FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
woensdag, 17 October 2018 10:00

Jezus onze voorouder en genezer

Tekst: Martien Brinkman Tekst: Martien Brinkman Beeld: ANP Foto

Jezus als onze voorouder of als genezer. Voor honderdduizenden christenen in Nederland staan heel andere religieuze beelden centraal dan tot nu toe in de Nederlandse kerken en theologie gebruikelijk zijn. Migranten brengen hun eigen thema’s in. Dé Nederlandse theologie bestaat niet langer.

Nederland heeft de afgelopen jaren niet alleen een forse instroom van moslims gekend, maar ook van christenen. Hun aantal van beide groepen wordt ieder op een kleine miljoen geschat. Naar die nieuwe, niet-westerse christelijke presentie hebben antropologen en godsdienstsociologen inmiddels al heel wat onderzoek gedaan. Wat hun aanwezigheid inhoudelijk voor de theologie in Nederland gaat betekenen, weet echter nog niemand. Maar dat zou wel eens snel kunnen veranderen. Het aantal promotiestudies uit hun kring aan de Nederlandse universiteiten neemt toe. Er vormt zich een sterke internationale academische gemeenschap die intensieve contacten met het land van herkomst blijft onderhouden.
Er wordt heel wat heel en weer gereisd tussen Accra en Amsterdam en Lagos en Amsterdam. Dat verklaart dat een aantal in Ghana en Nigeria docerende theologen ook invloedrijk zijn in Nederland. Te denken valt hier in de eerste plaats aan de invloedrijke Ghanese theoloog Kwame Bediako (1945-2008). In zijn voetsporen treden nu ook Ghanese theologen als Abamfo Atiemo, Cephas Omenyo en Kwabena Asamoah-Gyadu. Vanuit Nigeria valt te denken aan Christopher Aigbadumah. Ze gaan regelmatig in Nederland in kerkdiensten voor en sommigen van hen promoveerden ook in Nederland (Atiemo, Omenyo en Aigbadumah). Hun academisch statuur kan echter niet verdoezelen dat de kloof tussen de Nederlandse theologische opleidingen en hun eigen theologische vorming in Ghana en Nigeria nog altijd heel groot is. Heel wat promotiestudies heb ik halverwege zien stuklopen. Het is dan ook niet voor niets dat sinds twee jaar er aan de Vrije Universiteit (VU) in samenwerking met de samenwerkende migrantenkerken in Nederland (SKIN) en onder leiding van de Molukse theoloog Simon Ririhena en de uit het Midden-Oosten afkomstige theoloog Samuel Lee een postdoctorale opleiding voor voorgangers in de migrantenkerken is gestart.

Drastische wijziging
Ik heb de afgelopen tien jaar als hoogleraar aan de VU het voorrecht gehad diverse promovendi uit de kring van de migrantenkerken naar een doctorstitel te leiden (Samuel Lee, Isaac Amoah, Verry Patty, Simon Ririhena en Polly Pattikayhatu). Het eerste wat me daarbij opviel was het verschil met de jaren daarvoor. Tot voor kort schreven niet-westerse promovendi hun proefschriften vaak over bekende, westerse theologen als Karl Barth, Dietrich Bonhoeffer of Jürgen Moltmann. Gedurende het gehele promotietraject wist dan meestal hun promotor meer van het promotie-onderwerp dan de promovendus, die vaak maar ten dele zijn taal- en literatuurachterstand kon wegwerken. Voor westerse theologen waren hun dissertaties inhoudelijk maar zelden verrassend.
Dat veranderde rondom de eeuwwisseling. Vanaf die tijd begonnen niet-westerse promovendi in toenemende mate over hun eigen niet-westerse theologie te schrijven. Ik herinner me nog als de dag van gisteren wat voor omschakeling dat voor mij als docent betekende. Het was in de tijd dat ik aan de Engelstalige afdeling van de theologische faculteit van de Katholieke Universiteit Leuven het vak ‘oecumenisme’ doceerde. De scripties die ik daar van de Afrikaanse studenten onder ogen kreeg, gingen haast altijd over de kerkelijke situatie in hun eigen land. Vaak speelde de verhouding tot de traditionele Afrikaanse godsdiensten daarin een grote rol. De Indiase studenten confronteerden me met de vaak nijpende situatie van een christelijke minderheid te midden van een hindoemeerderheid. Ik leerde er ontzettend veel. Vanaf dat moment ben ik sterk geïnteresseerd geraakt in Afrikaanse en Aziatische theologie. Ik realiseerde dat plots ook de leraar-leerling verhouding was gewijzigd. Vaak was ik nu de gretige leerling. Veel meer dan het werk van deze studenten vooral methodisch begeleiden kon ik niet.
Die drastisch gewijzigde leraar-leerlingsituatie herhaalde zich later tijdens m’n werk aan de aan de VU. Ik had nogal wat promovendi uit Azië en Afrika. Blijkbaar ging het feit dat ik oprechte belangstelling voor hun culturele achtergrond had als een lopend vuurtje rond. Vaak konden slechts ingehuurde, ter zake deskundigen uit hun land van herkomst, stevig inhoudelijk tegenspel leveren. Meteen werden hun proefschriften voor mij ook veel interessanter. Zeker wat de Molukse theologen betreft ‒ ik heb drie op Ambon docerende en drie in Nederland practiserende Molukse theologen als promovendi gehad ‒ heb ik echt het idee aan de wieg te hebben gestaan van een eigen, nu pas tot ontwikkeling gekomen Molukse theologie. Een nieuw soort in-between theologie tussen Nederland en Ambon. Vrijmoedig durven deze Molukse theologen de rol van Jezus te vergelijken met de pela, het eeuwenoude verbond tussen christen- en moslimdorpen op de Molukken. Ze schromen niet de offerschaal, de piring natzar, die in elk Moluks huisgezin staat, creatief te betrekken op het avondmaal en ze aarzelen ook niet over Jezus ook in verband met de voorouders (tete menek moyang) te spreken.

Nieuwe thema’s
Daarmee roer ik al een van de thema’s aan die de komende jaren wel eens een grote rol zouden kunnen gaan spelen. Dat is de rol van de voorouders. Toen ik in 2007 het werk aan een boek over De niet-westerse Jezus had afgerond, vroeg een journalist van het dagblad Trouw me wat me op mijn zwerftocht langs Aziatische en Afrikaanse Jezusbeelden het meest had geraakt. Ik antwoordde toen dat dat de rol van de voorouders was in relatie tot Jezus. In feite gaat het daarbij om een andere interpretatie van de verhouding tussen leven en dood. Die scheiding is in Azië en Afrika aanmerkelijk minder stringent dan in het Westen.
Ik kwam met dat verschil voor het eerst in aanraking toen ik voor een lezingenserie in Seoel in Zuid-Korea gevraagd werd een aantal mogelijke thema’s op te geven. Daaruit zou men dan kiezen. Onderaan mijn lijstje met een stuk of zes thema’s had ik gezet: Jezus’ neerdaling ter helle. Ik had daar eens te midden van antropologen op een congres over gesproken, maar vond het eigenlijk meer een buitenstraat. Tot mijn verbazing zetten de Koreanen dit onderwep echter boven op hun lijstje. Pas later zag ik in hoe belangrijk deze zinsnede uit het apostolisch credo ook elders in de niet-westerse, christelijke wereld is. Want in feite ontdekt men thans in Afrika en Azië weer de oorspronkelijke, vroegchristelijke setting van deze zinsnede. Eeuwenlang is ze in de vroege christenheid immers verstaan als een passage die over de opstanding handelt. Na zijn eigen opstanding zal Jezus ‒ zo is de voorstelling ‒ afdalen naar het dodenrijk (de hel) om ook ons aller voorgeslacht te laten delen in zijn opstanding. Voor bekeerde Afrikanen en Aziaten die in hun bekering de breuk met hun voorgeslacht hadden moeten ervaren, betekende dit dus dat Jezus hen opnieuw met hun voorgeslacht zou herenigen. Een groter heil is in gemeenschappen waarin de familieverbanden heilig zijn, niet denkbaar.

"Veel nadrukkelijker dan in het Westen gebruikelijk is wordt Jezus een bemiddelaar tussen dood en leven. Hij krijgt er een dimensie bij", schrijft Martien Brinkman. Lees het volledige artikel door in te loggen op de website of in het oktobernummer van Volzin. 

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda