FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 04 March 2019 11:07

Europa heeft moreel fundament nodig

Poolse jongeren tijdens de jaarlijkse Schumanparade in Warschau. Poolse jongeren tijdens de jaarlijkse Schumanparade in Warschau. Tekst: Maarten van den Bos Beeld: ANP Foto

In het debat over Europese samenwerking gaat het volgens historicus Maarten van den Bos te veel over belangen en te weinig over waarden als verzoening en verbroedering die aan dit project ten grondslag lagen. Maar alleen die herinnering naar voren brengen is onvoldoende, er is een nieuw moreel fundament nodig.

Op 9 mei 1950 lanceerde de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman het plan om de Franse en Duitse productie van kolen en staal onder één gemeenschappelijke autoriteit te brengen. Overige Europese staten ontvingen een open uitnodiging om ook deel te nemen. In 1952 werd door zes landen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal opgericht. Hoewel het initiatief op het eerste oog zuiver economisch van aard leek en de uitwerking iets technocratisch had, was daarmee zeker niet alles gezegd. In de toespraak die Schuman hield bij de lancering van het plan omschreef hij de bovenstatelijke autoriteit als een noodzakelijke waarborg voor vrede en verzoening. Een jaar eerder had Schuman in Straatsburg al geconcludeerd dat de eeuwige vrede het best gediend werd door het doen ontstaan van een ‘waarlijk Europese geest’. Deze ‘geest’ definieerde hij als het bewustzijn onderdeel te zijn van een culturele gemeenschap met de bereidheid deze te dienen “in totale wederkerigheid, zonder verborgen motieven of drang naar hegemonie”. Hij contrasteerde deze Europese geest met de ‘nationale geest’ van ‘de negentiende eeuw’. Juist deze geest zou het werk van Europese politici om na een eeuw van geweld te komen tot verzoening en verbroedering moeten bezielen.

Religieuze inspiratie
Nu was Schuman een devoot rooms-katholiek die met zijn plannen niet alleen een beslissende stoot gaf richting Europese politieke samenwerking, maar ook knap het midden wist te vinden in een fundamenteel debat over de rol en positie van de katholieke kerk in een snel veranderende wereld. Dit debat was na de Eerste Wereldoorlog op gang gekomen in reactie op het allesverzengende geweld waaraan Europa was blootgesteld. Het werd vervolgens gevoerd tegen de achtergrond van de opkomst van totalitaire ideologieën als communisme en fascisme. In katholieke kring, zo heeft de Amerikaanse historicus James Chappel in zijn vorig jaar verschenen boek Catholic Modern laten zien, waren hierbij twee denkrichtingen beschikbaar. Een ‘vaderlijke’ vorm van religieuze en theologische vernieuwing, waarbinnen het communisme als het grootste gevaar voor de toekomst van de kerk beschouwd werd en een krachtige spirituele gemeenschap onder leiding van priester en paus als het beste antwoord daarop. En een ‘broederlijke’ vorm van modernisering dat juist het fascisme als het centrale probleem definieerde en waarin een meer horizontale opvatting van gemeenschap werd bepleit. Beide denkrichtingen werden in de naoorlogse christendemocratie, juist ook door Schuman, op een ingenieuze wijze bijeengebracht in een politiek project dat, naar eigen zeggen, de consequentie was getrokken uit religieuze overtuigingen. De essentie van dit project was de vorming van een bovenstatelijke gemeenschap waarin onderlinge verbanden van zowel politieke en economische als morele en spirituele aard toekomstig geweld onmogelijk zouden maken.
Met name in katholieke kring was er veel steun voor deze opvattingen. Zo viel op verschillende internationale congressen van de na de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk ontstane Pax-Christi-Beweging op hoe vaak het ging over Europese samenwerking. Bij monde van kardinaal Maurice Feltin, aartsbisschop van Parijs en vanaf 1950 president van Pax Christi Internationaal, werd tot taak van de kerken gemaakt Europa ‘in geest te verenigingen’. Dit als basis voor verdere politieke samenwerking en garantie voor vrede en veiligheid. Ook in niet-katholieke kring sloeg een dergelijke gedachtegang overigens wel aan, hoewel niet altijd zonder enige achterdocht. In de vroege geschiedenis van het Europese project werd nog wel eens gesproken van een ‘Vaticaans complot’, onder meer omdat vijf van de zes aan de EGKS deelnemende landen een minister van Buitenlandse Zaken hadden met een katholieke achtergrond. Schuman wees een dergelijke gedachte echter nadrukkelijk van de hand. “Het Europa dat wij voor ogen hebben is even profaan in de ideeën die er de basis voor vormen als in de mannen die het vestigen”, stelde hij in november 1954. Betrokkenen “aanvaarden van de Heilige Stoel noch hun inspiratie, noch hun orders”. Desondanks stelde de minister wel vast dat er bij veel Europese christenen een zekere gelijkgestemdheid was, een nadrukkelijk openstaan voor het Europese project. Hoewel het dus geen theocratie beoogde, speelde de religieuze inspiratie van de voortrekkers wel degelijk een wezenlijke rol.
Daarbij hielp het wel dat centrale begrippen uit het vocabulaire van Schuman – verbroedering, verzoening, gemeenschap – vanuit verschillende politieke en religieuze overtuigingen ook van een andere definitie voorzien konden worden zonder de essentie al te veel geweld aan te doen. Europa en Europese samenwerking, zo heeft historicus Robin de Bruin bijvoorbeeld naar aanleiding van een grondige studie naar het debat erover in de Nederlandse politiek tot medio jaren zestig laten zien, waren als een soort prisma. Wanneer het licht vanuit een wat andere hoek kwam, was het samenspel van kleuren dat zichtbaar werd net even anders. Tegelijk bleef voor vrijwel elke betrokkene bij het debat de essentie van politieke samenwerking omwille van toekomstige vrede en verzoening overeind. Europa werd zelden beschouwd als slechts een politiek of economisch project. Er stond meer op het spel.Login om meer te lezen

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda