FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 2

    VOLZIN 2019: NUMMER 2

    Volzin-special: In de ban van Paulus ‘Paulus was een rusteloze religieuze zoeker’Selfmade theoloog
    30 januari 2019 - Lees meer
woensdag, 30 January 2019 11:06

Hilla en Bernd Becher: onbaatzuchtige fotografie

Kolenbunkers in het Roergebied Kolenbunkers in het Roergebied Tekst: Eric Corsius Beeld: Hilla en Bernd Becher

Het fotografenechtpaar Hilla en Bernd Becher maakte naam met hun beelden van industriële objecten. De eerste indruk van hun foto’s is er een van kilheid, maar dankzij de zorgvuldigheid en onthechte zakelijkheid waarmee ze ons worden gepresenteerd, gaan de objecten spreken en krijgen ze als het ware vlees en bloed. Het werk van het echtpaar Becher vervult Eric Corsius met melancholie. “Dit oeuvre is een bron van troost voor mensen die moeten zien hoe hun verleden wordt uitgewist.”

In de jaren zeventig bepaalden de mijnsluitingen het levensbesef in Heerlen, de stad waarin ik ben opgegroeid. Ik was tien jaar toen de laatste kolen uit de grond werd gehaald en ik herinner me heel bewust, hoe werkloos geworden ‘koempels’ het straatbeeld gingen bepalen. Wat vooral indruk op mij maakte, was de radicale manier waarop de typische mijnarchitectuur – de hoge schoorstenen, de koeltorens en schachtbokken – uit het landschap werd verwijderd, om plaats te maken voor kantoortorens in verband met de vervangende werkgelegenheid. Dit ruimtelijke beleid had zijn redenen. Het einde van het mijntijdperk werd ervaren als pijnlijk en beschamend: voor de getroffen werknemers en hun families, maar ook voor de falende economische politiek. Het was dan ook niet voor niets dat alles wat herinnerde aan het bitterzoete verleden van de mijnbouw, zo snel mogelijk moest verdwijnen en plaats moest maken voor iets nieuws.

Ruim veertig jaar na dato betreuren velen deze strategie van de verschroeide aarde en kijkt men met enige jaloezie naar bijvoorbeeld het aangrenzende Roergebied. Daar is het typische kolen- en staallandschap grotendeels blijven bestaan en hebben de oude constructies vaak nieuwe, museale en recreatieve functies gekregen. De rigoureuze afbraak van industriële architectuur in Limburg staat daarmee in een pijnlijk contrast. Uiteraard hangt dit verschil ook samen met het feit, dat de economische structuurveranderingen bij de oosterburen in een ander tempo is verlopen. De laatste kolenmijn in het Roergebied sloot bijvoorbeeld pas in 2018. En juist in de laatste decennia is de waardering en zorg voor industrieel erfgoed gegroeid.

De architectonische grote schoonmaak in Limburg heeft zout in veel wonden gestrooid. Het uitwissen van tastbare herinneringen versterkte de krenking van trots en identiteit bij al die mensen, die ooit aan de mijnen hun brood en hun gevoel voor eigenwaarde hadden te danken. Het herinneringsverlies versterkte het gezichtsverlies – wrang genoeg juist óók het gezichtsverlies dat de beleidsmakers juist wilden verijdelen met de demontage van de mijnbouwarchitectuur. De herinneringscultuur was echter niet tegen te houden en zocht zijn weg in het vertellen van weemoedige of opstandige verhalen, muziek en geschiedschrijving. Inmiddels herrijst de Limburgse mijnstreek weer uit de as, maar de nostalgie blijft. Volgens sommigen wordt daarbij het verleden soms al te sterk geromantiseerd. Er is in de donkere en stoffige gangenstelsels immers ook heel wat geleden door de koempels.

Ogenschijnlijk neutraal

Misschien maakt de frustratie over een gebrek aan tastbare herinneringscultuur mij extra gevoelig maakt voor kunst die geheugenverlies tegengaat. Een glansrijk voorbeeld van dit laatste is voor mij het oeuvre van het Duitse kunstenaarsechtpaar Hilla (1934-2015) en Bernd Becher (1931-2007). Deze artistieke fotografen hebben het tot hun levenswerk gemaakt, om het herinneringsverlies tegen te gaan, waarmee economische omwentelingen altijd gepaard gaan. In musea van moderne kunst in heel Europa stuit de bezoeker op hun werk. Hiermee braken ze begin jaren zeventig door, om vervolgens aan het roer te staan van een heuse school of stroming, die tot op heden aan de weg timmert: de zogenaamde Düsseldorfer Fotoschool. De jongste generatie uit deze school exposeerde afgelopen jaar nog in Nederland.

Kenmerkend voor de Bechers zijn hun ‘groepsportretten’ van fabrieken, watertorens, schachtbokken (Fördertürme) en andere industriële objecten, die de Bechers wilden vastleggen voordat het voortrazende tandwiel van de tijd ze zou vernietigen. Ze fotografeerden diverse exemplaren van een ‘soort’ en vormden een doordachte selectie van de aldus gemaakte foto’s tot een geheel, dat kon worden tentoongesteld. Een ander geliefd procedé bestond erin, dat ze één object van diverse kanten fotografeerden en vervolgens de opnames tot een geheel samenvoegden. Bij beide werkwijzen was het resultaat een ‘thema met variaties’.
De foto’s van de Bechers hebben een bijzondere zeggingskracht, vooral als ze samengevoegd zijn in series, maar ook ieder voor zich. Ze zijn met veel zorgvuldigheid gemaakt. Daardoor komen de gefotografeerde bouwwerken in hun geheel volledig uit de verf. Bovendien is ieder detail van de vaak ingewikkelde constructies zichtbaar. Hilla en Bernd lieten de objecten zelf zo veel mogelijk zelf spreken en duiden zo weinig mogelijk. Met grote nadruk bleven ze op de achtergrond en ze kozen bewust voor een soort afzijdigheid. Deze ‘zakelijke’ houding onderscheidde hen van vorige generaties van schilders en fotografen, die de industrie en de industriële samenleving in beeld hadden gebracht. Die waren vaak geneigd om de moderne tijd, inclusief de industrie, te romantiseren of te verheerlijken als de doorbraak van een Gouden Tijdperk. Of ze zagen zichzelf juist als sociale profeten, die de schaduwzijden van de industrialisering onder de aandacht moesten brengen. De Bechers daarentegen wilden noch verheffen, noch aanklagen, doch ogenschijnlijk neutraal tonen wat ze zien.

Ze streefden daarom ook niet naar fraaie beeldcomposities en hanteerden bij het fotograferen bewust niet voor een uitgekiend perspectief, waardoor er een mooi lijnenspel of een fraaie vlakverdeling op de gevoelige plaat kan ontstaan. Ook van uitsneden of fraaie doorkijkjes zagen ze af. Ze plaatsten hun objecten juist centraal en in hun geheel – en daarmee ietwat statisch – in beeld. De context en omgeving lieten ze maximaal buiten beschouwing. Indrukwekkende wolkenluchten en mensen komen daarom niet voor op hun foto’s. Daardoor is de eerste indruk er altijd een van kilheid. Dankzij de zorgvuldigheid en onthechte zakelijkheid waarmee ze ons worden gepresenteerd, gaan de objecten echter spreken en krijgen ze als het ware vlees en bloed. De samenvoeging van foto’s tot series of beeldverhalen draagt daaraan zeker bij.Login om meer te lezen

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda