De rouw die nooit verdwijnt

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
In de drie uur lange Chinese speelfilm So long, my son gebruikt regisseur Wang Xiaoshuai dertig jaar aan recente Chinese geschiedenis als decor. Hij keert zich, naar eigen zeggen, tegen de Chinese volkswijsheid ‘kijk vooruit en vergeet en verleden’. De twee hoofdpersonen maken een universeel drama mee. Maar dat drama wordt nog zwaarder doordat ze leven in een autoritair communistisch land.

Tekst: Jurgen Tiekstra 

Zo’n zeventigduizend jaar geleden onderging de menssoort homo sapiens, tot wie de huidige bevolking van de aarde ook behoort, een ‘cognitieve revolutie’. Wat de oorzaak van die revolutie was, schijnt onduidelijk te zijn – misschien was het een toevallige genetische mutatie in de hersenen – maar vanaf die tijd ontwikkelde de homo sapiens niet alleen een uiterst verfijnd taalvermogen, maar ook: verbeeldingskracht.

De Israëlische historicus Yuval Noah Harari vertelt over dit scharnierpunt in zijn boek Sapiens, Een kleine geschiedenis van de mensheid (2011), dat wereldwijd een verkoopsucces is dankzij Harari’s heldere, licht provocatieve schrijfstijl. Die verbeeldingskracht, dat vermogen om na te denken over wat niet bestaat, is in zijn ogen één van de grootste krachten van de mens. Het is eerst de taal die mogelijk maakt dat mensen in grote groepen kunnen samenwerken, maar dat coöperatieve talent vertienvoudigt dankzij ons vermogen om collectieve mythes te creëren.

Imaginaire orde
Op zijn karakteristieke ontnuchterend-sociologische toon schrijft de Israëlische hoogleraar in zijn boek: “Elke vorm van grootschalige menselijke samenwerking – een moderne staat, een middeleeuwse kerk, een antieke stad of een archaïsche stam – is geworteld in gemeenschappelijke mythen die alleen bestaan in de collectieve fantasie. Kerken zijn geworteld in gemeenschappelijke religieuze mythen. Twee katholieken die elkaar nooit eerder hebben ontmoet kunnen toch samen op kruistocht gaan of geld bijeenbrengen om een ziekenhuis te bouwen, omdat ze allebei geloven dat God ooit is geïncarneerd in menselijke vorm en zich heeft laten kruisigen om onze zonden weg te wassen. Staten zijn geworteld in gemeenschappelijke nationale mythen. Twee Serviërs die elkaar nooit hebben ontmoet kunnen hun leven riskeren om elkaar te redden, omdat ze beiden geloven in het bestaan van de Servische natie, het Servische moederland en de Servische vlag. (…) Maar geen van die dingen bestaat buiten de verhalen die mensen verzinnen en aan elkaar doorvertellen.”

Een land, maar ook het politieke systeem van een land, noemt hij een ‘imaginaire orde’. Daarmee benadrukt Harari hoe arbitrair het allemaal is, de nationale en politieke ordening waarin bijvoorbeeld wij in Nederland nu toevallig leven. Want in het verleden én op andere plekken bestonden en bestaan totaal andere imaginaire ordes. Zo wordt opnieuw duidelijk hoezeer je eigen geboorte een loterij is geweest: ik ben in 1983 in de constitutionele monarchie Nederland geboren, filmregisseur Wang Xiaoshuai is in 1966 in de Volksrepubliek China te wereld gekomen, precies in het jaar dat de grote communistische roerganger Mao Zedong besloot tot de berucht geworden Culturele Revolutie, waarin onder de bevolking een rigoureuze ideologische zuivering werd uitgevoerd, zijn eigen persoonsverheerlijking een vlucht nam en talloze net afgestuurde jongeren onder dwang naar het platteland moesten verhuizen.

Je hebt het maar te doen met de geschiedenis waarin je als boreling geworpen wordt. Toen Wang Xiaoshuai dertien jaar was, kwam bovenop alles nog de Chinese eenkindpolitiek, die de onstuimige groei van de bevolking moest inperken en pas sinds een paar jaar is verruimd naar een tweekindpolitiek. Inmiddels is Wang Xiaoshuai 53 jaar oud en uitgegroeid tot een gewaardeerd filmregisseur, die met zijn films probeert te reflecteren op de geschiedenis die hemzelf gevormd heeft.

Omwentelingen
In zijn drie uur durende film So long, my son gebruikt hij drie decennia aan omwentelingen in de Chinese samenleving als decor. Zijn personages werken eerst in de jaren tachtig en negentig in een staatsfabriek in de noord-Chinese stad Baotou, in Binnen-Mongolië. Als ze in hun vrije tijd bij elkaar zitten, in één van de kleine appartementen in het grote woningblok waarin ze leven, denken ze vol melancholie terug aan de periode net ná de Culturele Revolutie (1966-1976). Toen konden ze eindelijk van het platteland terug keren naar hun thuisstad. Als de staatsfabriek vervolgens een grote ontslagronde aankondigt, moeten ze hun eigen weg zoeken in het nieuwe China waar de planeconomie is ingeruild voor staatskapitalisme. De één wordt rijk als projectontwikkelaar dankzij de vastgoedboom, de ander vlucht weg van zijn herinneringen en wordt monteur in het vissersplaatsje Hou Wan aan de Chinese oostkust, in de provincie Fujian, waar hij het dialect niet kan verstaan.

Het grote drama dat de verhaallijn in beweging zet, is de verdrinkingsdood van het kind van één van de twee bevriende gezinnen die in de film worden gevolgd. Beide ouderstellen hebben een zoon, Xingxing en Haohao. Op dezelfde dag geboren. Het gaat mis als de jongetjes zonder toestemming spelen bij een reservoir. Het verlies van het kind van vader Liu Yaojun en moeder Liyun wint nog aan zwaartekracht vanwege de stringente eenkindpolitiek; opgejut door haar communistische ijver heeft de moeder van het andere jongetje, Haiyan, haar vriendin Liyun onder grote druk gezet om abortus te plegen toen zij jaren eerder van een tweede kind zwanger was. Door complicaties bij die abortus kan Liyun geen kind meer krijgen. De wroeging van Haiyan, over wat zij haar vriendin heeft aangedaan, zal haar blijven plagen. Des te meer omdat het ooit zo heilige communisme, waarvan zij een trouw discipel was, in de loop van de jaren zijn vanzelfsprekendheid heeft verloren. De imaginaire orde die ooit zo onwrikbaar was, blijkt in het moderne China niet meer van graniet te zijn.

Droefheid van weemoed
Met zijn speelfilm wil regisseur Wang Xiaoshuai zich naar eigen zeggen keren tegen de Chinese volkswijsheid ‘kijk vooruit en vergeet het verleden’. Het zou de Chinese overheid misschien goed uitkomen als haar bevolking aan collectieve amnesie ging lijden, maar dan zou geen recht gedaan worden aan de nationale geschiedenis. Wat is gebeurd, kan niet met één beweging van tafel worden geveegd. Alleen vormtechnisch al wil Wang Xiaoshuai dat punt maken: zijn speelfilm So long, my son is niet chronologisch opgebouwd, maar springt door de tijd heen, zonder duidelijk te markeren wanneer we in de jaren tachtig, jaren negentig, of jaren nul zijn. Zo is het menselijk leven ook zelf: grote gebeurtenissen uit het verleden kunnen zich zonder ophouden aan het heden blijven opdringen. De menselijke geest werkt eerder associatief dan chronologisch, eerder emotioneel dan calculerend.

Ook op een andere manier maakt Wang Xiaoshuai duidelijk hoe manifest het verleden blijft: het muzikale motief in zijn film is een Chinese versie van het van weemoed overstromende Auld Lang Syne. Dit eeuwenoude Schotse lied over de tijden die vervliegen is ook in Azië bij iedereen bekend, aangezien de pentatonische melodie zo goed samenvalt met de Aziatische muzikale traditie. Weemoed en melancholie passen niet bij een samenleving die het verleden achter zich wil laten en zich verwoed wil moderniseren. Nostalgie als gemoedstoestand zou nog kunnen, als het geïdealiseerde Chinese verleden maar de bron is van die vlijende herinneringsemotie. Maar de droefheid van weemoed, om alles wat verloren is gegaan en alles wat had kúnnen zijn als het verleden anders was geweest, is dan een groot obstakel. Of erger nog: de rouw, die nooit verdwijnt, naar welke Chinese uithoek je ook verhuist. Het is pijnlijk maar wel noodzakelijk dat een speelfilm als So long, my son gemaakt kan worden.

De speelfilm So long, my son draait sinds donderdag 1 augustus in de bioscopen.