikkels. Geven en delen kost veel energie. Ik heb daarna veel tijd nodig om weer bij mezelf te komen. Ik ben iemand die zich totaal verliest, in mensen en dingen. Dan raak ik mezelf kwijt, dan gaat het verkeerd.”

Je bent de confrontatie aangegaan met het Joodse leed en op tv naar buiten getreden met je verhaal over het misbruik en je leven op straat. Heb je daarmee voor je gevoel nu iets afgesloten?
“Ik geloof niet zo heel erg in dat soort dingen plannen. Het is gewoon ontstaan, ik was bij Jeroen Pauw om te vertellen over de concerten die ik doe voor daklozen. En toen kwam dat gewoon naar boven. Ik kon het eigenlijk niet meer verzwijgen. Want: ‘Waarom was je dan dakloos?’ In een keer was ik het ook zat. Ik dacht: bam. Ik kwam die uitzending uit en zei tegen Jeroen: ‘Oh jee, wat heb ik gedaan?’ Ik durfde niet op mijn telefoon te kijken. Ik dacht: ‘Nu valt iedereen over me heen’.”

Waarom?
“Je schaamt je toch. Maar ik kreeg zoveel berichten van mensen die hetzelfde hebben meegemaakt. Die er steun uit haalden dat ik het had verteld. De dag erna was het alsof er een sluier van me was afgegleden. Ik had namelijk niks meer te verbergen. Daardoor kon ik het loslaten. Ik kon voor het eerst eerlijk zijn. Daar ben ik heel blij om. Nu wordt het in elk interview aangehaald, want door dat verhaal hebben heel veel mensen me leren kennen. Het heeft wel een beetje een stempel gedrukt. Maar dat is vooraf nooit de bedoeling geweest.”