De stem van het water

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Lotte Jensen (Hillerød, Denemarken, 1972) is neerlandicus en filosoof. Ze werkt als hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze publiceerde onder meer Vieren van vrede. Het ontstaan van de Nederlandse identiteit (1648-1815) en Wij tegen het water. Een eeuwenoude strijd.

Tekst: Bert van der Kruk

Herinnering aan Holland

Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hoge pluimen
aan den einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband.
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

-H. Marsman (1899-1940), uit Verzamelde gedichten (Querido, 1992).

“Tijdens mijn studie Nederlands leerde ik de poëzie van Marsman kennen. Ik vermoed dat toen ook dit gedicht voorbij is gekomen. Aanvankelijk viel ik vooral voor het idyllische begin, het prachtige beeld van het Hollandse landschap waarmee ik me ook als Deense graag verbind. Die eerste iconische regels zijn in ons collectief geheugen gegrift. Ze schetsen een geruststellend, nostalgisch beeld van een land dat er allang niet meer zo uitziet – en juist daarom hechten we er zo aan. Recent maakte ik opnieuw kennis met het gedicht, omdat ik een groot onderzoeksproject leid naar de verwerking van rampen door de tijd heen.

Toen ik het gedicht herlas, maakten juist de dreigende laatste regels indruk, waar het gaat over de vrees voor rampen, het water als eeuwige vijand. Door de klimaatdiscussie en de zeespiegelstijging is dat een heel actuele angst. Die dreigende stem van het water hoort net zo goed bij het Nederlandse landschap en is een soort kern van de Nederlandse identiteit. Denemarken heeft een heel ander landschap en heeft niet zo’n lang heroïsch verhaal over het temmen van de waterwolf.

Ik was tien maanden toen we naar Nederland verhuisden. Thuis hoorde ik de eerste jaren alleen Deens, maar op school kreeg ik al snel de Nederlandse taal en tradities mee. Ik groeide op in Oegstgeest, dus hartje Hollands landschap. We konden zo de polder in fietsen, en ’s winters ook schaatsen: zodra het maar even kon, gingen we de plassen op. Ik las veel kinderboeken over de watersnood van 1953, waarin ik de dreiging van het water leerde kennen. Er was geen reële angst, want ik groeide op in de tijd van de Deltawerken. We leefden dan wel vier meter onder NAP, maar we waren veilig.

De generatie van de toekomst zal eerder de angst kennen die Marsman aan het eind schetst. Dat slot laat goed zien hoe Nederlanders eeuwenlang omgingen met watersnoodrampen. Het weerspiegelt een houding die je als deemoed kunt typeren, het besef dat de mens nietig is tegenover de natuurkrachten. In oudere teksten is geen sprake van heroïek, van luctor et emergo, maar veel meer het idee: het is niet zeker of wij het gevecht met het water wel zullen winnen. Vaak zijn ze doortrokken van godvruchtigheid en straf-op-de-zondetheorieën. Bij Marsman is dat niet het geval; toen dit gedicht in 1936 verscheen, had hij afstand genomen van het christendom. Maar je ziet bij hem wel het besef van nederigheid, van het idee dat de mens ondergeschikt is aan bredere natuurfenomenen. Zijn gedicht is zo een uitloper van die veel langere Nederlandse traditie waarin de mens accepteert dat er eens in de zoveel tijd een ramp voorbijkomt.

Ik woon nu in de Betuwe; niet echt ‘veilig’ als het om het water gaat. Het karakteristieke landschap van Marsman vind ik hier om de hoek. Ik fiets elke dag vanuit Elst over de brug bij Nijmegen en zie daar de imponerende waterwerken om de rivier ruimte te geven. Ik denk er zelden aan dat het mis kan gaan. Maar begin vorig jaar dreigde de Waalkade te overstromen. Ik ben gaan kijken en zag het water een paar centimeter onder de dijk staan. Heel fascinerend en tegelijk angstaanjagend. Wacht even, denk je dan, die massa water hebben we niet per se in bedwang. Ik interpreteer de stem van het water niet religieus, zoals je in dit gedicht ook kunt doen. Maar ik denk wel: de mens is nietig en er zijn grotere krachten om ons heen waaraan we onderworpen zijn. Niet alles is maakbaar.”

Lees dit artikel en vele andere nu in Volzin. Nog geen abonnee? Klik dan hier.

 

LEES OOK: ‘Graven naar een hart van goud’, waarin Thomas Quartier vertelt over de protestliederen van Neil Young cum suis.
Zie ook de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl), waar teksten van en over Hendrik Marsman zijn opgenomen.