Dichterbij Guido de Bruin

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:

Tekst: Bert van der Kruk

Een psalm (fragment)

(…) En zo ben jij
groot geworden, groter dan ik,
God. En zo werd je
almachtig, de vader van het bange kind,
levend water en een kraaiende haan
en het licht dat er was
toen ik vroeg of jij met me zou zijn.
Zo ben jij een leven gaan leiden.

En zo ben ik
in jou klein geworden.
Dat ging niet goed.
En ik werd zo
weinig dat jij vlees werd,
woord. En zo ben ik
opgegaan in het zwijgen van het bange kind,
stenen tafelen en het kraaien van een haan,
in het licht dat er was
toen jij zei dat ik stil moest zijn.
Zo ben ik klein geworden.

En toen ben ik
uit je opgestaan.
Dat deed pijn.
En toen ging ik

me zien, dat ik alleen was,
vlees. En zo zag ik
me in hoofd, schouders, knie en teen,
volle handen en een kraaiend kruis,
in het licht dat er was
toen ik keek naar de zon op mijn voeten.
Zo ben ik opgestaan. (…)

-Hans Kloos (1960), uit Nieuwe Psalmen (Parmentier, SUN, 1995). Volledige tekst op: www.dbnl.org.

‘Dit gedicht beschrijft een religieuze ontwikkeling waarin ik sterk mijn eigen ontwikkeling herken. Er is me veel over je verteld, is de eerste zin. Omdat er Psalm boven staat, denk je onmiddellijk aan God. De ik-figuur beschrijft hoe hij is ingewijd in het mysterie van God en hoeveel hem daarvan is bijgebleven: soep en kwartels, lemen voeten en een kraaiende haan. Maar de innige relatie die zo ontstond, liep op een gegeven moment spaak: God werd steeds groter en de ik-figuur steeds kleiner, waardoor er heel weinig van hem over bleef. Hij benoemt dat mooi: zo ben ik in jou klein geworden. Het gedicht eindigt met een nieuwe verhouding, die de ik-figuur al vertellend kan uiten. Zo ben jij mijn verhaal geworden, is de laatste zin. Dat spreekt mij aan omdat ik mij in de vele jaren dat dit gedicht met me meegaat ook ontwikkeld heb als verhalenverteller. Ik vertel vaak bijbelverhalen vanuit het perspectief van één personage. Die figuren laten me niet los, kennelijk omdat ze me nog steeds iets te zeggen hebben. Impliciet of expliciet zit in die verhalen altijd de vraag naar God: waar is die dan, is hij er überhaupt?

Ik kom uit de Alblasserwaard, uit een gereformeerd gezin – en dat betekent in die omgeving relatief licht. Maar geloof speelde in ons gezin wel een grote rol. Ik ben niet opgevoed met het beeld van een straffende God, maar heb daarvan wel iets geïnternaliseerd. Al jong was ik bezig met de vraag: wat verwacht God van mij, wanneer ben ik goed genoeg? Zonder dat mijn ouders dat erin geramd hadden, had ik het idee dat ik mensen moest bekeren. Als ik ooit in de hemel wilde komen, werd er wel iets van me verwacht. Maar ik was een heel verlegen jongetje, dus ik zag er enorm tegenop om mijn vloekende vriendjes op de voetbalclub over de Here Jezus te gaan vertellen. Ik worstelde daar mee. Lange tijd heb ik op mijn vader willen lijken, die zich met hart en ziel voor de kerk inzette, in allerlei functies, meestal als voorzitter. Het geloof vraagt wel iets van je, kreeg ik daardoor impliciet mee. Je moet je naar vermogen inzetten voor het Koninkrijk, dus hup, schouders eronder.

De wending in het gedicht vind ik prachtig: toen ben ik uit je opgestaan. Volgens mij is de ik-figuur hier vooral uit een godsbeeld opgestaan, het knechtende beeld van God. Het kan pijnlijk zijn om dingen achter je te laten, maar in mijn ervaring ook heel heilzaam. Ik ben voor mezelf steeds minder woorden gaan gebruiken om te omschrijven wie God is. Als ik toch iets over hem of haar zou moeten zeggen, is het: onvoorwaardelijke liefde. Ik ben God gaan zien als een dragende grond. Dat betekent een omkering van het gevoel dat ik vroeger had: ik hoef niet van alles te bewijzen of aan verwachtingen te voldoen om aangenomen te worden, maar probeer te leven vanuit het besef dat ik onvoorwaardelijk bemind ben. Dat is eerder een geleidelijke ontwikkeling dan een moment van opstanding geweest – maar eigenlijk komt het daar wel op neer. De kiem werd gelegd nadat ik in Rotterdam geschiedenis was gaan studeren, op een moment dat het geloof me heel weinig meer zei. De eerste keer in de studentenkerk ervoer ik als een enorme verademing. Zo kan het dus ook, dacht ik. Minder stellig, met meer ruimte voor vragen en twijfel. Het ging in die eerste dienst over Elia in de woestijn, die van een engel te horen kreeg: ‘Elia, sta op’. Ik had het idee dat die oproep ook tot mij gericht was.” ●

Guido de Bruin (Alblasserdam, 1966) is verhalenverteller, identiteitsadviseur bij Verus (vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs) en oud-journalist. In maart verschijnt van zijn hand een serie bijbelmonologen onder de titel Dicht op de huid (uitgeverij Berne Media). Zie voor speellijst: www.guidodebruin.net.