Hilla en Bernd Becher: onbaatzuchtige fotografie

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Het fotografenechtpaar Hilla en Bernd Becher maakte naam met hun beelden van industriële objecten. De eerste indruk van hun foto’s is er een van kilheid, maar dankzij de zorgvuldigheid en onthechte zakelijkheid waarmee ze ons worden gepresenteerd, gaan de objecten spreken en krijgen ze als het ware vlees en bloed. Het werk van het echtpaar Becher vervult Eric Corsius met melancholie. “Dit oeuvre is een bron van troost voor mensen die moeten zien hoe hun verleden wordt uitgewist.”Tekst: Eric Corsius Beeld: Hilla en Bernd Becher

Kolenbunkers in het Roergebied.

In de jaren zeventig bepaalden de mijnsluitingen het levensbesef in Heerlen, de stad waarin ik ben opgegroeid. Ik was tien jaar toen de laatste kolen uit de grond werd gehaald en ik herinner me heel bewust, hoe werkloos geworden ‘koempels’ het straatbeeld gingen bepalen. Wat vooral indruk op mij maakte, was de radicale manier waarop de typische mijnarchitectuur – de hoge schoorstenen, de koeltorens en schachtbokken – uit het landschap werd verwijderd, om plaats te maken voor kantoortorens in verband met de vervangende werkgelegenheid. Dit ruimtelijke beleid had zijn redenen. Het einde van het mijntijdperk werd ervaren als pijnlijk en beschamend: voor de getroffen werknemers en hun families, maar ook voor de falende economische politiek. Het was dan ook niet voor niets dat alles wat herinnerde aan het bitterzoete verleden van de mijnbouw, zo snel mogelijk moest verdwijnen en plaats moest maken voor iets nieuws.

Ruim veertig jaar na dato betreuren velen deze strategie van de verschroeide aarde en kijkt men met enige jaloezie naar bijvoorbeeld het aangrenzende Roergebied. Daar is het typische kolen- en staallandschap grotendeels blijven bestaan en hebben de oude constructies vaak nieuwe, museale en recreatieve functies gekregen. De rigoureuze afbraak van industriële architectuur in Limburg staat daarmee in een pijnlijk contrast. Uiteraard hangt dit verschil ook samen met het feit, dat de economische structuurveranderingen bij de oosterburen in een ander tempo is verlopen. De laatste kolenmijn in het Roergebied sloot bijvoorbeeld pas in 2018. En juist in de laatste decennia is de waardering en zorg voor industrieel erfgoed gegroeid.

De architectonische grote schoonmaak in Limburg heeft zout in veel wonden gestrooid. Het uitwissen van tastbare herinneringen versterkte de krenking van trots en identiteit bij al die mensen, die ooit aan de mijnen hun brood en hun gevoel voor eigenwaarde hadden te danken. Het herinneringsverlies versterkte het gezichtsverlies – wrang genoeg juist óók het gezichtsverlies dat de beleidsmakers juist wilden verijdelen met de demontage van de mijnbouwarchitectuur. De herinneringscultuur was echter niet tegen te houden en zocht zijn weg in het vertellen van weemoedige of opstandige verhalen, muziek en geschiedschrijving. Inmiddels herrijst de Limburgse mijnstreek weer uit de as, maar de nostalgie blijft. Volgens sommigen wordt daarbij het verleden soms al te sterk geromantiseerd. Er is in de donkere en stoffige gangenstelsels immers ook heel wat geleden door de koempels.

Ogenschijnlijk neutraal

Misschien maakt de frustratie over een gebrek aan tastbare herinneringscultuur mij extra gevoelig maakt voor kunst die geheugenverlies tegengaat. Een glansrijk voorbeeld van dit laatste is voor mij het oeuvre van het Duitse kunstenaarsechtpaar Hilla (1934-2015) en Bernd Becher (1931-2007). Deze artistieke fotografen hebben het tot hun levenswerk gemaakt, om het herinneringsverlies tegen te gaan, waarmee economische omwentelingen altijd gepaard gaan. In musea van moderne kunst in heel Europa stuit de bezoeker op hun werk. Hiermee braken ze begin jaren zeventig door, om vervolgens aan het roer te staan van een heuse school of stroming, die tot op heden aan de weg timmert: de zogenaamde Düsseldorfer Fotoschool. De jongste generatie uit deze school exposeerde afgelopen jaar nog in Nederland.

Kenmerkend voor de Bechers zijn hun ‘groepsportretten’ van fabrieken, watertorens, schachtbokken (Fördertürme) en andere industriële objecten, die de Bechers wilden vastleggen voordat het voortrazende tandwiel van de tijd ze zou vernietigen. Ze fotografeerden diverse exemplaren van een ‘soort’ en vormden een doordachte selectie van de aldus gemaakte foto’s tot een geheel, dat kon worden tentoongesteld. Een ander geliefd procedé bestond erin, dat ze één object van diverse kanten fotografeerden en vervolgens de opnames tot een geheel samenvoegden. Bij beide werkwijzen was het resultaat een ‘thema met variaties’.
De foto’s van de Bechers hebben een bijzondere zeggingskracht, vooral als ze samengevoegd zijn in series, maar ook ieder voor zich. Ze zijn met veel zorgvuldigheid gemaakt. Daardoor komen de gefotografeerde bouwwerken in hun geheel volledig uit de verf. Bovendien is ieder detail van de vaak ingewikkelde constructies zichtbaar. Hilla en Bernd lieten de objecten zelf zo veel mogelijk zelf spreken en duiden zo weinig mogelijk. Met grote nadruk bleven ze op de achtergrond en ze kozen bewust voor een soort afzijdigheid. Deze ‘zakelijke’ houding onderscheidde hen van vorige generaties van schilders en fotografen, die de industrie en de industriële samenleving in beeld hadden gebracht. Die waren vaak geneigd om de moderne tijd, inclusief de industrie, te romantiseren of te verheerlijken als de doorbraak van een Gouden Tijdperk. Of ze zagen zichzelf juist als sociale profeten, die de schaduwzijden van de industrialisering onder de aandacht moesten brengen. De Bechers daarentegen wilden noch verheffen, noch aanklagen, doch ogenschijnlijk neutraal tonen wat ze zien.

Ze streefden daarom ook niet naar fraaie beeldcomposities en hanteerden bij het fotograferen bewust niet voor een uitgekiend perspectief, waardoor er een mooi lijnenspel of een fraaie vlakverdeling op de gevoelige plaat kan ontstaan. Ook van uitsneden of fraaie doorkijkjes zagen ze af. Ze plaatsten hun objecten juist centraal en in hun geheel – en daarmee ietwat statisch – in beeld. De context en omgeving lieten ze maximaal buiten beschouwing. Indrukwekkende wolkenluchten en mensen komen daarom niet voor op hun foto’s. Daardoor is de eerste indruk er altijd een van kilheid. Dankzij de zorgvuldigheid en onthechte zakelijkheid waarmee ze ons worden gepresenteerd, gaan de objecten echter spreken en krijgen ze als het ware vlees en bloed. De samenvoeging van foto’s tot series of beeldverhalen draagt daaraan zeker bij.

Eendagsvliegen

Onpersoonlijk is het werk van Hilla en Bernd Becher in elk geval niet. Het is – ondanks de schijn van het tegendeel – heel betrokken en gepassioneerd. Hun objectiviteit en zakelijkheid zijn vormen van liefdevolle toeleg. Deze heeft veel te maken met de factor tijd, die in hun oeuvre alomtegenwoordig is. Zoals gezegd voelden de Bechers zich geroepen om te voorkomen, dat de industriële architectuur in de vergetelheid zou raken. Ze zagen zich als ‘bewaarders’, geschiedschrijvers of archeologen. Ze wisten maar al te goed dat de constructies, waarop ze zich richtten, een beperkte levenscyclus hadden en dat de vormen van bedrijvigheid waartoe deze bouwwerken behoorden, zoals de mijnindustrie, op het punt stonden te verdwijnen. De constructies waren neergezet voor een bepaald doel en dus ook gedoemd te afgebroken, zodra ze waren uitgediend. De stoere kolossen van beton en staal leken weliswaar op burgerlijke, ‘calvinistische kathedralen’ – zoals de Bechers ze zelf typeerden – en waren als het ware gebouwd voor de eeuwigheid. Bij nader inzien en in het licht van die zelfde eeuwigheid waren ze echter zo vluchtig als eendagsvliegen.

Door hun nuts- en tijdgebondenheid – en door het feit ze hun geraamte en hun structuur zo onbeschaamd toonden – herinnerden de industriële objecten de Bechers aan de demonteerbare vakwerkhuizen uit de geboortestreek van Bernd. Deze brachten ze op zelfde manier in kaart. Heden en verleden, traditie en moderniteit lagen voor hen in elkaars verlengde. De vergankelijke utiliteitsbouw riep bij het echtpaar ook andere associaties op. Zo vergeleken de Bechers zichzelf met kinderen, die weemoedig toekijken hoe op maandagochtend de kermis wordt afgebroken. Dat was vooral het geval bij de metaalconstructies met bewegende onderdelen uit de kolen- en staalindustrie, die in de jaren zeventig het einde van hun bestaan tegemoet gingen. Ook vergeleken de Bechers hun objecten met levende wezens – niet ondanks, doch juist doordat ze zo vergankelijk en sterfelijk waren. Hilla en Bernd wilden het verhaal van deze wezens vastleggen en bewaren voor latere generaties.

Monnikenwerk

De factor tijd was ook van belang op het ambachtelijke niveau van het werk van de Bechers. Omdat ze zo liefdevol en zakelijk te werk gingen, moesten ze letterlijk alle tijd nemen voor het maken van hun foto’s. Om maximaal recht te doen aan details, kozen ze voor grootbeeldcamera’s en lange sluitertijden. Veel tijd ging ook ‘verloren’ door het lange zoeken naar geschikte objecten, door het wachten op het geschikte moment om te fotograferen – dat wil zeggen op gunstige weersomstandigheden – en niet zelden door het wachten op toestemming tot het fotograferen van bepaalde gebouwen, bijvoorbeeld als de eigenaars van fabrieken die nog in gebruik waren, argwaan koesterden. Het echtpaar Becher verrichtte monnikenwerk – en alleen dat al getuigt van diepe inspiratie.

De onthechte en volhardende toeleg geeft aan het werk van de Bechers nog steeds iets zeer authentieks. Hilla en Bernd Becher zijn weliswaar afwezig als ‘makers’ en dringen ons geen visie op de werkelijkheid op. Ze zijn echter wel degelijk nadrukkelijk in hun werk aanwezig als onbaatzuchtige dienaars van de werkelijkheid, die ze in haar wezen willen laten, die ze ‘laten zijn’ wat zij is en waarvoor ze een monument wilden oprichten. Hun zorg om de herinnering geeft aan het werk van Hilla en Bernd Becher iets melancholieks. Hun melancholie wordt echter nooit sentimenteel en dramatiseert niet. Ze heeft iets berustends en troostrijks. Dit hangt er wellicht ook mee samen, dat de Bechers de geestelijke kern van hun objecten tonen, het ‘type’ in de zin van Plato. Vooral in de seriewerken komt dit naar voren. Achter alle verschillen schuilt iets gemeenschappelijks: het schachtbok-zijn, het koeltoren-zijn, het vakwerkboerderij-zijn. Het is alsof de Bechers achter of in het vergankelijke zoeken naar datgene wat blijft – al is het maar in de collectieve herinnering.

“We willen verhalen vertellen en geschiedenis schrijven”, zo zeiden de Bechers over zichzelf. Deze rol als vertellers hebben ze met verve vervuld. Hun oeuvre is een bron van troost voor mensen die moeten zien hoe hun verleden wordt uitgewist, vooral als ze aan dat verleden hun gevoel van identiteit en eigenwaarde danken. Het is een belangrijk pleidooi voor een herinneringscultuur in een tijd, die vooral inzet op vernieuwing en verjonging. Herinneringen zijn immers voedsel voor de ziel. Dat onze ziel ook hoop en perspectief nodig heeft, staat als een paal boven water. Dat kunnen de foto’s van het echtpaar Becker niet bieden. De vraag is echter of dit überhaupt de rol van de kunst is. Hier moet ze bescheiden een stap terug doen en verwijzen naar de politiek, de religie en het samenleven van alledag. Utopische kunst is zelden inspirerend. De weemoedige kunst van Hilla en Bernd Becher is dat in elk geval wel.

Werk van Hilla en Bernd Becher hangt onder meer in het Van Abbemuseum in Eindhoven en in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een grote collectie is te zien in de SK Stiftung Kultur in Keulen (www.photographie-sk-kultur.de).