‘De dood van God is niet het einde’

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
“Het touwtje met de hemel doorknippen is het meest spirituele dat ik ooit heb gedaan”, zegt theoloog Gerko Tempelman. “En dat adviseer ik de lezer ook: stop met geloven, laat het bouwwerk in elkaar storten. Zo schep je ruimte voor iets nieuws.”

Tekst: Elze Riemer Beeld: Michiel Wijnbergh

Filosoof en theoloog Gerko Tempelman (1988) verloor zijn geloof tijdens zijn studie theologie aan de Vrije Universiteit. Hij groeide op in een streng vrijgemaakt-gereformeerd milieu, waar hij al werd gewaarschuwd om naar de Vrije Universiteit te gaan, om precies deze reden. Maar wat ze hem niet vertelden was dat het verliezen van dat geloof voor hem een bevrijding zou zijn. Juist door het bouwwerk af te breken dat het geloof voor hem was, ontstond er ruimte voor een nieuw soort geloof – wat hij ‘postmodern christendom’ noemt. Hij schreef er een boek over: Ongeneeslijk religieus; Waarom God verdween uit onze wereld/mijn leven en waarom steeds meer filosofen zeggen dat-ie terug is, dat dit jaar de shortlist haalde voor ‘beste theologische boek’. In het boek laat hij zien dat ‘de dood van God’ juist het begin kan zijn van iets moois.

Ongeneeslijk religieus; dat klinkt als een ziekte… In ieder geval niet als iets waar je blij mee bent.
“Het is die religieuze snaar waar ik maar niet vanaf kom, zelfs al zou ik dat willen. Het boek laat mijn zoektocht zien naar wat er overblijft nadat ik mijn geloof als een ui heb afgepeld; het is in die zin een weerslag van een postmoderne deconstructie van mijn geloof. Bij een ui blijft er dan niks meer over, bij mij wel. Ik zou dat niet direct geloof willen noemen, wel ‘ongeneeslijk religieus’.

“In het boek laat ik ook zien hoe mijn persoonlijke verhaal parallel loopt met ‘de dood van God’ in het westerse denken. Waar velen de neiging hebben om het daarbij te laten, wil ik kijken naar hoe dat nihilistische perspectief juist ruimte biedt voor een nieuw soort religiositeit, die postmodern is ingekleurd. Ik vind hierin veel inspiratie bij filosofen uit de hoek van de relatief nieuwe radical theology, die precies dat doen: vanuit een postmoderne filosofie teruggrijpen naar het christelijke verhaal.

“Atheïstische filosofen die zeggen ‘kijk hoe interessant dat christelijke verhaal is’. Dat vind ik mateloos boeiend. Er is de impliciete veronderstelling dat je niet met filosofie bezig kunt zijn als je tegelijkertijd nog in God gelooft. Dat het iets is waar je overheen zou moeten groeien omdat serieuze filosofen onmogelijk in een God kunnen geloven. De filosofen Slavoj Žižek en John Caputo, die uitgebreid aan bod komen in mijn boek, laten zien dat je zowel filosoof als gelovige kunt zijn.”

Waarom heb je dit boek geschreven?
“Ik heb best veel vrienden en contacten die dezelfde achtergrond hebben als ik, maar geen idee hebben van wat ze met die achtergrond moeten. Ze ervaren hun achtergrond vooral als vervelend en als iets wat totaal niet past in een moderne wereld. Ze zetten als gevolg alles wat met het christelijk geloof te maken heeft overboord. Het overkomt hen meer dan dat ze daar zelf een keuze in maken. Het lukt ze simpelweg niet om er een vervolg aan te geven, omdat ze denken dat dit niet mogelijk is. Ik wil laten zien dat er meer is dan het omarmen dan wel afwijzen van het christelijk geloof. Dat je misschien zelfs op een spannende, intellectuele en postmoderne manier met die thema’s bezig kunt zijn – dat je niet achterlijk hoeft te zijn omdat je nog wat met het geloof hebt.”

Wat me opviel bij lezing van je boek is hoe rationeel je het geloof aanvliegt. Maar is geloof nou niet juist iets wat het rationele overstijgt?
“Mijn boek is inderdaad een grote rationele onderneming. Maar dat is nu eenmaal hoe ik in elkaar zit, die rationaliteit is mijn register. Ik zie het als een poging van mij om met mijn middelen ruimte te scheppen voor iets wat verder gaat dan die rationaliteit. Ik zie mezelf daarbij stuiten op de grens van de rationaliteit, waarachter het domein van geloven en religie begint. Maar om iets te zeggen over dat domein, daar ben ik simpelweg niet zo geschikt voor.

“Ik héb ook niet zoveel andere registers dan dit. Ik word wel geraakt door dingen, bijvoorbeeld wanneer ik een vernieuwend theologisch boek lees. Dat lees ik op het strand in de vakantie, dat vind ik echt interessant. Voor mij zit er een zekere spiritualiteit in het rationele. Het christelijk verhaal kan je op zoveel verschillende manieren bekijken. Als iemand mij helpt het weer vanuit een ander perspectief te bekijken heb ik een soort homerun.”

Je schrijft dat het boek een weergave is van een zoektocht. Waar zoek je precies naar?
“Kijk, op dit moment heb je eigenlijk twee smaken in het christendom: orthodoxie en vrijzinnigheid. Het nadeel van orthodoxie is dat ze alles van God verwachten, wat echt problematisch is sinds Auschwitz. Ik vind dat een theoloog als Tim Keller zestiende-eeuwse antwoorden geeft op 21ste-eeuwse vragen. Vrijzinnigheid heeft als nadeel dat alles uit de mensen moet komen. Dat vind ik net zo leeg en onmogelijk als de orthodoxie. Want sinds Auschwitz is het onmogelijk om te denken dat mensen het allemaal zelf kunnen regelen.

“Dat is de spagaat, dus ik voel me niet thuis in beide kampen. Ik ben echt op zoek naar een tussenvorm, die ik vooralsnog gevonden heb in de radicale theologie, omdat zij vertrekt vanuit het nihilistische idee van Nietzsche dat God dood is. Maar hij voegt daar óók aan toe dat het daar niet eenvoudiger van wordt; volstrekt nihilisme is niet iets wat je wilt, het maakt cynisch en bitter, dus moeten we wat verzinnen om daar uit te komen. In die radicale theologie laten filosofen die in de school van Nietzsche staan, zoals Žižek, zien dat juist het christelijke verhaal zelf ons aanknopingspunten biedt om om te gaan met dat nihilisme. Het verhaalt van een God die afsterft, die op een bepaalde manier alle verwachtingen aan zijn adres aan het kruis meeneemt en laat verdwijnen.

“Daar zit van beide kanten, zowel van de orthodoxie als van de vrijzinnigheid, iets in. Je zou het een postmodern christendom kunnen noemen.”

Wie was God voor je toen je nog gereformeerd was en wie is God nu voor jou?
“Hij was de belichaming van een manier van kijken naar de werkelijkheid. De bril waardoor ik naar de werkelijkheid keek. Zo geloofde ik in een God die het beste met ons voorheeft waardoor ik bijvoorbeeld niet uit de voeten kon met het feit dat het op Koninginnedag regende. Het kleurde mijn perspectief in alle opzichten.

“Nu heeft God voor mij te maken met alles waar we rationeel gezien niet uitkomen. Als God bestaat, en ik hoop dat, dan houd ik er rekening mee dat hij op een of andere manier betrokken is bij de werkelijkheid. Daar raak je aan als je een kind krijgt, of als je overvallen wordt door schoonheid. Paul Tillich beschrijft God als de ground of being; zo zie ik het ook. Het gaat voorbij de vraag of God wel of niet bestaat als entiteit, en kijkt naar wat daaronder ligt. God presenteert zich meer als mogelijkheid dan als werkelijkheid.”

In hoeverre heeft geloof, in jouw register, nog iets te maken met overgave en vertrouwen?
“Ik twijfel erover of het zo is dat het geloof een zaak van overgave en vertrouwen is. Ik heb dat een leven lang gehoord, in de gereformeerde en evangelische wereld: ‘Tuurlijk kan je God niet snappen, God is groter dan jij’ et cetera. ‘Wat jij moet doen is het uit handen geven’. We leven in een tijd waarin we hebben geleerd om alles stuk te redeneren, waardoor we uiteindelijk allemaal cynicus worden. Dat maakt het heel moeilijk om tot overgave te komen. Dat is waar veel mensen inzitten nu, terwijl ze daar tegelijkertijd mee worstelen – want wat blijft er dan nog over?

“Er is wat dat betreft een zingevingsvacuüm. Het is zoals Nietzsche de dood van God weergeeft, namelijk als het uitwissen van de horizon en het loskoppelen van de zon van de aarde. Waarom hij dat zo formuleert? Om weer te geven in wat voor crisis mensen terecht komen zonder God, een crisis waarin ze betekenisloos op deze planeet rondzwerven zonder te weten hoe het nu verder moet. Ik denk niet dat die mensen geholpen zijn met het idee dat ‘je je gewoon moet overgeven aan het mysterie’. Dat God dood gaat, dáár kunnen we niks aan doen, maar we kunnen wél kijken naar hoe nu verder.”

Hoe nu verder dan, na die postmoderne deconstructie van het geloof?
“De dood van God is niet het einde, het is voor mij juist het begin geweest van iets moois. In het boek schrijf ik dat het touwtje met de hemel doorknippen het meest spirituele is dat ik ooit heb gedaan. En dat adviseer ik de lezer ook: stop met geloven, laat het bouwwerk in elkaar storten. Zo schep je ruimte voor iets nieuws, en dat nieuwe kan spiritueel, mystiek en misschien zelfs God zelf zijn.

“Zolang je je geloof en godsbeelden niet los kan laten, en rusteloos blijft, zal dit een blokkade voor je zijn. Ik heb mensen horen vertellen over het moment dat ze hun geloof waren verloren. Ze praatten erover alsof het een bekering was, dat ze de vogels hoorden fluiten en dat de lucht opklaarde. Het is een soort bevrijding, van iets wat in de kern juist niet-christelijk is.”

Hoe kreeg die bevrijding vorm in jouw leven?
“Na het boek heb ik me een stuk vrijer gevoeld om stappen te maken richting meer betrokkenheid bij Stroom, een christelijke gemeenschap hier in Amsterdam. Ik ga er regelmatig voor. Dan moet ik een postmodern verhaal vertellen over het evangelie. Daar moet ik dan, vind ik, iets zeggen over de betekenis van het kruis en de opstanding, en wat daarin goed nieuws is voor vandaag.

“Dat vind ik een heel ingewikkeld format. Ik moet gaan vertellen wat het evangelie betekent voor vandaag. In bijna alle gevallen heb ik werkelijk geen idee. Maar ik heb wel het idee dat in het evangelie iets zit en ik wil mezelf dwingen me in dat format te bewegen. Het is het format van de christelijke traditie en daar wil ik iets mee. Dan probeer ik een week lang er iets uit te persen, soms lukt dat, maar soms niet en dan zeg ik dat gewoon: ‘Ik kom er niet uit’. Dat vinden mensen prima, want het is ook niet makkelijk. Het boek heeft me geholpen dat oké te vinden, dat dit intellectueel te rechtvaardigen is.”

In je boek schrijf je meerdere keren ‘waar je mee omgaat word je mee besmet’. Daarnaast schrijf je dat je vrouw uit de evangelische hoek komt. Ben je ook op een bepaalde manier ‘besmet’ door haar, qua geloof?
“Niet dat ik zelf zie. Ik beschrijf ook in het boek dat dit een lastig thema is voor ons, dat we spiritueel gezien allebei op ons eigen eilandje zitten. We zijn nu wat langer onderweg en ik heb geleerd dat daar geen verandering in komt. Ik ben erachter gekomen dat ik veel starrer ben in de manier waarop ik tegen geloof en spiritualiteit aankijk dan ik zou willen. Ik zou willen dat ik God net zo vrij en vrolijk in de dingen kon ervaren zoals zij dat kan. Maar ik kan dat niet.”

Houdt het zoeken een keer op en zo ja, wanneer?
“Ik ervaar zoeken niet als negatief. Ik denk dat de zoektocht nooit eindigt, en dat dat juist bij het ongeneeslijk religieuze hoort. Veel mensen zijn niet blij in hun zoeken, ervaren het als rusteloos, onrustig. Ze hebben het gevoel dat ze ergens moeten landen. Ik bloei er juist van op. Dat gun ik iedereen die dit boek leest: er vrede mee hebben dat je niet bij A of B uitkomt, dat het ingewikkeld is en dat het daarom juist ook mooi is.” ●

Lees dit artikel en vele andere nu in Volzin. Nog geen abonnee? Klik dan hier.

 

Zie ook: het nieuwe boek van Gerko Tempelman: Ongeneeslijk religieus (KokBoekencentrum, 176 blz., € 17,99).