Flannery O'Connor: Van aangezicht tot aangezicht

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
De Amerikaanse Flannery O’Connor (1925-1964) was een gevierd schrijfster en een toegewijd katholiek. De motor van haar schrijfkunst is het geloof in Christus, in het mysterie van de verlossing, het kruis. Bep van Muilekom over hemel en hel in het werk van Flannery O’Connor. Bep van Muilekom won met dit essay de derde prijs in de Volzin-schrijfwedstrijd 2018. Tekst: Bep van Muilekom Beeld: Hollandse Hoogte

Flannery O’Connor.

Het liep tegen het einde van een doordeweekse dag, toen ik de duivel ontmoette. Ik kwam van mijn werk, was op weg naar huis. Langzaam fietste hij voor mij uit over de rode Willemsbrug die de Rotterdamse stadsdelen Noord en Zuid met elkaar verbindt. De avondzon gaf het water van de Maas een koperkleurige gloed, zette de hoge gebouwen aan de oevers in vuur en vlam. We waren de enigen op de doorgaans drukke brug. Ik zag een man in een kleurloze regenjas, zonder horens of hoeven, op een oude fiets met drie versnellingen. Twee gezichten had hij, een januskop die groter werd naarmate ik hem naderde. We stapten af. Hij keek mij aan en ik hem. Hij boezemde mij geen angst in, wel ontzag.
“Ik herken je aan je werken”, zei ik.
Tot mijn schrik voelde ik bij het ontwaken dit weten traag uit mij wegsijpelen, omdat ik de woorden niet kon vinden waarin ik deze openbarende kennis kon vastleggen.

Tastbare ontroering

Wie daar de woorden wel voor had, was de Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor (1925-1964). Het is vermoedelijk mijn recente ontdekking van haar oeuvre die mij tot deze droom inspireerde. Zij toont in haar boeken de duivel aan het werk in concrete mensenlevens. In Good country people heeft hij het gezicht van een bijbelverkoper die er met het houten been van een vrouw vandoor gaat. In The lame shall enter first treedt hij op als een dubbelzinnig werktuig van de genade en redt een ziel – of twee, al kost het een kind de kop.
Ik heb mededogen met de fictieve figuren van O’Connor. Ze breekt mijn hart als ze het vijfjarig jongetje Harry laat achtervolgen door een krijsend grijs reuzenvarken. Ik heb ook mededogen met de schrijfster, die haar personages soms tot het uiterste moet folteren om ze op hun knieën te krijgen.
Daarin lijkt ze overigens wel een duivels plezier te scheppen, evenals haar bewonderaars. In een geluidsopname uit 1959 hoor je hoe ze met zwaar zuidelijke tongval een verhaal voorleest, waarbij het publiek af en toe gniffelt of in een kort lachsalvo uitbarst. Wanneer O’Connor het einde nadert, is de stilte diep en de ontroering tastbaar.
“Kunst is een gestileerd menselijk handelen (of een produkt daarvan), dat een ontroering teweegbrengt”, schreef Gerard Reve. Hetzelfde geldt voor religie, die hij als een tweelingzus van de kunst beschouwt. Beiden duiden de werkelijkheid, hun gemeenschappelijk thema is het mysterie van de dood. Brengen ze geen ontroering teweeg, dan blijven kunst en religie betekenisloos voor de betrokkene. Een definitie als een praktische, ruime jas die iedereen past en abstracte discussies over het wezen van kunst en religie en de veranderende functies ervan in onze cultuur omzeilt.
Als kleuter kreeg Flannery a frizzled chicken onder haar hoede, een kip met krulveren. Ze leerde het dier achterwaarts lopen en haalde er in 1932 het Britse bioscoopjournaal mee. Een YouTubefilmpje van een minuut showt een bloedernstig vijfjarig meisje met een armvol kippen, het pronkstuk op haar schouder. Een kleine meesteres over de schepping. Deze gebeurtenis zou haar leven tekenen. Ze genoot van de camera-aandacht en begon hoenders te verzamelen, bij voorkeur uitzonderlijke dieren, de manke en mismaakte. Later zou ze haar boeken bevolken met menselijke paradijsvogels. In haar fictie scharrelt en fladdert altijd gevogelte rond.
Het bewegend beeld van een achterwaarts lopende kip fascineert. Het opent je ogen voor het wonderlijke van de werkelijkheid. Ik speel het filmpje telkens opnieuw af, kijk met een intense blik, alsof ik voor het eerst van mijn leven een kip zie.
O’Connors fictie heeft een vergelijkbare magische uitwerking. Ze verwijst niet naar een transcendente werkelijkheid, maar onthult het mysterie van de werkelijkheid. Haar strategie is ‘uitvergroting’, zodat de lezer haar creatie goed kan zien en zichzelf herkent in groteske figuren, de lammen en de blinden die de schrijfster opvoert.

Kunst en geloof onscheidbaar

O’Connor was een getalenteerd kunstenaar en een toegewijd katholiek. Een met een ‘modern bewustzijn’, belezen op het gebied van theologie en filosofie. Kunst en geloof zijn voor haar onscheidbaar. De motor van haar schrijfkunst is het geloof in Christus, in het mysterie van de verlossing. Een bijna aanstootgevend gegeven dat hedendaagse literatuurliefhebbers niet meteen naar haar boeken zal doen grijpen. Toch blijkt haar werk onverminderd relevant, waarvan ook de nog steeds aanzwellende stroom aan academische publicaties getuigt. Het is actueel vanwege thema’s als religieus fundamentalisme / fanatisme en racisme, maar dat is niet het punt waarom haar verhalen draaien. Haar personages zijn vervreemd van zichzelf, van anderen en van God. Ze worstelen met universele levensvragen. “Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie”, schrijft Albert Camus in de openingsalinea van zijn essay Le Mythe de Sisyphe uit 1942. O’Connor zoekt het antwoord bij de God van Abraham, Izaak en Jakob die zich heeft laten kennen door de Zoon. Het geloof is voor haar geen elektrische deken, maar het kruis. Voor zover haar personages al tot inzicht en inkeer komen, gebeurt dat op een dubbelzinnige, hardhandige wijze, in het aanzicht van de dood. De transformerende ervaring is ook weggelegd voor de lezer. Kunst en religie vermogen beide het menselijk hart om te vormen. In het werk van O’Connor spannen ze samen en raken de lezer met verdubbelde kracht.

Folterende liefde

Het onderwerp van haar fictie is de werking van de genade in een gebied dat is bezet door de duivel, schrijft O’ Connor in een brief. The lame shall enter first gaat over de weduwnaar Sheppard en zijn tienjarig zoontje Norton, die rouwt om het verlies van zijn moeder. Sheppard is een rechtschapen man, een actieve goeddoener, die zich inzet voor criminele jongeren. Hij ergert zich aan de zelfzucht van zijn zoontje. “Als je eens ophield met aan jezelf te denken en eens bedacht wat je allemaal voor een ander zou kunnen doen”, laat de schrijfster Sheppard zeggen, “zou je je moeder niet meer missen.”
Hij neemt de veertienjarige Rufus Johnson in huis, een jongen met een horrelvoet. Rufus beweert in de ban te zijn van de duivel en gelooft in hemel en hel. Sheppard meent dat de voet en zijn ongelukkige jeugd de oorzaak zijn van Rufus’ misdragingen. Hij wil met goedheid en kennis het hart van Rufus winnen. “We leven in de eeuw van de ruimtevaart!” Hij meent met een orthopedische schoen, een telescoop en een microscoop Rufus op het rechte pad te brengen. “Hij denkt dat hij Jezus Christus is!”, schampert Rufus tegen Norton.
Rufus ontfermt zich over Norton. “Als ik dood ben, ga ik dan naar de hel of naar waar zij is?’, vroeg Norton. ‘Nú zou je nog gaan naar waar zij is’, zei Johnson. ‘Maar als je lang genoeg leeft, kom je in de hel terecht’.” Niet Rufus, maar Norton tuurt door de telescoop, in de hoop op contact met zijn moeder.
Sheppard moet uiteindelijk zijn machteloosheid jegens Rufus erkennen en herkent hem als de duivel. “Hij zag de helderogige duivel, die klopper aan harten, naar hem lonken in Johnsons’ ogen. Het beeld dat hij van zichzelf had, schrompelde ineen.” Hij ziet in dat hij blind is geweest voor de noden van zijn eigen zoon. “Een vloedgolf van folterende liefde werd over hem uitgestort, als een levenstransfusie.” Wanneer hij naar Norton rent om hem in zijn armen te sluiten, komt hij tot de ontdekking dat Norton aan “zijn ruimtereis begonnen was”. Hij heeft zich verhangen.
Het is een ambigu verhaal. Heeft Rufus Norton verleid tot zelfmoord? Was Sheppard in de greep van de duivel omdat hij aan zichzelf genoeg had? Hij maakte het leven voor Norton tot een hel door hem zijn liefde te onthouden. De hel is de afwezigheid van liefde, aldus O’Connor. Geen vroom verhaaltje, wel een waarin christelijke waarheden luid resoneren.

Ontwaken

Een literair kunstwerk kan niet worden samengevat in een verhaal met een moraal, zoals een preek. Het kenmerkt zich door dubbelzinnigheid, het is polyinterpretabel. O’Connor lezen is een spirituele ervaring, een wake-upcall. Het is de vorm waarin de visie is gegoten die de lezer raakt, die hem ontroert. In een essay uit 1917 schreef de Russische literatuurtheoreticus Victor Sjklovski: “Doel van de kunst is om een ding te doen ervaren als iets dat gezien en niet alleen maar her¬kend wordt; wat de kunst doet is de dingen ‘vervreemden’ en de vorm moeilijk maken, de moeilijkheid en de duur van de gewaarwording vergroten, want het waarnemingsproces zelf is het doel van de kunst.”
Ik blijf denken en dromen over het werk van O’Connor. Overdag tel ik talloze stadsduiven met knobbelpoten waar ik vroeger achteloos aan voorbijging. In de nacht sta ik aan het strand en zie ik een groepje monsterlijk grote waterhoenderen op de golven deinen. Hun felrode voorhoofdsplaat mondt uit in een gele snavelpunt. De vloed brengt ze naar me toe. Een mannetje of tien stapt op lange groene poten op mij af, houdt het oog op mij gericht. Ik maak dat ik wegkom en barst bij het ontwaken uit in een schaterlach.

Paspoort

Bep van Muilekom (’s-Hertogenbosch, 1955) woont sinds begin jaren tachtig in Rotterdam. Zij is afgestudeerd in de literatuurwetenschap en publiceerde een aantal boeken en artikelen op voornamelijk levensbeschouwelijk terrein. Ze werkt als boekverkoper. Daarnaast verricht zij periodiek redactiewerk en begeleidt zij bij gelegenheid lees- en schrijfkringen. Zij houdt van literatuur die confronteert en te denken geeft. Daartoe behoort het oeuvre van de Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor (1925-1964), een toegewijd katholiek die allesbehalve vrome verhaaltjes schrijft. “De schrijfwedstrijd van Volzin was een welkome aanleiding om mijn bewondering en verwondering voor O’Connor onder woorden te brengen.”