Europa heeft moreel fundament nodig

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
In het debat over Europese samenwerking gaat het volgens historicus Maarten van den Bos te veel over belangen en te weinig over waarden als verzoening en verbroedering die aan dit project ten grondslag lagen. Maar alleen die herinnering naar voren brengen is onvoldoende, er is een nieuw moreel fundament nodig.

Poolse jongeren tijdens de jaarlijkse Schumanparade in Warschau.

Tekst: Maarten van den Bos Beeld: ANP Foto

Op 9 mei 1950 lanceerde de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman het plan om de Franse en Duitse productie van kolen en staal onder één gemeenschappelijke autoriteit te brengen. Overige Europese staten ontvingen een open uitnodiging om ook deel te nemen. In 1952 werd door zes landen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal opgericht. Hoewel het initiatief op het eerste oog zuiver economisch van aard leek en de uitwerking iets technocratisch had, was daarmee zeker niet alles gezegd. In de toespraak die Schuman hield bij de lancering van het plan omschreef hij de bovenstatelijke autoriteit als een noodzakelijke waarborg voor vrede en verzoening. Een jaar eerder had Schuman in Straatsburg al geconcludeerd dat de eeuwige vrede het best gediend werd door het doen ontstaan van een ‘waarlijk Europese geest’. Deze ‘geest’ definieerde hij als het bewustzijn onderdeel te zijn van een culturele gemeenschap met de bereidheid deze te dienen “in totale wederkerigheid, zonder verborgen motieven of drang naar hegemonie”. Hij contrasteerde deze Europese geest met de ‘nationale geest’ van ‘de negentiende eeuw’. Juist deze geest zou het werk van Europese politici om na een eeuw van geweld te komen tot verzoening en verbroedering moeten bezielen.

Religieuze inspiratie

Nu was Schuman een devoot rooms-katholiek die met zijn plannen niet alleen een beslissende stoot gaf richting Europese politieke samenwerking, maar ook knap het midden wist te vinden in een fundamenteel debat over de rol en positie van de katholieke kerk in een snel veranderende wereld. Dit debat was na de Eerste Wereldoorlog op gang gekomen in reactie op het allesverzengende geweld waaraan Europa was blootgesteld. Het werd vervolgens gevoerd tegen de achtergrond van de opkomst van totalitaire ideologieën als communisme en fascisme. In katholieke kring, zo heeft de Amerikaanse historicus James Chappel in zijn vorig jaar verschenen boek Catholic Modern laten zien, waren hierbij twee denkrichtingen beschikbaar. Een ‘vaderlijke’ vorm van religieuze en theologische vernieuwing, waarbinnen het communisme als het grootste gevaar voor de toekomst van de kerk beschouwd werd en een krachtige spirituele gemeenschap onder leiding van priester en paus als het beste antwoord daarop. En een ‘broederlijke’ vorm van modernisering dat juist het fascisme als het centrale probleem definieerde en waarin een meer horizontale opvatting van gemeenschap werd bepleit. Beide denkrichtingen werden in de naoorlogse christendemocratie, juist ook door Schuman, op een ingenieuze wijze bijeengebracht in een politiek project dat, naar eigen zeggen, de consequentie was getrokken uit religieuze overtuigingen. De essentie van dit project was de vorming van een bovenstatelijke gemeenschap waarin onderlinge verbanden van zowel politieke en economische als morele en spirituele aard toekomstig geweld onmogelijk zouden maken.
Met name in katholieke kring was er veel steun voor deze opvattingen. Zo viel op verschillende internationale congressen van de na de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk ontstane Pax-Christi-Beweging op hoe vaak het ging over Europese samenwerking. Bij monde van kardinaal Maurice Feltin, aartsbisschop van Parijs en vanaf 1950 president van Pax Christi Internationaal, werd tot taak van de kerken gemaakt Europa ‘in geest te verenigingen’. Dit als basis voor verdere politieke samenwerking en garantie voor vrede en veiligheid. Ook in niet-katholieke kring sloeg een dergelijke gedachtegang overigens wel aan, hoewel niet altijd zonder enige achterdocht. In de vroege geschiedenis van het Europese project werd nog wel eens gesproken van een ‘Vaticaans complot’, onder meer omdat vijf van de zes aan de EGKS deelnemende landen een minister van Buitenlandse Zaken hadden met een katholieke achtergrond. Schuman wees een dergelijke gedachte echter nadrukkelijk van de hand. “Het Europa dat wij voor ogen hebben is even profaan in de ideeën die er de basis voor vormen als in de mannen die het vestigen”, stelde hij in november 1954. Betrokkenen “aanvaarden van de Heilige Stoel noch hun inspiratie, noch hun orders”. Desondanks stelde de minister wel vast dat er bij veel Europese christenen een zekere gelijkgestemdheid was, een nadrukkelijk openstaan voor het Europese project. Hoewel het dus geen theocratie beoogde, speelde de religieuze inspiratie van de voortrekkers wel degelijk een wezenlijke rol.
Daarbij hielp het wel dat centrale begrippen uit het vocabulaire van Schuman – verbroedering, verzoening, gemeenschap – vanuit verschillende politieke en religieuze overtuigingen ook van een andere definitie voorzien konden worden zonder de essentie al te veel geweld aan te doen. Europa en Europese samenwerking, zo heeft historicus Robin de Bruin bijvoorbeeld naar aanleiding van een grondige studie naar het debat erover in de Nederlandse politiek tot medio jaren zestig laten zien, waren als een soort prisma. Wanneer het licht vanuit een wat andere hoek kwam, was het samenspel van kleuren dat zichtbaar werd net even anders. Tegelijk bleef voor vrijwel elke betrokkene bij het debat de essentie van politieke samenwerking omwille van toekomstige vrede en verzoening overeind. Europa werd zelden beschouwd als slechts een politiek of economisch project. Er stond meer op het spel.

Afweging van belangen

Hoe anders lijkt dat momenteel. In de toch vrij fundamentele discussie over de toekomst van de huidige unie lijkt een dergelijk gedeeld moreel fundament niet aan de orde. Zowel bij voor- als tegenstanders van Europese samenwerking gaat het in het debat vooral om een afweging van belangen. Zelfs wie zijn oor te luister legde bij de bijna zeshonderdduizend voornamelijk jonge demonstranten tegen de brexit en voor een nieuw Brits referendum over lidmaatschap van de EU afgelopen oktober hoorde vooral veel van dat type argumenten. Dan ging het om het economisch belang van Britse jongeren of de mogelijkheid om elders in de unie te studeren. Of om de oplossing van het klimaatprobleem of het reguleren van migratiestromen. Het gegeven dat het lidmaatschap van de Europese Unie in zichzelf een waarde was die ook het verdedigen waard was, vanwege een principiële lotsverbondenheid met het continent, was en is in het debat vrijwel afwezig.
Het is niet eenvoudig precies aan te wijzen wanneer in het debat over de Europese politieke samenwerking een beroep op het morele fundament onder die samenwerking steeds verder naar de achtergrond verdwenen is, maar de beweging is onmiskenbaar. In de tumultueuze maanden rond de val van de Berlijnse muur in 1989 of de grote uitbreiding van de unie in 2004 viel achteraf bezien op hoe weinig de oorspronkelijke boodschap van vrede, verbroedering en verzoening nog weerklonk. Voor het debat over de Europese grondwet zoals dat in aanloop naar referenda in Frankrijk en Nederland in 2005 gevoerd werd, gold grofweg het zelfde. Pas op het moment dat verschillende peilingen lieten zien dat de grondwet door een meerderheid van de Nederlandse kiezers afgewezen zou worden, kwam er bij monde van minister van justitie Piet Hein Donner de waarschuwing dat daarmee oude demonen van oorlog en geweld opnieuw wakker konden worden. Het waren woorden die in het publieke debat vooral op een luid hoongelach konden rekenen, zeker ook omdat de regering onder leiding van Jan Peter Balkenende tot dan toe campagne gevoerd had onder de leuze ‘Europa, best belangrijk’. Dan een potentiele oorlog opvoeren als gelegenheidsargument was ook niet sterk.
De verlegenheid om inzake de Europese politiek grote woorden te spreken over de lotsverbondenheid van de diverse Europese volkeren en de morele dimensie in de politieke samenwerking te onderstrepen is makkelijker te constateren dan te verklaren. De politicoloog Peter Mair heeft in een interessant boek onder de titel Ruling the Void laten zien hoe de Europese politiek zeker sinds de jaren zestig bevangen werd door een technocratische en juridische logica. Mair wees daarbij vooral op het proces dat politieke partijen steeds meer onderdeel werden van de bureaucratische sfeer van de staat. In plaats van te opereren als verbinding tussen burgers en overheid, werden partijen steeds sterker een representant van de overheid richting de burger. Mede omdat Europese politiek gezien de complexe samenwerking tussen de lidstaten zo ingewikkeld is, verdween als het ware de morele overtuiging meer en meer uit het debat.

Overwinningskrans

Dit wordt echter in toenemende mate problematisch. Hoewel het beeld diffuus is, uit de Eurobarometer blijkt bijvoorbeeld dat politieke samenwerking op tal van terreinen nog altijd kan rekenen op steun van een stabiele en ruime meerderheid van de bevolking, lijkt de steun voor het Europese project onzekerder geworden. Het zou wat al te gemakkelijk zijn vervolgens te volstaan met een simpel pleidooi het vanaf nu maar eens anders te gaan doen. In de eerste plaats omdat nu de oude verhalen van Schuman en anderen opnieuw naar voren brengen waarschijnlijk geen effect zal sorteren. De tijden zijn sinds de vroege jaren vijftig wel veranderd en de ervaringen van crisis en oorlog die een zo diepgravende invloed hadden op de ontwikkeling van dit denken zijn niet zo maar meer op te roepen. In de tweede plaats is het een zwaktebod. In het debat over de stand van de politiek, zowel op Europees als op nationaal niveau, is het aantal beschouwers dat politici oproept nu eindelijke eens visie te tonen bijna niet meer te tellen, maar die oproep is altijd aan anderen. “De overwinningskrans wordt alleen maar beloofd aan mensen die strijden”, wist Augustinus. Kernvraag zou wat mij betreft momenteel dan ook niet moeten zijn wat anderen – de politiek, de media – te doen staat, maar wat we zelf kunnen doen. Ik onderscheid twee verantwoordelijkheden.
In de eerste plaats is het aan eenieder vanuit zijn of haar eigen politieke of levensbeschouwelijke positie een visie op Europese samenwerking naar voren te brengen die verder gaat dan de vraag of die samenwerking in ons belang is of niet. Fundamentele ervaringen als het sterven van mensen tijdens de overtocht in gammele bootjes, de erbarmelijke omstandigheden in vluchtelingenkampen in Griekenland, maar ook de groeiende onzekerheid bij steeds grotere groepen Europese burgers die zich in toenemende mate alleen voelen staan in een wereld die steeds minder geborgenheid biedt vragen om een antwoord. Zoals Feltin begin jaren vijftig zijn geloofsgenoten opriep zich in geestelijke zin te verenigen, zo zou je nu ook van religieuze leiders een perspectief verwachten op de principiële lotsverbondenheid van mensen over grenzen heen. Daarmee in samenhang is het in de tweede plaats zaak om niet te zwijgen wanneer de ‘nationale geest’ die Schuman vooral in de negentiende eeuw lokaliseerde op de weg terug lijkt. Want er mag uit peilingen zoals de Europese barometer dan brede steun voor Europese samenwerking blijken, in het publiek debat is het nemen van stelling voor meer Europa een relatieve zeldzaamheid. Juist op een moment dat de unie onder zware druk staat, van binnenuit en van buitenaf, is het zaak opnieuw expliciet te maken waarom deze speciale vorm van internationale samenwerking eigenlijk van waarde is.

Principiële lotsverbondenheid

Op de eerst zondag van de advent in 1949 trok een groep studenten door de straten van Nijmegen om te laten zien wat zij op de eerste congressen van Pax Christi in het Duitse Kevelaer en het Franse Lourdes hadden meegemaakt. In dagblad De Gelderlander schreven twee van hen dat zij stonden voor ‘een geestelijke beweging van gebed en bezinning’ die een achtergrond kon vormen ‘waartegen alleen het werk van de voormannen van een vernieuwd Europa’ kon plaatsvinden. In onze tijd staat, in Europa zelf en aan de randen en grenzen ervan, de menselijke waardigheid onder druk. Als er een moment is dat het aan iedereen die zich verantwoordelijk voelt voor de principiële lotsverbondenheid met mensen van elders is om op weg te gaan die verantwoordelijkheid ook concreet handen en voeten te geven, is het nu wel. Dat kan vanuit een eigen overtuiging, of die nu religieus gekleurd is of niet, en via een zelfgekozen politieke weg. Maar het moet wel gebeuren, want als de Europese politiek iets nodig heeft dan is het een hernieuwd moreel fundament, dat naar mijn overtuiging gevonden kan worden in het uitgangspunt dat niemand er in onze steeds complexer wereld alleen voor zou mogen staan.

Maarten van den Bos (1984) is historicus. Hij werkt voor de Banning Vereniging, voor onderzoek naar en discussie over de verhouding tussen religie, levensovertuiging en sociaaldemocratie. In 2019 verschijnt van zijn hand een geschiedenis van deze vereniging, die dit jaar honderd jaar bestaat, in de bredere context van de geschiedenis van het religieus socialisme in Nederland.