De school is niet van de staat

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
In het debat over de vrijheid van onderwijs lijkt het vooral te gaan over de vraag of we wel of geen scholen op levensbeschouwelijke grondslag willen. Veel wezenlijker achterliggende kwesties komen daardoor veel te weinig aan de orde, meent Maarten van den Bos. Zoals de vraag: “Van wie is eigenlijk de school?”

Tekst: Maarten van den Bos

In het vroege voorjaar van 1902 woedde op de pagina’s van socialistisch dagblad Het Volk een verhit debat tussen dichteres Henriëtte Roland Holst en Pieter Jelles Troelstra, voorman van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Waar Roland Holst pleitte tegen de subsidiëring van het bijzonder onderwijs en alle kinderen verplicht naar door de staat ingerichte en betaalde scholen wilde sturen, vond zij Troelstra op haar weg. Naar diens overtuiging betrad Roland Holst een vervaarlijk aflopend pad: “vandaag de school, morgen de kerk, overmorgen de vereniging.” Een gepikeerde reactie van Roland Holst, die Troelstra toevoegde dat zij toch geen “onverdraagzame fanatieker” was, mocht niet baten. “Wie zelf kinderen heeft”, hield hij de ongewild kinderloze dichteres voor, “moet zich maar eens afvragen of hij gedwongen wil worden, zijne kinderen naar een school te zenden, waar een geest heerscht die hij verderfelijk vindt.”

Dit debat uit de vroege twintigste eeuw lijkt in grote trekken wel op de discussie zoals die vandaag de dag opnieuw over de vrijheid van onderwijs wordt gevoerd. Nu is dat debat niet nieuw. Sinds in 1917 in de Nederlandse grondwet werd vastgelegd dat burgers vrij zijn een eigen school te stichten, deze vervolgens te funderen op een levensbeschouwelijke, religieuze of onderwijskundige grondslag en alle scholen aanspraak kunnen maken op gelijke financiering, is er een maatschappelijk gesprek gaande over de vraag of dit nog wel wenselijk is. Dat debat wordt echter al te vaak versmald tot de vraag of onderwijs op levensbeschouwelijke of religieuze grondslag nog wel van deze tijd is. En dat is jammer, omdat een goed begrip van de vrijheid van onderwijs zoals we die kennen een belangrijke basis kan zijn om een aantal fundamentele problemen aan te pakken waar het onderwijs in Nederland vandaag de dag mee te kampen heeft.

Eisen van deugdelijkheid
De vrijheid van onderwijs wordt geregeld in artikel 23 van de Grondwet. Daarin is als eerste vastgelegd dat het onderwijs ‘een voorwerp’ is van ‘aanhoudende zorg der regering’. Hierop wordt in zeven opvolgende onderdelen de vrijheid van onderwijs vrij precies omschreven. Het geven van onderwijs is vrij, met dien verstande dat iedere school onderworpen is aan toezicht door de overheid, ook waar het gaat om de bekwaamheid van de onderwijsgevenden. Openbaar onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij wet geregeld en in iedere gemeente dient het openbaar onderwijs goed toegankelijk te zijn. Alle scholen dienen te voldoen aan eisen van deugdelijkheid, waarbij een zekere mate van vrijheid wordt toegekend aan het bijzonder onderwijs. De eisen van deugdelijkheid worden echter voor alle scholen die uit algemene middelen gefinancierd worden in wet- en regelgeving zo vastgelegd, dat ze voor zowel openbare als bijzondere scholen even afdoende worden gewaarborgd. Pas hierna is opgenomen dat het bijzonder onderwijs dat aan alle in de wet te stellen voorwaarden voldoet, op dezelfde wijze als het openbare onderwijs gesubsidieerd wordt. Het artikel sluit af met de opdracht aan de regering jaarlijks verslag te doen van de staat van het onderwijs aan de Staten-Generaal.

De opeenvolging van onderdelen van artikel 23 is niet willekeurig. Als lid van de commissie die de precieze formulering van de vrijheid van onderwijs moest voorbereiden, hamerde Troelstra op de deugdelijkheid van al het onderwijs. Het was naar zijn overtuiging wezenlijk dat de overheid kon bepalen wat precies de randvoorwaarden van goed onderwijs waren. Op welke grondslag dat onderwijs vervolgens gefundeerd werd en op welke manier leerlingen zich de voorgeschreven kennis eigen maakten, dat was de vrijheid van de school. Als er derhalve burgers waren die naast het goed toegankelijke en uit algemene middelen gefinancierde openbaar onderwijs in hun gemeente een bijzondere school wilden stichten – bijvoorbeeld een school op levensbeschouwelijke of onderwijskundige grondslag – dan moest dat kunnen, mits werd voldaan aan een aantal randvoorwaarden. De financiering van het bijzonder onderwijs was en is dan ook altijd voorwaardelijk.→

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.