Denkers van nu: Ludwig Wittgenstein

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Wat kunnen wij weten? Wat mogen wij hopen? Wat moeten we doen? Dat zijn de eeuwige vragen van de filosofie. Elze Riemer geeft het antwoord van twaalf ‘denkers van nu’ en legt daartoe haar oor te luisteren bij kenners. Aflevering 1: arts en filosoof Bert Keizer over Ludwig Wittgenstein. “Als je Wittgenstein leest, valt er een hele hoop van je af. Het is niet dat je veel bijleert, er valt vooral heel veel van je af. Hij is steeds bezig om onze betovering door taal, onze misverstanden over taal, te doorbreken.”

Tekst: Elze Riemer

Voor de meesten van ons is het werk van de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) moeilijk te begrijpen. Laat staan dat we het op waarde weten te schatten. Een grote en belangrijke denker, zo wordt ons verteld. Maar waarom dan? Arts en filosoof Bert Keizer (1947, Amersfoort) legt het ons uit. In 2000 schreef hij het boek: Ludwig Wittgenstein: Taal, de dwalende gids, voor mensen die nog niks van hem afweten. Hierin beschrijft hij met veel plezier en enthousiasme het leven en werk van de filosoof.
De geheel nieuwe wijze waarop Wittgenstein naar taal kijkt ervaart Keizer als een groot avontuur. Hij stelt dat de filosofie van Wittgenstein ons niets oplevert, maar ons juist een hoop afleert. Precies daarin vindt Keizer rust en troost; op zijn sterfbed zou hij het boek Over zekerheid van Wittgenstein graag voorgelezen krijgen. Toch schrijft ook Keizer voorin zijn boek: “Ik ben blij als ik er iets van begrijp.”

Wittgenstein wordt ook wel een filosoof voor filosofen genoemd. Kan een gewoon mens ook iets met zijn filosofie?
“Voor veel mensen is Wittgenstein ontoegankelijk. Ik denk omdat hij een filosoof is die een aantal problemen oplost waar je eerst wel in vast moet zitten, wil je wat aan hem hebben. Hij streed tegen een bepaalde verwarring in taal, die je wel als verwarring moet ervaren wil je zijn filosofie als verlossing ervaren. Hij heeft gezegd: ‘Filosofie is de strijd tegen de betovering van ons intellect door de taal’. Wat je ook zou kunnen zeggen is: ‘Filosofie is de strijd tegen de betovering van ons intellect door Plato’. Neem de betovering in mijn eigen achtergrond. Ik kom uit een katholiek wereldbeeld. Daarin is de aarde een voorbereiding op wat hierboven, hierachter of hierna komt – een ander veel interessanter en essentiëler leven, dat eeuwig overeind blijft. Plato is de filosoof die als eerste daar een redenering aan heeft verbonden, aan wat die eeuwigheid eigenlijk betekende. Eeuwigheid betekende voor hem zoveel als een altijddurende, nooit voorbijgaande vastigheid. Hij sprak ook over het ware, het mooie en het goede, dat buiten de tijd overeind blijft. Waar Nietzsche je uit dat denken en de platonische hemel trapt, leidt Wittgenstein je eruit, op een hele mooie en subtiele manier.”

Waarom moet je uit dat denken geleid worden?
“Omdat er niks eeuwigs is. De geschiedenis van de filosofie over de afgelopen twintig eeuwen is een heel langzaam omlaagdalen uit de platonische hemel, om uiteindelijk op de planeet aarde terecht te komen. We zitten nu met de missie om onszelf uit te leggen, in termen die geheel ontleend zijn aan de oppervlakte van deze planeet. Het heeft geen zin om te zeggen: ‘het goede komt van…’, of ‘het mooie komt van…’ – daar zijn we van af. We staan nu bij wijze van spreken met drie benen op de grond. Wittgenstein is ons hierin voorgegaan. En bij iedere poging van ons om weer de lucht in te gaan, haalt hij ons terug.”

Waarom bent u zo enthousiast over Wittgenstein?
“Ik word gelukkig van Wittgensteins filosofie, zoals ik vrolijk word van de muziek van de Beatles. Het is een intrinsieke vreugde, zoals andere kunstvormen dat ook zijn. Ik ben enthousiast over Wittgenstein, maar ik ben niet enthousiast over wat mensen denken dat het effect van filosofie is. Dat je op een of andere manier te rade kan gaan bij filosofie, om er iets uit te putten voor de invulling van je dag. Onzin. Je zegt toch ook niet na afloop van een concert: wat moet ik hier verder mee vandaag? De vreugde zat in het luisteren. Bij Wittgenstein zit de vreugde in het denken. Hij is een van de leukste filosofen om te lezen, omdat het een heerlijk avontuur is. Als je hem leest, valt er een hele hoop van je af. Het is niet dat je er veel bijleert, er valt vooral heel veel van je af.”

Hij leek er zelf niet al te veel lol in te hebben. Het was een getormenteerde man die moeizaam door het leven ging.
“Zo zie je maar weer: filosofie heeft niks met levenskunst te maken. Als arts kom ik veel levenskunst tegen, maar dat krijg je niet door een cursus filosofie te volgen hoor. Dat is een talent. Wittgenstein heeft een talent voor filosofie, niet voor het leven. Daar ging alles steeds fout. Het was een eenzame man, een tobber. Het zat ook in de familie; drie van zijn broers pleegden zelfmoord en zelf dacht hij er ook regelmatig aan. Hij legde de lat enorm hoog voor zichzelf, vooral in moreel opzicht – echt zo’n zuiverheidsideaaltype. Die zijn altijd doodongelukkig en mislukt als het gaat om intermenselijke relaties. In zijn filosofie was hij daarentegen geen tobber, daar komt hij juist heel speels en onverwacht uit de hoek. Vergelijk het met Jimi Hendrix, dat was eigenlijk een heel verlegen man die niet echt uit de verf kwam in een een-op-eengesprek. Maar als hij in zijn element trad, met zijn gitaar, dan was hij op een meesterlijke wijze aanwezig.”

Wittgenstein was een taalfilosoof. Wat is taal voor hem?
“De wat-is-vraag is de standaard filosofische vraag. Wat is liefde, de zin van het leven, waarheid et cetera. Het is de verleiding van de filosoof om zich helemaal op de beantwoording van zo’n vraag te storten, om zo de ander te verlichten met ‘de kern van de zaak’. Wittgenstein is de eerste filosoof die bewust van deze methodiek afwijkt. Niet dat hij de verleiding om in te gaan op wat taal nu precies is, niet kende. In zijn eerste filosofische werk Tractatus Logico-Philosophicus doet hij juist dat. De wat-is-taalvraag krijgt in dit werk een duidelijk antwoord: taal is bewering. Ofwel: zeggen dat zo-en-zo het geval is. Pas in zijn latere filosofie wordt zijn antwoord op deze vraag veel indrukwekkender. Taal is het hele leven. Taal is geloven, weifelen, vragen, bevelen, hopen, wanhopen enzovoort. En nu komt het revolutionaire van zijn filosofie: aan al die bezigheden ligt niet iets wezenlijks of universeels ten grondslag, niet iets wat ons overstijgt.”

Toch onderscheidde hij ook zoiets als mystiek, als datgene wat onzegbaar is.
“Ja, dat is in zijn vroege tijd. In de Tractatus schreef hij: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’ Hij bedoelde niet dat als je geen verstand van schaken had, je er niet over mag praten. Hij bedoelde de taal en de vragen die de aardse zaken overstijgen, zoals: waartoe dient dit leven? Dat soort vragen kun je volgens Wittgenstein helemaal niet stellen. Dan neem je bepaalde uitdrukkingsvormen mee naar een andere context, waardoor je de hele boel in de war schopt. Je zegt eigenlijk niks in zo’n geval, maar je hebt het niet in de gaten. Dan is je intellect betoverd door de taal. Laat ik een voorbeeld noemen. Jij kunt zeggen: ‘ik zie je na de voorstelling.’ Dat gaat prima. Je kunt ook zeggen: ‘ik zie je na de dood.’ Dan zegt Wittgenstein: ‘leuk hoor moppie, maar zo werkt het niet. ‘Elk woord heeft in elke context een andere glans. Betekenis zit zodoende niet in een woord, als een snoepje in papier, het krijgt betekenis in de context. Hij is steeds bezig om onze betovering door taal, onze misverstanden over taal, te doorbreken.”

Ik begrijp nog niet waarom dit allemaal zo fantastisch is. Het klinkt als een hoop ingewikkeld gedoe over taal.
“Het is een grote opruiming in ons geestelijke arsenaal. Wittgenstein wil niet dat we onszelf dingen wijsmaken over bepaalde zogenaamde ‘diepere’ zaken. De zin van het leven, bijvoorbeeld. De zin van een hamer, een stoplicht – dat zijn zaken waar we over kunnen praten. Het is een misverstand om naar de zin van het leven te vragen. Hij zou zeggen: je doet nu net alsof je een belangrijke vraag stelt, maar dat is helemaal geen belangrijke vraag. Een belangrijke vraag is hoe oorlogen ontstaan, bijvoorbeeld. Er mankeert niks aan taal, totdat mensen gaan filosoferen; dan gaan ze allerlei rare dingen zeggen. Wittgenstein verschaft ons een nieuwe helderheid, niet als het gaat om het begrijpen van de wereld, maar wel als het gaat om de aard van ons onbegrip. Helderheid dus als het gaat om de vraag: ‘Wat kan ik weten?’ Dat is waar filosofie voor mij om draait, niet om de vraag: ‘Wat moet ik doen?”

Wat zou Wittgenstein antwoorden als ik vroeg: bestaat God?
“Dan zou hij zeggen: niet in de zin waarin de tafel en de stoel bestaan, maar wel in de zin waarin Hamlet bestaat, en Goofy en Donald Duck. Daar hoort God thuis. Je moet uitdrukkingsvormen uit de ene situatie niet meenemen naar een andere situatie, dan raak je in de war. Religie zit vol met mededelingen, zoals: Jezus is de zoon van God, Jezus is opgestaan uit de dood. Wittgenstein zegt dat als je dat letterlijk gaat nemen je meteen in de problemen zit. Gesprekken over religie in termen van feitelijkheden zijn volstrekt zinloos. Het is zoals Gerard Reve het zegt: ‘godsdienst is tegen elke interpretatie bestand, behalve de letterlijke’. Middels poëzie, kunst, muziek het religieuze benaderen – allemaal prima. Of het geloof in God voor hem het mystieke is? Moeilijk te zeggen; waar hij in zijn jonge jaren nog waarde lijkt te ontlenen aan zijn geloof, lijkt hij dat in zijn latere jaren te zijn kwijtgeraakt. Hij schrijft wel ergens, aan zichzelf gericht: ‘geloof nou maar, het kan geen kwaad’.”

Hij schrijft op zijn vijfentwintigste dat ‘het christendom de enige zekere weg tot geluk’ is.
“Ja, omdat hij daarin opgegroeid was. Het was datgene wat in de lucht hing in het milieu waar hij uit voortkwam. Dat laat je niet zomaar los. Ik denk niet dat het geloof bij hem heel diep zat. Religie kent twee assen: de Y-as en de X-as. De X-as is hoe je je gedraagt en de Y-as is hoe je je tot God verhoudt. Ik denk dat Wittgenstein erg geïnteresseerd was in de horizontale as, en niet in die verticale as; daarover ‘kan men niet spreken’. Hij zei: elke betekenisvolle bewering over God impliceert dat die ook ontkend kan worden. Dus als de mededeling ‘God is goed’ begrijpelijk is, dan valt God binnen het domein van het feitelijke. En daar wil je Hem niet hebben, want binnen de feiten had ook alles anders kunnen lopen. Dan had Hij er ook níet kunnen zijn. En die mogelijkheid wil je niet rond Zijn Persoon. Met andere woorden: als je iets over God wil zeggen, hang je meteen.
Wittgenstein doet altijd een stapje terug in de communicatie. Hij vraagt niet: ‘wat weten we zeker’, maar: ‘wanneer zèggen wij dat we iets zeker weten’. Het mooie daarin is dat er altijd ruimte is om je te vergissen. Binnen het menselijk leven is er ruimte voor zeker weten en twijfel, en die twee passen samen in dezelfde ruimte. ”

U zei ooit dat u op uw sterfbed het boek Over zekerheid van Wittgenstein graag voorgelezen zou krijgen. Waarom juist dit boek?
Over zekerheid is zo aardig omdat hij het in zijn laatste maanden opschreef. Hij is zijn oude strengheid kwijt. Hij filosofeert, zegt hij, als een oud vrouwtje dat nu haar bril kwijt is en dan weer haar portemonnee. Hij kijkt met een ongekend milde blik naar zichzelf. En de kwaliteit van wat hij opschrijft is uitstekend. Hij vindt het zelf ook een zegen dat hij zo laat in de dag nog zo goed kan denken.
De gedachte dat hij dit in zijn laatste maanden deed bergt voor mij een bijzondere troost. Dat een mens zo dicht op het graf zo mooi kan doorgaan met datgene te doen waar hij goed in is en plezier aan ontleent, daar word ik stil van. Misschien juist omdat ik zelf meer geneigd ben tot een negatieve wat-maakt-het-nog-uit-houding.”

Paspoort

Ludwig Wittgenstein (Wenen, 1889 – Cambridge, 1951) is een van de belangrijkste filosofen uit de twintigste eeuw.

● Was de jongste zoon van een staalmagnaat. Zijn familie behoorde tot de Weense en van afkomst joodse bovenlaag die in het Habsburgse Rijk aanzienlijke posities bekleedde in economisch, cultureel en journalistiek opzicht, maar niet in de politiek.
● Schonk zijn fortuin aan zijn zus en werkte onder meer als luchtvaartingenieur, ziekenhuisportier, basisschoolleraar, architect en tuinman in een klooster.
● Bertrand Russell ontdekte zijn filosofische genialiteit en moedigde hem aan. Keerde na de Tweede Wereldoorlog terug naar Cambridge, waar hij hoogleraar werd.
● Streed zijn leven lang tegen ‘de betovering van ons intellect door de taal’. Aanvankelijk door in ons taalgebruik de onderliggende echte structuur bloot te leggen van wat we zeggen. Later liet hij het idee van deze ‘echte structuur’ los en bestudeerde hij taal in het dagelijks gebruik, waarbij hij vasthield aan zijn uitgangspunt dat we door misleidend taalgebruik vaak problemen creëren die er niet zijn.
● Was een zeer veeleisende vriend die worstelde met zijn homoseksualiteit.
● Het leven viel hem zwaar (als ook zijn drie broers, die zelfmoord pleegden). Hij trok zich regelmatig terug in een berghut in het Noorse dorp Skjolden.