Het 'nieuwe normaal' moet voor iedereen goed zijn

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
“Dit heb ik allemaal voor je gekookt”, zegt mijn moeder terwijl ze de telefooncamera op haar eettafel richt. We zijn veertienhonderd kilometer van elkaar verwijderd. We kunnen elkaar dit jaar niet aanraken. Dit is de eerste keer dat ik tijdens de vastenmaand Ramadan niet in Bosnië kan zijn om van haar aandacht te genieten.

Tekst: Dino Suhonic

Dino Suhonic (c) Frank Ruiter

Ik doe mijn camera aan en laat zien wat ik voor haar heb gekookt. In Bosnië gaat de zon eerder onder dan in Nederland, dus zijn onze iftars ook op verschillende tijdstippen. Maar het lukt ons gelukkig om samen te eten. We spreken nauwelijks. Het voelt raar, deze digitale iftar, maar we doen alsof het zo hoort. Ook al zeggen we niet veel, onze ogen spreken boekdelen.

Sinds het begin van de coronacrisis zijn onze gesprekken anders. Ook voor de crisis hebben we te maken gehad met de afstand, maar door de verplichte afzondering en de gesloten grenzen is het gevoel nu intenser. Het begin van de coronacrisis doet mij en mijn moeder denken aan het begin van de oorlogstijd in Bosnië. Ramadan versterkt dat gevoel van heimwee en confronteert mij met het gemis van familie en vrienden.

Ik ben niet de enige die de iftars op deze manier beleeft. Mensen uit mijn omgeving zitten net als iedereen thuis opgesloten. We mogen elkaar niet zien en dat betekent dat we geen gezamenlijke iftars kunnen organiseren. Tegelijkertijd is er ook de rust. Rust van het hollen. Vrienden hebben meer tijd om te bellen en om te informeren hoe het met elkaar gaat. Toch is er dat gevoel van eenzaamheid.

We gebruiken sociale media om elkaar op te zoeken. In de WhatsApp-groepen delen we YouTube-filmpjes van lezingen en debatteren we met elkaar. We organiseren zelfs een digitale Zoom-iftar. Er is een online boekenclub en meditatiesessie. Op die online platforms ontstaat een wereld waarbij het mogelijk is om meer van onszelf te laten zien dan tijdens persoonlijke ontmoetingen. Het ziet er bijvoorbeeld anders uit: we dragen comfortabele kleren, zitten in onze woonkamers en vanaf de bank vertellen we elkaar over onze kwetsbaarheden.

Mensen zitten met onzekerheden, zijn bang om ziek te worden en om alleen te zijn. De dood van kennissen doet veel met onze gemoedstoestand. Mijn queer moslimvrienden vertellen dat corona hen confronteert met het gemis van hun familie. Sommige van mijn queer vrienden hebben goede relaties met hun familie, maar niet iedereen heeft dat geluk: de afwijzing door naasten slaat nu keihard toe.

Bovenop deze angst en pijn verliezen velen hun tijdelijke of vaste banen en is het onzeker of ze volgende maand hun huur wel kunnen betalen. Zonder een eigen huis zijn velen ook hun vrijheid kwijt. Sommige moslims uit mijn omgeving beseffen dat hun toch al beperkte netwerk door corona helemaal in elkaar kan storten.

Hun opleiding en bijbehorende verplichtingen vormen een welkome afleiding van hun problemen – en dat valt opeens weg. Hulpverleners zijn moeilijk te bereiken, huisartsen nemen de telefoon niet op. Ik krijg belletjes van mensen die paniekaanvallen krijgen over de dreigende, onzekere toekomst. Sommigen hebben een vitaal beroep en kunnen juist niet thuisblijven.

Anti-islamsentimenten

Covid-19 heeft onmiskenbaar niet alleen tot een gezondheidscrisis geleid, maar ook tot een sterkere maatschappelijke ontwrichting. De groeiende spanningen tijdens en na de lockdown blijven vooral in de media onderbelicht. Tijdens corona is de moslimhaat bijvoorbeeld niet minder geworden.

Sommige journalisten en opiniemakers beschuldigen moslims ervan dat zij in hordes naar de lokale markten gaan, waarbij ze zich gewetenloos niet aan de overheidsmaatregelen houden. Moskeeën worden bestempeld als bronnen van corona-infecties. Ook een belangrijke gebeurtenis als de Ramadan doet de anti-moslimsentimenten niet afnemen. Op sociale media zie ik diverse complottheorieën voorbijkomen die stellen dat de verspreiding van het virus tijdens de Ramadan aanzienlijk toeneemt.

Deze pandemie brengt de ironie van dergelijke anti-moslimsentimenten aan het licht. In Nederland is gezichtsbedekking verboden en gecriminaliseerd. Het publieke debat rond handen schudden als onderdeel van ‘onze nationale normen en waarden’ achtervolgt moslims al jaren. Des te ironischer is het dat in een mum van tijd de gezondheidsautoriteit alle burgers verplicht om in het openbaar vervoer gezichtsmaskers te dragen en geen handen meer te schudden. Niet de moslim, maar het RIVM heeft onze normen en waarden weten te ondermijnen, zouden cynici zeggen.

Ik betwijfel of het virus bevolkingsgroepen dichter bij elkaar brengt. Minderheidsgroepen zijn naar het Westen gemigreerd om een beter leven te leiden, vaak omdat ze uit een oorlogsgebied komen of simpelweg een stabiele bron van inkomsten wensen. Hun kinderen en kleinkinderen erven de pijn van ongelijkheid die de eerste migranten ervaren. Na mijn komst naar Nederland besefte ik bijvoorbeeld dat ik niet hetzelfde startpunt heb als mensen die hier geboren zijn. Vooral tijdens mijn eerste jaren was de taalbarrière moeilijk te overbruggen. Zo is de bureaucratie voor mij moeilijk te begrijpen. Mijn houding was echter: niet klagen, blijf vechten voor een beter leven. Tegelijkertijd internaliseer ik het gevoel dat ik geen beter leven kán hebben.

Mijn oorlogsverleden speelt daarbij een grote rol. Op het moment dat er bommen op je stad vallen, de internationale gemeenschap je in de steek laat en je elke dag door honger dood kan gaan, besef je dat je leven minder waard is dan die van anderen. In Nederland vind ik het moeilijk om van dit gevoel af te komen. Ik ‘accepteer’ dat mijn leven minder waard is dan die van mensen om me heen. Mijn komst naar Nederland valt samen met de ‘post-Verdonk’-periode, die zich kenmerkt door duidelijke anti-migratie sentimenten. De alledaagse anti-moslimhaat wakkert mijn minderwaardigheidsgevoel verder aan. Nu, vele jaren later, zie ik dit fenomeen nog steeds bij kinderen en kleinkinderen van de eerste generatie migranten. Het systematische onderscheid tussen moslims en ‘de anderen’ creëert bij hen het gevoel dat ze nergens bij horen. Dit gevoel van eenzaamheid is door de coronacrisis versterkt.

Verlangen naar het ‘oude normaal’

Als ik terugkijk op de meest intense periode tijdens de crisis zie ik gelukkig ook positieve ontwikkelingen. Nederland kan met name trots zijn op de vrijwilligerssector. Zo hebben diverse moslimgemeenschappen hulpacties, boodschappenservices en steun aan voedselbanken georganiseerd. Voor andere geloofsgemeenschappen geldt hetzelfde. Religie verbindt, dat is duidelijk. Vitale beroepen, het werk dat altijd door moet gaan en onmisbaar is, waarderen we dankzij de crisis meer.

Dino Suhonic

Ondanks deze positieve initiatieven legt de coronacrisis vooral systeemproblemen bloot. Voorlopig hoeven we niet te verlangen naar het ‘oude normaal’. Het is de vraag of dat oude normaal namelijk wel zo goed is voor onze samenleving. Zo blijkt uit statistieken over Westerse landen dat mensen die ook voor de virusuitbraak kwetsbaar waren nu wederom het meest zijn geraakt. Het zijn mensen van kleur, mensen met een laag en instabiel inkomen, mensen met een beperking en mensen zonder verblijfsdocumenten. Dat is geen toeval.

Professionals binnen vitale sectoren hebben met structurele onderbetaling te maken. Als onze steunbetuiging voor hen bij een applaus blijft veranderen we het systeem niet. Onze ‘helden’ verdienen meer steun en zij verdienen politici die een rem zetten op ongebreideld marktdenken. De economische crisis in 2008 leert ons dat forse bezuinigen tot maatschappelijke onvrede leiden. Met name een rijke minderheid en grote multinationals zijn destijds beter uit die crisis gekomen, terwijl gezondheidszorg, gemeenschapswerk en het maatschappelijk middenveld zwaar onder druk zijn komen te staan. De vorige crisis heeft sociale en economische ongelijkheid met zich meegebracht en het globale populisme kregen we er cadeau bij.

Naast de eerdergenoemde raciale rechtvaardigheid moeten we ook werk maken van distributieve en procedurele rechtvaardigheid op individueel en (inter)nationaal niveau. Distributieve rechtvaardigheid heeft betrekking op de eerlijke verdeling van baten en lasten. Dat betekent dat we de lasten voor kwetsbare bevolkingsgroepen verminderen en mensen die in onderbetaalde sectoren zitten beter belonen. Het betekent ook dat we de kansengelijkheid in de onderwijs-, stage- en arbeidsmarkten verbeteren. Jongeren met een migratieachtergrond hebben aantoonbaar te maken met uitsluiting en etnische profilering. Dakloze en ongedocumenteerde medemensen hebben recht op onderdak. Belastingontduiking door multinationals is niet meer acceptabel. Op internationaal niveau zouden we de schulden van ontwikkelingslanden moeten kwijtschelden.

In onze maatschappelijke discussies speelt procedurele rechtvaardigheid een belangrijke rol. Het betekent dat we iedereen eerlijk, gelijk en onbevooroordeeld behandelen. Dit is een cruciaal fundament van elke democratische rechtsstaat. We moeten bijvoorbeeld een effectieve manier vinden om een betere inspraak vanuit de werkvloer te bevorderen. De Black Lives Matter-protesten benadrukken het belang van het demonstratierecht. In de crisisaanpak van corona, en straks post-corona, is het belangrijk dat burgers meer inspraak en beslissingsmogelijkheden hebben. We moeten meer platform bieden aan gemarginaliseerde stemmen en tijd en geld besteden aan coalities die klimaat-, feministische, queer- en antiracismebewegingen bij elkaar brengen.

Het ‘oude normaal’ keert niet terug. We zullen richting een gezamenlijke toekomst moeten bewegen die voor iedereen rechtvaardig is. We kunnen daarbij veel leren van de wijze waarop verschillende geloofsgemeenschappen de coronacrisis aangepakt hebben of nog steeds aanpakken. Samenwerking en solidariteit zijn aantoonbaar manieren om deze crisis te bestrijden. Een beetje naastenliefde in de samenleving doet niemand kwaad. Het is daarom belangrijk dat we naar elkaar luisteren. De gemarginaliseerde stemmen moeten zeggenschap krijgen zodat het ‘nieuwe normaal’ voor iedereen goed is. Ik hoop dat iedereen daaraan meedoet.


Dino Suhonic (36) is directeur van Stichting Maruf, een organisatie die zich inzet voor de emancipatie van queer moslims, zoals lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele personen en transgenders. Hij rondt momenteel zijn master Gender, Sexuality and Society aan de
Universiteit van Amsterdam af.


Nog geen abonnee of het Volzin-nummer met dit artikel apart bestellen? Klik dan hier.