‘Een zuchtje, niet meer dan flut’

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
‘Een zuchtje, niet meer dan flut’ is het menselijk bestaan volgens het bijbelboek Prediker. Is Prediker daarmee een cynicus of scepticus? Allerminst, meent Alex van Ligten. Prediker houdt van het leven, maar neemt geen genoegen met goedkope praatjes. “Van dat geploeter waar hij het over heeft, ziet hij wel in dat het soms onvermijdelijk is, maar hij raadt ons sterk af daar onze levensvervulling in te zien.”

Tekst: Alex van Ligten

‘s Middags had ik me een slag in de rondte gewerkt om de vertaling van Prediker op tijd klaar te hebben, daarna was ik nog net voor sluitingstijd het kerkelijk bureau binnengestormd om mijn kopieën voor het leerhuis van die avond te draaien en daarna kwam ik tamelijk uitgeput thuis waar mijn zoon zou komen voor het avondeten. Aan de in allerijl in elkaar gedraaide maaltijd vertelde ik hem van mijn race tegen de klok. Zijn commentaar was: “Dat lijkt me allemaal niet erg bij Prediker passen.”
Dat klopte. Als ik aan de Prediker denk, zie ik hem op zijn gemak door Jeruzalem kuieren, met wat leerlingen bij zich, op wie hij zijn spreuken en levenslessen uitprobeert. Je kunt bij hem op adem komen – sterker nog: het mensenbestaan ís adem: ijler dan ijl, een zuchtje, een ademtocht.

“Woorden van Prediker, Davids zoon, koning te Jeruzalem.” Dat is de aanhef van het boek. Een verwijzing naar de wijze koning Salomo. Dat betekent niet dat het boek door Salomo zelf is geschreven, maar dat het in zijn traditie van wijsheid wil staan. ‘Davids zoon’ is bovendien een aanduiding voor de Messias. Dus het is een messiaans geschrift en de schrijver zegt: ‘Ik was koning’, zoals mijn kleinzoon tegen mij zegt als we gaan spelen: “Ik was een T-Rex en jij een mammoet.”

Praktische wijsheid
‘Wijsheidsliteratuur’ heet het rijtje bijbelboeken waartoe Prediker behoort. Ook Spreuken en Job worden ertoe gerekend, alsmede delen uit andere boeken, zoals de Jozefverhalen aan het slot van Genesis. Ze zijn, elk op een eigen manier, bezig met de vraag naar de zin van het leven, de vraag hoe je als verantwoordelijk mens reageert op wat ons in de eerste vijf bijbelboeken, de Torah (de Richtingwijzer) en de woorden van de profeten is gegeven.

Bij ‘wijsheid’ moeten we hier vooral denken aan filosofie die zich liever bezighoudt met actuele vragen dan met het nauwgezette onderzoek van diepere gedachtegangen en het definiëren van abstracte begrippen. Meer Stine Jensen dan Heidegger.

In de Bijbel is de wijsheid op de praktijk van het dagelijks leven gericht. Het Hebreeuwse woord voor wijsheid is via het Jiddisch in het Nederlands gekomen: goochem. Een zekere slimheid, of nog beter: een manier om op een situatie adequaat te reageren. Wijs is bijvoorbeeld Jozef als hij de koning van Egypte een bruikbaar advies geeft om toekomstige misoogsten op te vangen.
De boeken Spreuken, Job en Prediker leggen elk hun eigen accenten en zijn met elkaar in discussie over levenservaringen en hoe je die in verband met God kunt brengen.

Het Spreukenboek zegt dat je, als maar goed naar God luistert en rechtschapen bent, een voorspoedig en welvarend leven zult hebben. Dan komt het boek Job met het verhaal van iemand die in alle opzichten aan de profielschets voldoet, met wie het echter allesbehalve goed gaat. Job is een kritisch commentaar op het veel te eenzijdig positief denken van de Spreukendichter.

En Prediker vindt op zijn beurt: als je al die vragen bent doorgegaan, als je alle mogelijkheden hebt onderzocht, houd je als essentie van het menselijk leven over: eten en drinken, aandachtig genieten van de dagelijkse weldaden, omdat God ons daarin het eigenlijke schenkt. De methode: niets bij voorbaat zeker weten, altijd kritisch blijven kijken, en je ook als discipel van een wijsheidsleraar houden aan het advies van Bob Dylan: Don’t follow leaders.

Brood op water
De Hebreeuwse naam van het boek Prediker is Qohèlet. Dat komt van een werkwoord dat ‘bijeenroepen’ betekent, ‘verzamelen’. Was hij een figuur die mensen bijeen riep om ze te onderrichten, of slaat het verzamelen ook op de spreuken en de wijsheid die hij vergaarde? Het verwante woord qahal is Hebreeuws voor de bijeenkomst van het volk. Vandaar de Griekse naam voor het boek Ekklesiastes, van ekklesia, gemeenschap, volksvergadering, later ook de aanduiding voor de kerk. Toen Luther voor zijn bijbelvertaling een goede titel zocht, kwam hij uit bij Prediger. Dat was voor hem (met de protestantse nadruk op de Woordverkondiging) dé centrale figuur in de gemeente. Onze vertalingen hebben deze benaming overgenomen.

De Hebreeuwse naam zaait enige verwarring: -et is een vrouwelijke uitgang. ‘Verzamelaarster’ of ‘Predikster’ zou het moeten zijn. Daarmee we kunnen van Qohèlet helaas geen feminist(e) maken: van teksten als Prediker 7, 26+28 – het hart van een vrouw heet daar ‘een klapnet’, haar handen ‘ketenen’ –  zijn is de betekenis onhelder, maar vrouwvriendelijkheid valt er zeker niet in te ontdekken!

Het boek is ontstaan in de 3e eeuw voor Christus. Dat weten we omdat er woorden in voorkomen die pas rond die tijd in Israël gebruikt zijn (bijvoorbeeld het woord pardees in 2,5, dat uit het Perzisch komt en ‘park’ betekent; ook het Grieks nam dit woord over, en zo kwam het woord ‘paradijs’ in onze taal terecht). Behalve buitenlandse leenwoorden kwam er ook buitenlands gedachtegoed binnen: Qohèlets wijsheid vormt ook een reactie op de Griekse filosofie, die alles meende te moeten en te kunnen verklaren.

Een voorbeeld vinden we in de vreemde tekst uit 11,1: “Werp uw brood uit op het water, en gij zult het vinden na vele dagen.” De grofste uitleg die ik hierover vond was dat ons hier een bijbelse fundering voor de handel overzee in gegeven werd!

Waarschijnlijker is dat Qohèlet reageert op een uitspraak van de Griekse dichter Theognis (6e eeuw v.C.), die de raad gaf om geen mensen te helpen die op hun beurt niets voor jou konden betekenen. Dat laat hij vergezeld gaan van de woorden: ”Je gooit je brood toch ook niet in het water?” Daar gaat Qohèlet tegenin met zijn uitspraak dat je vooral níet terughoudend moet zijn in je vrijgevigheid. Geef juist iets aan degene van wie je weet dat hij jou niets kan teruggeven.

Qohèlet wijst ook de mannetjesputters van zijn tijd terecht met hun filosofie dat iedereen die maar genoeg zijn best doet, het wel redt. Hij verzet zich tegen het idee dat rijkdom en financieel binnenlopen ook maar iets te maken zouden kunnen hebben met de essentie van het leven.

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.