Geen woord te veel, geen woord te weinig

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
‘Een lastig verhaal’ was de titel van de preekwedstrijd die website liberaalchristendom.nl afgelopen maanden organiseerde. Voor Jan Offringa, hoofdredacteur van die website, reden om zich af te vragen: wat is eigenlijk ‘een goede preek’? Zijn advies: staar je niet blind op de bijbeltekst, maar verdiep je vooral ook in de wereld van vandaag. Geef stem aan de Bijbel, maar wees indien nodig ook een tegenstem.

Regelmatig zit ik, vanwege een vroege dienst in mijn gemeente, zondagochtend rond kwart voor negen in de auto. Dan luister ik naar Radio 4 om schrijver A.L. Snijders niet te missen. Over de telefoon vertelt hij dan een eigen ZKV, oftewel een Zeer Kort Verhaal. Met grote regelmaat zitten er juweeltjes tussen. Dan is elke zin raak en wordt er geen woord te veel of te weinig gezegd. Vaak zit er een verrassende wending in. Zo word je in een paar minuten meegenomen in een verhaal dat de ene keer een grijns, de andere keer een frons op je gezicht achterlaat. Het is jaloersmakend hoe hij in korte tijd veel weet te zeggen.

Zelf vrees ik wel eens dat ik die ochtend, net als menig collega, het omgekeerde ga doen: in veel voorspelbare woorden weinig zeggen. Regelmatig word ik daarin bevestigd als ik bij een ander ter kerke ga of een oude preek van mezelf herlees. Het zijn geen slechte verhalen, maar ze zijn gewoon te lang en voorspelbaar en neigen naar geneuzel. Dat laatste woord bleef me bij na een niet te lange huwelijkspreek, toen een van de bruiloftsgasten reageerde met: ‘gelukkig geen geneuzel over de liefde’.

Tien tot twaalf minuten is de ideale lengte van een preek. Daarin kun je een paar zinnige dingen zeggen en de rest – kill your darlings! ‒ bewaar je voor later. Voorgangers denken graag dat het niet in de lengte zit, terwijl gemeenteleden aangeven van wel. Zelf, moet ik toegeven, overschrijd ik ook regelmatig de twaalf minuten. Die lengte kreeg ik al in de jaren tachtig mee vanuit de praktisch-theologische opleiding. Men had veldonderzoek gedaan naar de aandachtsboog van luisteraars. Daaruit bleek dat de gemiddelde predikant na twaalf minuten driekwart van zijn of haar gehoor kwijt was. Na een kwartier haakten sommigen weer even aan, maar na twintig minuten was het echt basta. Wie dan nog aan het woord is, doet dit dus voor een enkele goed getrainde luisteraar en verder voor de kat z’n viool. Ik weet niet wat de huidige stand van zaken is, ruim dertig jaar later, maar die aandachtsboog is vast niet gegroeid. Na tien minuten moet je afronden.

Actualiteit
Nu wil ik ook weer niet te somber zijn. In mijn segment ‒ zeg maar het moderne midden ‒ van de kerk wordt niet slecht gepreekt. Menig voorganger wisselt heel aardige met ronduit goede verhalen af. Toch blijven er veel preken die niet echt kunnen boeien. Zelf haak ik snel af als iemand te veel in de bijbeltekst blijft hangen. Die wordt van alle kanten belicht: wat staat er wel of niet, waar kom je bepaalde woorden of beelden nog meer tegen? Een enkele keer is dat zinvol maar het neigt al snel naar tekstueel geneuzel. Vaak gaat dat ten koste van de link naar de actualiteit: wat heeft zo’n oude tekst ons vandaag de dag mogelijk te zeggen? Daar wordt het echt interessant, maar op dat moment wil een voorganger nog wel eens kort door de bocht gaan. Al te makkelijk worden er lijntjes getrokken naar het heden, alsof je de werkelijkheid van toen een op een op die van nu kunt leggen. Dat is zelden het geval.

Een voorbeeld: ongetwijfeld staan er teksten in de Bijbel die een royale houding ten aanzien van de vreemdeling en vluchteling stimuleren. Toch maakt het een groot verschil of er een enkeling bij je aanklopt of dat er honderdduizend mensen tegelijk aan de Europese grens staan. Wie met grote stappen vanuit de Bijbel bepleit dat elke vluchteling hier even welkom is, gaat als een olifant door de porseleinkast. Evenmin kun je op basis van de Bijbel, of anders wel van de joods-christelijke traditie, hardmaken dat de grenzen hermetisch gesloten moeten blijven. Bij zo’n actueel dilemma is het juist de kunst iets van het spanningsveld in stand te houden tussen teksten van toen en de complexe wereld van nu. Als dat niet gebeurt en de zorgvuldigheid en nuances ontbreken, haken luisteraars teleurgesteld af. Dan kijk je liever thuis naar Buitenhof of lees je de analyses in de bijlage van je krant.

Vrijmoedig
Bijbelteksten bieden geen kant en klare waarheden of antwoorden maar vragen om dialoog. Het zijn dus gesprekspartners die we in de kerk serieus nemen. Dat heeft predikant Alke Liebich helder uitgewerkt in het boek Liberaal christendom. Ze laat zien hoe zo’n dialoog al in de Bijbel zelf begint. Zowel in het Oude als Nieuwe Testament staan stem en tegenstem naast elkaar. Deuteronomium zegt niet hetzelfde als Prediker of Job, Paulus niet als Jacobus of Marcus. Er klinken meerdere stemmen door elkaar heen. Op die manier organiseert de Bijbel zijn eigen tegenspraak. Volgens Liebich kan de lezer van nu zich laten inspireren door wat teksten ons aanreiken maar ook de vrijheid nemen om tegenstem te zijn. Dat laatste is bijvoorbeeld aan te bevelen als vrouwen worden miskend of al te gemakkelijk grof geweld wordt gebruikt in naam van God. Dat is ook een van de opties die de website liberaalchristendom.nl onlangs meegaf bij de succesvolle preekschrijfwedstrijd rond lastige bijbelverhalen. Volgens de aankondiging was het aan de deelnemers om zo’n lastig verhaal “te verdedigen, uit te dagen, te weerspreken of anderszins te verwerken in hun bijdrage”.

In dat opzicht zijn preken te voorspelbaar: voorgangers nemen te weinig vrijheid in hun omgang met de Bijbel. Met name ontbreekt het dan aan vrijmoedigheid om zo’n tegenstem te zijn. Naast goede exegese is een beetje lef en humor bijvoorbeeld onmisbaar. Het kan heel verfrissend zijn om Jozua te waarschuwen dat hij met zijn niets en niemand ontziende verovering van het land Kanaän vandaag de dag in Den Haag voor het oorlogstribunaal zou moeten verschijnen. Een beroep op een goddelijke opdracht of belofte zou de zaak daarbij geen goed doen. Als Paulus in Galaten 4 het verhaal over Sara en Hagar een wonderlijke draai geeft, kun je hem meegeven dat die uitleg aan de universiteit een dikke onvoldoende zou scoren. Ook zijn er andere passages in zijn brieven waar hij veel te kort door de bocht gaat. Aan Jezus kun je vragen of Hij misschien een mindere dag had toen hij iemand opdroeg hem meteen te volgen zonder eerst zijn net overleden vader te begraven. Lieve Heer, heeft het komende koninkrijk zo’n haast? Laat het op zo’n moment maar eens lekker schuren in een preek!

Interpretaties
Dit pleidooi voor een vrijmoedige dialoog sluit aan bij hedendaagse inzichten in wat zich afspeelt tussen een tekst en zijn lezer. In vaktaal heet dat het hermeneutisch proces. Over dit proces bestaan veel misverstanden. Zo leeft her en der de gedachte dat een tekst een eenduidige betekenis heeft. Die zou naar boven komen als je de woorden en zinnen – het liefst in de brontaal ‒ zorgvuldig bestudeert. Op den duur zou een tekst zijn oorspronkelijke, diep verborgen betekenis prijsgeven. Zo werkt het echter niet. Tegenwoordig beseffen we dat zoiets als een oorspronkelijke betekenis niet meer te achterhalen is. We zullen nooit weten wat een bijbelschrijver precies bedoelde, en evenmin of hij dit zelf wel helder had. Het gaat altijd om interpretaties, een tekst heeft geen eenduidige betekenis voor alle tijden en plaatsen. Want in een interpretatie neemt iemand altijd zichzelf mee.

Als lezer ben je zelf volop betrokken in zo’n proces van betekenis geven. Zo ben ik zelf een blanke, welvarende en goed opgeleide mannelijke Europeaan die anno 2019 met mijn eigen vragen en ook met mijn vooringenomenheid aanklopt bij een tekst. En omdat ik een liberale theoloog ben, benader ik een bijbeltekst heel anders dan een confessionele collega. Allebei lezen we weer met heel andere ogen dan een zwarte arbeider in Zuid-Afrika, een lesbische vrouw in Iran of iemand die duizend jaar geleden in China leefde. Dat duidt niet op willekeur maar hoort bij een levendige omgang met de traditie en bij het creatieve proces tussen tekst en lezer.

Bruggen slaan
In mijn optiek blijven voorgangers teveel steken in de tekstexegese. Daardoor komen ze te weinig toe aan een creatieve dialoog tussen de Bijbel en het hier en nu. Terwijl daarin juist de stem van God tot leven kan komen. Vaak doen we of God alleen in bijbelse tijden heeft gesproken en daarna is stilgevallen. Alsof de Geest ook nu niet onder ons rondgaat, op ons inwerkt en aan ons appelleert. Preken is niet het ontvouwen van een geheim dat besloten ligt in een tekst, maar een levende dialoog aangaan met de in eerdere teksten aangereikte geloofservaring van wie ons zijn voorgegaan. In dat proces kan God tot ons gaan spreken en daar gaat het uiteindelijke om. Voor een goede preek is dus meer nodig dan grondige bestudering van een tekst. Als je daarin blijft steken, kom je niet toe aan de dialoog tussen het verhaal van de Bijbel en je eigen verhaal. Als tussen die verhalen geen goede brug wordt geslagen, blijft de preek in het luchtledige hangen.

Vanuit Op Goed Gerucht, de beweging van moderne protestantse theologen waarvan ik vijf jaar voorzitter was, schreef een collega ooit dat predikanten op drie fronten tegelijk te lezen. Ze bestuderen spirituele teksten uit zowel de Bijbel als de christelijke traditie, en hebben ook belangstelling voor de rijkdom van andere culturen en religies. Tegelijk proberen ze de moderne cultuur te lezen en te doorgronden wat daarin zoal speelt. Om die reden verdiepen ze zich in de wereld van de literatuur, film en muziek, en ook in die van de politiek, de gezondheidszorg en de financiële wereld. Als derde proberen ze aandachtig de menselijke ziel te lezen. Wat maken mensen mee in deze wereld en wat doet dat ten diepste met hen? Wat zijn hun angsten, frustraties, gelukservaringen en verlangens? Wat biedt dan troost en inspiratie? Een preek krijgt diepgang als een predikant daarin deze dingen met elkaar in gesprek brengt en bruggen weet te slaan tussen die drie werelden: de bijbelse, culturele en persoonlijke. Dan kunnen oude teksten ons op een nieuwe manier raken of laten nadenken over ons bestaan.

Ik zeggen
Natuurlijk past hier grote bescheidenheid. Want predikanten zijn op alle drie fronten ook beperkt: ze zijn lang niet altijd goede exegeten of bijbelse theologen, ze zijn niet zomaar goede kenners van de moderne cultuur en wetenschap, laat staan dat ze stuk voor stuk uitgroeien tot goede pastoraalpsychologen. Dat kun je van niemand verwachten. Ze doen er daarom goed aan in een preek regelmatig ‘ik’ te zeggen of ‘naar mijn bescheiden mening’ en niet stiekem de betweter of profeet uit te hangen. Het geeft de hoorder, die niet meteen iets terug kan zeggen, de ruimte er anders over te denken. Predikanten staan wel in het ambt, maar niet zomaar boven of tegenover hun gemeente. Wel staan ze model voor hoe gelovigen vandaag de dag een levende dialoog met de Bijbel kunnen aangaan.

Het is heerlijk om na intensief denk- en schrijfwerk een punt te zetten, al dan niet gevolgd door ‘Amen’. Toch is de preek dan niet af, want er is nog een laatste ronde nodig. Het is goed jezelf drie kritische vragen te stellen. Om te beginnen: waar ben ik breedsprakig en kan ik overbodige dingen weglaten? Ten tweede: waar zou ik meer vrijheid in mijn verhaal kunnen nemen? En ten slotte: waar neig ik naar exegetische, moralistische of misschien wel psychologische prietpraat die het niveau van het gemiddelde zelfhulpboek niet overstijgt? Dan is de preek kort, vrijmoedig en zonder geneuzel. Als verder het woordje ‘ik’ niet in je verhaal ontbreekt, loop je weinig gevaar dat die zondag je eigen stem met die van de Eeuwige wordt verward. Dan is het helemaal af.

Jan Offringa (1957) is predikant van de Protestantse Gemeente te Wijk bij Duurstede en hoofdredacteur van de website www.liberaalchristendom.nl. Dit essay is ook op die website verschijnen.