Duurzaamheid begint bij jezelf

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Duurzaam bouwen en wonen, zonne- en windenergie, minder CO2-uitstoot: Nederland neemt maatregelen om te voldoen aan internationale afspraken over het klimaat. Maar is dat het klimaat alleen een zaak voor overheid en bedrijfsleven? Of wordt er ook iets van burgers zelf gevraagd?

Tekst: Elise de Waal Beeld: ANP Foto

Wie de klimaatplannen van regeringspartij VVD volgt, kan de indruk krijgen dat klimaatbeleid geen directe gevolgen voor burgers hoeft te hebben. De partij vindt een beter klimaat weliswaar erg belangrijk, maar meent dat een klimaatbeleid dat gericht is op het terugdringen van de opwarming van de aarde prima samen kan gaan met economische groei. Anders dan de VVD realiseren steeds meer burgers zich echter dat de huidige economie met de bijhorende groei en consumptie wel degelijk bijdraagt aan een verslechtering van het klimaat. Onder hen niet op de laatste plaats de jongeren die afgelopen weken in tal van Europese landen de straat opgingen om te betogen voor een beter klimaatbeleid. Deze ‘klimaatspijbelaars’ kregen intussen het verwijt van hypocrisie over zich heen: een deel van hen gaat jaarlijks meerdere keren op vliegvakantie of stilt zijn honger bij McDonald’s. Een kern van waarheid zit daar natuurlijk wel in. Vliegen en veel vlees eten zijn zeker niet duurzaam. Die kritiek treft niet alleen jongeren maar ouderen evenzeer. Een recent rapport van onderzoeksbureau I&O Research laat zien en andere onderzoeken laten zien dat Nederlanders van álle leeftijden nog flinke stappen kunnen zetten in het verduurzamen van hun levensstijl.

Lokale kansen
De vraag is intussen wel: hoe duurzaam willen en kúnnen burgers zelf zijn? Volgens Gijs van Oenen, auteur van het boek De Overspannen Democratie en docent sociale en politieke filosofie, zijn er grenzen aan actief burgerschap. Hij ziet mogelijkheden in het deelnemen aan kleinschalige projecten in het publieke domein, bijvoorbeeld het aanschaffen en exploiteren van zonnepanelen en windmolens. Burgers zien dan eerder dan bij allerlei grootschalige projecten terug wat er met hun inbreng gebeurt. Kleinschalige projecten zijn overzichtelijk. Dat helt burgers om zich beter te kunnen inleven in mensen met andere ideeën en belangen. Bij grootschalige projecten is dat moeilijker.
De Vlaamse filosoof Ignaas Devisch stelt dat je inleven in anderen – empathie – moeilijker wordt naarmate de fysieke en/of emotionele afstand tot die anderen groter is. Mogelijk geven mensen daardoor eerder geld aan slachtoffers van natuurrampen dan dat zij hun eigen consumptiegedrag zouden veranderen vanwege het klimaat. Denk aan de aanschaf van kleding: kledingproductie is wereldwijd verantwoordelijk voor drie procent van de CO2-uitstoot, maar daar merkt de Nederlandse consument weinig van.
Ook volgens David Renkema, voormalig directeur van de in 2018 opgeheven oecumenische stichting Oikos, kun je burgers goed betrekken in projecten op regionaal en lokaal vlak. In zijn boek Geloven in een betere wereld beschrijft Renkema hoe Oikos onder andere in moestuinen, groene kerken en initiatieven voor duurzamere energievoorziening een grote persoonlijke betrokkenheid zag. Bij dergelijke projecten is het volgens hem wel belangrijk om ervoor te zorgen dat burgers enerzijds niet overbelast raken maar dat de mondiale context ook niet uit het oog wordt verloren. Renkema spreekt in dit verband over de noodzaak van wat hij noemt ‘pleisterplaatsen’. Dergelijke plekken – denk aan bezinningscentra, kerken, kloosters – bieden mensen ruimte voor bezinning, reflectie en moreel beraad. Deze plekken zouden zich veel meer dan nu gebruikelijk is, kunnen richten op maatschappelijke kwesties. De ‘groene kerken’ vormen intussen al wel een geslaagd voorbeeld van wat Renkema beoogt.

Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.