FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 25 February 2019 12:50

Componist Poulenc was monnik en kwajongen ineen

The Royal Ballet, ballet ´Gloria´op muziek van Poulenc, Londen, 2014. The Royal Ballet, ballet ´Gloria´op muziek van Poulenc, Londen, 2014. Tekst: Eric Corsius Beeld± Hollandse Hoogte

In het nog altijd populaire werk van de Franse componist Francis Poulenc wisselen ingekeerdheid en brutaliteit elkaar af. Zelfs in zijn religieuze werken kan hij het niet laten om af en toe een lange neus te trekken naar de serieusheid van het bestaan. Maar de tweeslachtigheid van diens muziek is volgens Eric Corsius meer dan een provocerend en moedwillig vloeken in de kerk. Ze vertolkt ook het levensgevoel van de monnik-kwajongen Poulenc, waarin leven en geloof innig met elkaar waren verstrengeld.

Hij componeerde muziek bij het verhaal van het olifantje Babar, maar ook een huiveringwekkende opera over de karmelietessen die in 1794 het slachtoffer werden van de terreur in het postrevolutionaire Frankrijk. Hij schuwde niet de invloed van de populaire muziek en de amusementsmuziek en deed menig speels stuk het licht zien dat erom vraagt om mee te neuriën en mee te deinen, zoals de Hommage aan Edith Piaf. Hij schreef echter ook bloedserieuze en bloedstollende koorwerken, die in het begin niet altijd gemakkelijk in het gehoor liggen, zoals Liberté, een van de meest indringende verzetsliederen uit de Tweede Wereldoorlog, alsmede een sobere en strenge mis voor a-capellakoor, die de sfeer ademt van een romaanse kathedraal.
We hebben het over Francis Poulenc (1899-1963), een van de kleurrijkere toondichters van de twintigste eeuw. Zijn werk lijkt over eeuwige jeugd te beschikken en klinkt nog steeds met grote regelmaat op klassieke radiozenders en geluidsdragers, op podia en in concertzalen.
Ondanks die onverwoestbare populariteit, heeft Poulenc echter iets raadselachtigs. De Franse componist laat zich niet goed in een hokje plaatsen, omdat hij als mens en als kunstenaar iemand van uitersten en tegenstellingen was. Lang voordat het begrip cross-over bestond, maakte Poulenc dankbaar gebruik van de kruisbestuiving tussen hoge en lage cultuur. Bovendien wordt zijn werk gekenmerkt door een voortdurende stemmingswisseling: op het ene moment klinkt zijn muziek licht en luchtig, op het andere moment duister en zwaar op de hand. Ingekeerdheid en brutaliteit wisselen elkaar af, zodat hij ooit werd getypeerd als ‘monnik en kwajongen in één’.

Speels en serieus
Poulencs afkomst speelde hierbij een belangrijke rol. Hij werd geboren in een gegoede burgerlijke familie in Parijs. Zijn moeder, zelf een begaafd pianiste, kwam uit een mondain en artistiek milieu en bracht hem de smaak bij voor muziek. Dat was een heel brede, allesbehalve kieskeurige en snobistische smaak, die niet zijn neus optrok voor – in Poulencs eigen bewoordingen – de “heerlijk slechte muziek” die haar voedingsbodem had in het bruisende Parijse stadsleven. Francis’ vader was de tegenpool van zijn moeder. Hij stamde uit een degelijk, ondernemend katholiek geslacht uit de Languedoc. Vader Poulenc was het dan ook die zoonlief ervan af probeerde te houden om van zijn muzikale passie zijn beroep te maken. De componist zou zelf het samenwonen van twee artistieke zielen in zijn borst later terugvoeren op deze heel verschillende invloeden van de ouders. De serieuze, ascetische en vrome kant had hij van zijn vader. Van zijn moeder had hij het speelse, het mondaine en het enthousiasme waarmee hij het leven omarmde.
Doordat de jonge Francis lid was van een welgestelde, stedelijke familie, lag een wereld aan contacten en ervaringen voor hem open. Als adolescent kwam hij in aanraking met kunstenaars van diverse disciplines, niet alleen componisten en musici, maar ook dichters en schrijvers. Zo sloeg ook al vroeg de vonk over van de poëzie. Daardoor zou Poulenc zijn leven lang koorwerken en liederen blijven schrijven op teksten van tijdgenoten. De componist in de dop voelde zich als een vis in het water in het Parijse artistieke milieu, waarin de toon werd aangeven door beroepsmatige schenenschoppers als de pianist en toondichter Erik Satie en de schrijver Jean Cocteau. Deze moesten niets hebben van de al te deftige en serieuze muziek van de invloedrijke en toonaangevende Duitse en Oostenrijkse componisten, die ook aan de Franse conservatoria de standaard vormden. De jonge critici namen het op voor de ironie en de lichtheid, de spontaneïteit en de eenvoud.Login om meer te lezen

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda