Een reiszegen van Mozart

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
In Mozarts opera Così fan tutte zijn alle personages echt, ook in hun onwaarachtigheid, en stuk voor stuk moeten ze door schade en schande wijs worden. Met hemzelf is het niet veel anders, schrijft Victor Bulthuis. Maar: “De milde wind waarover Dorabella, Fiordiligi en Don Alfonso zingen, heeft mij de schijnveiligheid van mijn vroegere haven doen verlaten en met vertrouwen, onbevangenheid, liefde en humor zee doen kiezen.” Met dit essay won Victor Bulthuis de eerste prijs in de Volzin-schrijfwedstrijd. Tekst: Victor Bulthuis Beeld: Hollandse Hoogte

Uitvoering ‘Cosi fan tutte’, Staatsoper, Hamburg, 2018.

Het was in de nadagen van mijn filosofiestudie. Op een zaterdagochtend werd ik wakker, maar had nog geen zin om op te staan. Ik draaide me dus nog eens om, maar vlak voor ik weer indommelde waaide me vanuit het schemergebied tussen waken en slapen ineens muziek tegemoet:
Soave sia il vento,
tranquilla sia l’onda,
ed ogni elemento
benigno risponda
ai nostri desir.
‘Laat mild de wind / en kalm de zee zijn / en elk van de elementen / welwillend antwoorden op onze verlangens.’ Waarom juist het afscheidsterzet uit de eerste akte van Mozarts opera Così fan tutte me op die zonnige ochtend kwam aanwaaien? Van uitslapen kwam in elk geval niets meer; neuriënd stond ik op en zette de radio aan. Klaarwakker was ik toen deze het terzet van me overnam. Klaarblijkelijk zat de muziek in de lucht, zodanig dat niet alleen de radio maar ook ikzelf als ontvanger fungeerde. Een wenk van de hemel, een ademtocht van de Geest die waait waarheen hij wil?
Ruim twintig jaar later beschouw ik het terzet als een zegen over mijn levensreis, die ik destijds hard nodig had. Mijn studie had ik weliswaar bijna voltooid, maar wat ik wilde met mijn leven, ik had geen idee. Wie zat er te wachten op een afgestudeerde filosoof zonder werk- of levenservaring, die bovendien – om met Augustinus te spreken – zichzelf één groot vraagteken was? Nauwelijks voorbereid op een arbeidzaam leven en vervuld van existentiële koudwatervrees, vluchtte ik in schoonheid: literatuur en poëzie, beeldende kunst en vooral muziek. Ik leefde om te luisteren en in zekere zin is dat nog steeds zo.

Mantel der liefde

Net als voor de theoloog Karl Barth, een van de weinige theologen die over Mozart hebben gereflecteerd en die enkele mooie stukken over hem schreef, is Mozart altijd een constante in mijn bestaan geweest. Van zijn muziek krijg ik nooit genoeg. Allereerst omdat hij de meest veelzijdige componist is: in alle genres excelleert hij, van de pianosonate tot en met de opera. Hoewel verreweg de meeste composities in de Köchelverzeichnis mij vertrouwd zijn, blijf ik ontdekkingen doen. En terwijl ik door de jaren heen steeds dieper ben doorgedrongen in Mozarts muziek, heeft ze tegelijk mijn bestaan steeds transparanter gemaakt en me geholpen met mijzelf te leven. Vooral de opera Così fan tutte, vanwege de plot en de muziek.

Die plot is even spannend als komisch. De officieren Ferrando en Guglielmo, die pochen op de trouw van hun verloofdes, de gezusters Dorabella en Fiordiligi, gaan een weddenschap aan met de cynische filosoof Don Alfonso. Die beweert namelijk dat alle vrouwen van nature overspelig zijn. Op instigatie van Alfonso doen de heren alsof ze onder de wapenen worden geroepen en nemen afscheid van hun dames. Vermomd als twee Albanese edelen keren ze terug en proberen elkaars verloofde het hof te maken. Dat gaat niet zonder slag of stoot: er is een gefingeerde zelfmoordpoging van de heren nodig om de aandacht van de dames te trekken. Daarbij zorgt het kamermeisje Despina, die onder één hoedje speelt met Alfonso, verkleed als dokter voor genezing. Na veel vijven en zessen gaan de dames, aangevuurd door de vrijgevochten Despina, voor de bijl en wordt er in allerijl een huwelijk gearrangeerd, gesloten door de kamermeid die zich ditmaal voordoet als notaris. Maar o wat een schrik als trompetgeschal de voortijdige terugkeer van Ferrando en Guglielmo aankondigt, waarop de beide Albanezen het hazenpad kiezen. Het huwelijkscontract levert de beide officieren het bewijs van Don Alfonso’s gelijk, maar de ontrouw van hun verloofden wordt met de mantel der liefde bedekt: meer dan ooit betonen de verloofden elkaar hun trouw. Eind goed, al goed – en dat binnen vierentwintig uur.

Van vlees en bloed

Critici kraakten het libretto van Così fan tutte: het zou grotesk en ongeloofwaardig zijn. Alsof Mozart en zijn librettist Lorenzo da Ponte zich daarvan zelf niet bewust waren. Sterker nog, juist door middel van uitvergroting tonen ze aan dat er in de wereld voortdurend met de liefde wordt gespeeld. Hoewel… de titel van de opera betekent letterlijk ‘zo doen zij allen,’ maar het tutte geeft aan dat hiermee de vrouwen worden bedoeld. Feitelijk had er tutti moeten staan, omdat de mannen evengoed de vrouwen belazeren. Vooral door middel van verkleedpartijen, geïnspireerd op de commedia dell’arte. Maar die vermommingen zijn meer dan slechts bedrog: ze doorbreken de standsverschillen tussen de personages zodanig dat er geen aanzien des persoons meer bestaat. En hiermee komen we tot de kern: Mozarts personages zijn geen helden of slechteriken, winnaars of verliezers. Ze zijn geen types, ze vertegenwoordigen geen ideeën of opvattingen. Of ze nu tot de adel of het keukenpersoneel behoren, ze zijn vooral mensen van vlees en bloed. Ieder van hen wordt door Mozart, die de kunst verstond zich in te leven in de meest uiteenlopende karakters, voorgesteld als een uniek individu met fraaie en minder fraaie eigenschappen, spontaan en nooit voorspelbaar. Daarom spreekt de theoloog Karl Hammer, die bij Barth op een studie over Mozart promoveerde, ondanks alle maskerades over een ‘ongeschminkt realisme’. Bij Mozart zijn alle personages echt, ook in hun onwaarachtigheid, en stuk voor stuk moeten ze door schade en schande wijs worden.

Barth heeft dat haarscherp gezien. Mozart, zegt hij, lijkt elk van zijn personages álles te willen geven: “Regen én zonneschijn over deze en gene”, conform Jezus’ uitspraak dat God het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matteüs 5, 45). Dat komt doordat Mozart volgens Barth geen leer of programma verkondigt. Mozart “wil niets zeggen, hij zingt en klinkt alleen maar. En aldus dringt hij de luisteraar niets op, verlangt geen beslissingen of stellingnamen zijnerzijds, maar laat hem juist vrij. De vreugde die men aan Mozart beleeft begint juist daar waar men dit aan zich laat gebeuren.”

Dankzij Mozart en zijn Così heb ik die vreugde leren kennen. Maskerades en verhullingen, hele en halve keuzes, overhaaste of juist achtergehouden liefde, distantie, scepsis en wantrouwen, mitsen en maren, ja’s die eigenlijk nee’s zijn en omgekeerd – ze zijn me allemaal vertrouwd. Maar ik heb ze steeds meer leren zien door de ogen van de componist. In een beroemde voetnoot over Mozart in zijn Kirchliche Dogmatik schrijft Barth dat Mozart “geheel zonder ressentiment en onpartijdig” naar de geschapen wereld luisterde. Al luisterend heb ik mijzelf geoefend in dat onbevangen kijken en luisteren, een nimmer eindigende levensopdracht.
Waar theologen en filosofen over Mozart spreken, grijpen ze al gauw naar predicaten als ‘hemels’ en ‘goddelijk’. Voor mij is hij vooraleerst aards, omdat het menselijke bij hem voorop staat. Maar precies in die aardsheid heeft hij ook iets hemels en goddelijks. Wie niet-oordelend naar mensen kijkt, kijkt met de ogen van God: “Oordeel niet, opdat er niet over jou geoordeeld wordt” (Matteüs 7,1). Karl Barth: “Dat is het eigenlijk opwindende en geruststellende van zijn muziek: ze komt waarneembaar uit een hoogte (waar men van alles op de hoogte is!), van waaruit het bestaan van links tot rechts, alsmede de vreugde en smart, goed en kwaad, leven en dood in hun realiteit, maar ook in hun begrensdheid worden overzien.”

Aanstekelijk lachen

Così fan tutte is een zogeheten dramma giocoso, dat wil zeggen een mengeling van ernst en luchthartigheid – “vrolijke diepzinnigheid”, aldus de schrijver Henri Ghéon. Het is een dramma omdat de ontknoping gemengde gevoelens oproept: de geliefden beloven elkaar eeuwige trouw, maar omdat er zoveel is gebeurd, is hun toekomst ongewis. Ze zullen voor hun liefde moeten blijven knokken. Er wordt ook geen berouw of vergeving uitgesproken; in plaats daarvan spoort Don Alfonso de geliefden aan tot het hervinden van hun kalmte en evenwicht – en tot lachen: “Hier jullie handen: jullie zijn bruid en bruidegom. Omhels elkaar en zwijg. En lach nu maar alle vier; ik heb al gelachen en zal het nog doen.” Daarom is Così ook giocoso: niet alleen vanwege de komische verwikkelingen, maar ook omdat het stuk de hoorder doet lachen om anderen en daarmee om zichzelf, doordat hem een spiegel voor te houden.
In Hermann Hesses roman De steppewolf treedt een lachende Mozart op. De hoofdpersoon Harry Haller, die – net als ik eertijds – uit verachting en vrees jegens de wereld vlucht in schoonheid, ziet de componist in de weer met een radio, die al ruisend en knetterend muziek uitspuugt. Harry’s afkeer van het apparaat wordt door Mozart gepareerd met een huiveringwekkend en tegelijk zalig en aanstekelijk lachen, de lach van de onsterfelijken. Want kan de ruis van de radio, metafoor voor het woeden der wereld, dat wat schoon is werkelijk aantasten? “Leert u liever eerst luisteren!” zegt Mozart. “Leert u ernstig te nemen wat het waard is ernstig te worden genomen, en te lachen om het overige!” Ook de componist Olivier Messiaen hoort Mozart lachen, hoewel wat milder. Hij schreef er een orkestwerk over, Un sourire (‘Een glimlach’), waarover hij zegt: “Ondanks al zijn zorgen en ontberingen, honger, kou, onbegrip en de nabijheid van de dood, glimlachte Mozart altijd. Zijn muziek glimlacht eveneens.”
Mozart heeft me geleerd hoe bevrijdend het “glimlachend beamen van mijn eigen onvolkomenheid” (Karl Hammer) kan zijn. Hij heeft me mijn bestaan leren zien als een dramma giocoso, waarin ondanks – of juist dankzij – de vele verwikkelingen veel te lachen valt. Nu eens is dat een glimlach, dan weer een schaterlach.
De milde wind waarover Dorabella, Fiordiligi en Don Alfonso zingen, heeft mij de schijnveiligheid van mijn vroegere haven doen verlaten en met vertrouwen, onbevangenheid, liefde en humor zee doen kiezen. Waar die wind mij nog zal brengen, wie zal het zeggen? Hoe dan ook, met Mozarts reiszegen durf ik het aan.

Paspoort

Victor Bulthuis (49) studeerde journalistiek in Zwolle, filosofie in Nijmegen en theologie in Utrecht. Hij werkt als priester in de rooms-katholieke parochie Maria Magdalena (Betuwe) en schrijft als publicist voor verschillende periodieken. Hij vertaalt poëzie van Goethe. Onlangs verscheen van zijn hand Al is je haar ook wit, je zult beminnen. De liefdes van de oude Goethe (uitgeverij Flanor, Nijmegen). Verder leest hij alles wat los en vast zit, speelt wat piano en is een gepassioneerd luisteraar van (klassieke) muziek.
Over zijn motivatie om mee te doen aan de Volzin-schrijfwedstrijd zegt hij: “Muziek is voor mij dé manier om van het leven te houden, het in zijn veelvormigheid en grilligheid te omarmen. Mijn essay is een liefdesverklaring aan het adres van de componist aan wie ik – zonder overdrijving – sinds mijn jeugd een belangrijk deel van mijn levensgeluk te danken heb, en die daarom alles te maken heeft met de essentie van mijn bestaan: Mozart. Ik leef om naar Mozart te luisteren, en door naar Mozart te luisteren leef ik.”