Dichterbij Paul van der Velde

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:

Tekst: Bert van der Kruk

Gedicht zonder titel
Wie heb je geaccepteerd en wie heb je verworpen?
Aan vier zijden omcirkeld weerklinkt er een schreeuw.
Om reden van zijn vlees is het hert zijn eigen vijand.

Bhusuku de jager verlaat het hert nog geen moment.

Het hert raakt geen grasspriet aan,
drinkt geen water.
Het hert kent de verblijfplaats van de hinde niet.

De hinde spreekt tegen het hert:
‘Luister hert! Verlaat het woud,
wees als een zwervende dwaas.

In de snelheid zijn de hoeven van het hert niet eens te zien.
Bhusuku zegt: ‘Dit komt het hart van een dwaas niet binnen!’

–Bhusuku, vertaald door Paul van der Velde. Uit: Schemerwoorden (2013).

‘Ik ben net terug uit Nepal van een reis met 26 studenten. Dat was tegelijk mijn vakantie. Zo’n vier keer per jaar kom ik in Azië, ook als begeleider van andere reisgezelschappen. Ik ben bekeerd tot de culturen van Azië. Ik noem mezelf geen boeddhist of hindoe; ik ben in van alles geïnitieerd, maar de overtuigingen in die religies brengen me niet verder. Ik zoek het eerder in de esthetica, in de manier waarop gedichten, verhalen en andere kunstvormen door het leven heen ademen. Dat geeft een enorme steun in het leven: je weet dat je niet de eerste bent die met een bepaald probleem zit, je kunt het pad volgen dat velen voor jou gingen en na jou zullen gaan. Ik ben wat betreft heel weinig bezig met mijzelf als individu. Dat is een heel verschil met wat je vooral in het westers boeddhisme aantreft, waar iedereen continu bezig is met zijn eigen proces. Ik weet dat het gaat om de veel grotere traditie waarin je staat. Dat ervaar ik tijdens die reizen. Ik ben ook niet bezig met verlichting of chakra’s of kundalini. Ik vind het boeiend, ik heb het allemaal bestudeerd. Maar voor mij is religie een menselijk verschijnsel: mensen zoeken oplossingen voor de problemen waarmee ze zitten, en zij zijn daarin niet de eersten. Maar met de oplossingen van de religies kan ik niet zo veel. Ik ben nog nooit een goeroe tegengekomen die mij het lichtend pad aanwees, terwijl ik er honderden heb gesproken. Ze hebben hun eigen waarheid. Maar op dat terrein zijn wij allemaal vreemden, denk ik. Je moet blijven twijfelen, blijven denken: wat is wijsheid nu, wat is mededogen?

Dit gedicht heb ik uit het oud-Bengali vertaald. Het komt uit een serie van vijftig liederen uit de zevende tot negende eeuw na Christus, de tijd waarin het boeddhisme uit India verdwijnt. Ze zijn geschreven in een lastige taal, die de dichters zelf omschrijven als schemertaal; er zit altijd iets dubbelzinnigs in, er zijn meerdere interpretaties mogelijk. Het beeld in de derde zin vind ik prachtig: Om reden van zijn vlees is het hert zijn eigen vijand. Scherper kun je de menselijke conditie haast niet verwoorden. We kunnen niet zonder het lichaam, maar tegelijk is dat lichaam de reden waarom we doodgaan. In het boeddhisme wordt het hebben van een lichaam vaak vergeleken met de vriendschap met een krokodil: je moet het ermee doen, maar hoe goed je hem ook verzorgt en hoeveel je tegen hem praat, zodra hij je hand kan grijpen, doet hij dat. Hoeveel goede werken je ook doet of hoeveel je doneert aan goede doelen, als je van een balkon valt, redden al die karmische verdiensten je niet van de zwaartekracht.

Wat doet het hert? Het probeert zich te onttrekken aan de wereld, het raakt geen grasspriet aan, drinkt geen water. Het weet ook niet waar de hinde verblijft. In deze poëzie staat de hinde symbool voor wijsheid, het hert voor mededogen. Waar die twee samenkomen, treedt verlichting op. Maar ja, het hert zit diep in de wereld, net als wij – wij moeten het hiér doen, we kennen geen andere wereld. En wat zegt de hinde? Luister hert, verlaat het woud. Dat kun je lezen als: verlaat de wereld. Laat de wereld van samsara, met al die wedergeboortes waar het lichaam je vijand is, achter je. Betreed de wereld van het nirwana, waar je geen lichaam zult dragen en bevrijd bent. Nou ja, dat soort gedachten. Geen wonder dat Bhusuku aan het eind zegt: dit snapt helemaal niemand hoor. Verdorie, het is niet eenvoudig, dat leven.”

Paul van der Velde (Someren, 1959) is hoogleraar Aziatische religies aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hij schreef onder meer Schemerwoorden (2013), waaruit onderstaand gedicht afkomstig is, en De Boeddha in het tuincentrum (ook uit 2013).