‘Wij doen er echt wel toe’

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Bijna twintig jaar lang was Joris Vercammen de voorman van die ándere katholieke kerk in Nederland, die geen paus maar wel getrouwde en vrouwelijke priesters kent. Op 11 januari treedt hij terug als aartsbisschop van de oud-katholieke kerk. “Hoe klein wij ook zijn, we doen er echt wel toe.”

Tekst: Bert van der Kruk Beeld: Dio van Maaren

Achter zijn bureau hangt een schilderij van Port-Royal des Champs nabij Parijs. Het vredige beeld bestaat niet meer, want op last van Lodewijk XIV werd dit broeinest van ‘ketters’ jansenisme in 1710 verwoest. Ook verderop in het bisschoppelijk bureau in Amersfoort hangen schilderijen afkomstig uit Port-Royal. “Die zijn in de negentiende eeuw allemaal deze kant opgekomen.”

Joris Vercammen (67) spreekt met een Vlaams accent, zacht, bedachtzaam. Hij is niet bang om soms stiltes te laten vallen, zoekend naar woorden. De oud-katholieke kerk van Nederland rust op twee pijlers, legt hij uit. “Wij zijn de erfgenamen van de jansenisten uit de zeventiende en achttiende eeuw. Van hen hebben we vooral het contemplatieve, het devote overgehouden. Van het strenge, negatieve mensbeeld dat zij hadden, is in onze kerk gelukkig niet zo veel meer over.”

De tweede en inmiddels stevigste pijler onder het kleine kerkgenootschap – dertig parochies, ongeveer vijfduizend leden – is de liberale katholieke beweging uit de negentiende eeuw die niets voelde voor ‘Romeinse nieuwigheden’ als de onbevlekte ontvangenis van Maria en een onfeilbare paus. “Wij willen niet nieuw-katholiek zijn, maar katholiek zoals men in de oude kerk, voor Constantijn, katholiek was. Vandaar oud-katholiek.”

Hoe legt u de wat ingewikkelde positie van uw kerk uit op een feestje?
“Dan zeg ik: wij zijn open-minded katholiek. We streven naar eenheid in verscheidenheid. Daarbij benadruk ik vooral de verbinding: met de traditie, de cultuur en de wereldkerk. We zijn onafhankelijk van Rome, maar on speaking terms, zoals we dat ook zijn met anglicanen en orthodoxen. We hebben een oecumenische openheid.”

Met wat voor gevoel vertrekt u als aartsbisschop?
“Mijn gevoel is dat ik aan de kerk gegeven heb wat ik op deze plek te geven had. Ik denk dat onze kerk wel behoefte had om nieuwe, relatief onbekende wegen te verkennen. Ik hoop dat ik onze kerk er meer bewust van heb gemaakt dat wij, hoe klein wij ook zijn, er echt wel toe doen en dat wij een eigen inbreng in de oecumene hebben.”

Dat klinkt een beetje Calimero-achtig.
“Nee, ik bedoel het realistisch: dertig parochies in Nederland is beperkt. Groot worden is op zich geen nastrevenswaardig doel, maar we moeten wel voldoende mensen hebben om de schouders te zetten onder het echte doel: de eenheid onder christenen bevorderen. Daaraan heb ik een bijdrage willen leveren, waardoor parochies zich openden naar de stad en andere gelovigen toe. Het leidde bijvoorbeeld tot open-kerkprojecten, zoals het citypastoraat in Rotterdam, en meer samenwerking met andere kerken, zoals in Utrecht. Ook heb ik veel nadruk gelegd op de spiritualiteit: oud-katholiek zijn is een manier om gelovig in het leven te staan. Die spiritualiteit heeft altijd te maken met transformatie, een omvorming van jezelf in de richting van een meer evangelisch leven.”→

De volledige tekst lezen? Abonnees van Volzin ontvangen bij verschijning van de nieuwe Volzin een e-mail met een link naar de digitale editie. Nog geen abonnee? Klik dan hier.

 

Zie ook: het interview met de aartsbisschop in dagblad Trouw