Graven naar een hart van goud

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Thomas Quartier (Kranenburg, Duitsland, 1972) is benedictijner monnik van de St. Willibrordsabdij bij Doetinchem en doceert theologie aan de universiteiten van Nijmegen en Leuven. Onlangs verscheen van hem Liefdesgeboden. Gevoel in het klooster van je leven (uitgeverij Adveniat).

Tekst: Bert van der Kruk Beeld: Stijn Krooshof

Heart of Gold
I want to live, I want to give
I’ve been a miner for a heart of gold
It’s these expressions I never give
That keep me searching for a heart of gold
And I’m getting old.

I’ve been to Hollywood, I’ve been to Redwood
I crossed the ocean for a heart of gold
I’ve been in my mind, it’s such a fine line
That keeps me searching for a heart of gold
And I’m getting old.

Hart van goud
Ik wil leven, ik wil geven
Ik heb gegraven naar een hart van goud
Door me niet te uiten en niet te geven
Blijf ik zoeken naar een hart van goud
En ik word al oud.

Hollywood, Redwood, ik ben er geweest
Ik heb de oceanen bezeild voor een hart van goud
Ik heb mijn geest onderzocht, het is een dun lijntje
Waardoor ik blijf zoeken naar een hart van goud
En ik word al oud.

-Neil Young, Nederlandse vertaling door Thomas Quartier.

“Het is opvallend en misschien geen toeval dat dit lied verscheen in mijn geboortejaar, 1972. Ik ontdekte het medio jaren ’80, toen ik singer-songwriters als Neil Young, Bob Dylan en John Lennon leerde kennen – dat zijn voor mij de grote drie. Zij staan voor een generatie in beweging, de beweging die ik in mijn eigen omgeving miste. In Duitsland, waar ik opgroeide, was de popcultuur nogal vlak. Ik miste er een soort revolutionaire geest in, een radicale andersheid. Mijn vermoeden was dat ik die elders moest zoeken, bij zangers van de jaren ’60 en ’70. Ik dacht aanvankelijk dat hun liederen vooral een politiek protest inhielden, maar ontdekte al snel dat ze ook diepere lagen aanboorden: het zoeken naar de kern van je leven, je diepste bezieling. De echte beweging gaat naar binnen.

Dit nummer werd een van mijn favourites. Het heeft een geniale melodie. In de tekst presenteert Young zich in alle opzichten als diepgraver, een mijnwerker die steeds verder de diepte ingaat. Niet om daar iets praktisch te vinden, maar een hart van goud. Het is niet duidelijk of dat zijn eigen hart is of dat van een ander. In ieder geval zoekt hij emotionele diepgang. In wezen is het een liefdeslied, waarin de kern van alle liefdesliederen subliem wordt verwoord: om de liefde te vinden, moet je diep graven in je innerlijke zelf. Pas dan zul je de ander vinden, of dat nou vrienden zijn, je ouders of je partner. Hij ging er de oceaan voor over, maar vond het niet. Het is een kwestie van steeds de zee op durven varen, wetende dat je het nooit vindt. En dat je ondertussen alleen maar ouder wordt.

Het lied begeleidt me nu ook in het klooster. De vraag die mij interesseert, is: bij welke bronnen van liefde kom je uit als je echt een mijnwerker bent? Voor dat boren heb ik het klooster nodig; dat is voor mij de goudmijn. Zonder het klooster zou ik bang zijn dat ik vluchtig word, ook in mijn eigen omgaan met gevoel. Ik weet dat bij alle mislukkingen die je in het klooster meemaakt – in de communiteit en bijvoorbeeld in de omgang met familieleden – het zoeken als zodanig altijd zinvol is en dat liefde er niet in bestaat dat je denkt iemand of iets gevonden te hebben. Je moet de diepte in om bij de kern van je gevoel te komen. Voor mij als monnik is die kern goddelijk. De goddelijke inspiratie zit dus niet boven je gevoel, maar erin. Het klooster is voor mij de plek om daarnaar te zoeken, zonder dat ik zeg dat iedereen nu in moet treden. Je kunt het ook zoeken in een huwelijk, in vriendschap of andere relaties. In mijn nieuwe boek beschrijf ik een aantal van die zoektochten, in de hoop dat mensen er hun eigen liefdesexperimenten in herkennen.

Voordat ik op mijn 40ste intrad, was ik in veel opzichten een kind van mijn tijd. Het zou een beetje naïef zijn om te denken dat ik helemaal geen ervaring met de liefde opdeed. Maar die heeft geen vorm gekregen die voor mij tot een goudmijn kon worden. Het was geen principiële keuze, het heeft zich gewoon niet voorgedaan, ook omdat ik lange tijd helemaal opging in mijn universitaire werk. Dat leek mijn allergrootste liefde. Tot ik merkte dat ook dat de goudmijn niet was en mijn verlangen steeds verder in slaap viel. Zo raakte ik vanaf mijn 35ste verliefd op het klooster. Zoals elke verliefdheid ging ook die voorbij. Vervolgens moest ik diep boren om te kijken wat daaronder ligt. Daar ben ik hopelijk de rest van mijn leven mee bezig. Tot ik echt oud ben.”

Lees dit artikel en velen andere nu in Volzin. Nog geen abonnee? Klik dan hier.