FacebookTwitterLinkedIn
vrijdag, 03 August 2018 10:00

‘Ik wil tot het uiterste gaan’

Tekst: Elke van Riel Tekst: Elke van Riel Beeld: Viktor Bentley, Wayne Poulsen

Reizigster, biologe en schrijfster Arita Baaijens gaat in haar reizen op zoek naar waar het schuurt en echt iets op het spel staat. Met de inzichten die ze opdeed tijdens haar woestijnexpedities en tochten door Siberië, wil ze nu bijdragen aan een andere manier van denken over de toekomst van Nederland.

Tegen de wanden van haar werkkamer in haar Amsterdamse bovenhuis staan reis- en natuurboeken opgesteld. Op haar werktafel een bordje met noten, abrikozen en noga. Na twintig jaar van woestijnexpedities en tien jaar reizen door Centraal-Azië richt Arita Baaijens zich met haar nieuwe project Paradijs in de polder sinds een jaar op Nederland. Hoewel ze de volgende d het manuscript van haar nieuwe boek moet inleveren, praat ze ontspannen – en bevlogen – over wat haar beweegt.

Waar komt uw reisdrang vandaan?
“Er zijn verschillende periodes in mijn leven en daarin hebben de reizen ook iets verschillends betekend. In het algemeen gaat het voor mij over: ergens naartoe gaan waar je niet thuis bent, waar je het niet weet, waar je ontregeld raakt en je moet verhouden tot een landschap en een cultuur die je niet kent.
Mijn woestijnperiode ging over het lege doek waarover de boeddhisten het ook hebben, waarop zich de film van je leven afspeelt. Hier zie je dat doek niet, want je bent druk bezig en hoeft nauwelijks na te denken, als je niet zou willen. Maar op reis in zo'n woestijn staart dat doek je aan. De woestijn is kaal, er is geen stroompje, geen boom, geen schaduw. Dat landschap is een spiegel, waardoor je je afvraagt: als je nou alle laagjes en franje afpelt, wat blijft er dan over van een mens? Lang snapte ik zelf niet waarom ik daarheen moest. Achteraf gezien ging het om die leegte, om het uitvogelen van: wie is de mens, wie ben ik, wat is werkelijkheid, wat doet ertoe? Dat willen uitvinden is volgens mij een vrij normale, intrinsieke behoefte van de mens.” (Lacht:) “Bij mij is die misschien wat versterkt, anders ben je daar niet twintig jaar mee bezig.”

Na de woestijn zocht u in het Altaigebergte in Siberië naar het mythische Shambhala. Wat is het belangrijkste inzicht dat u er opdeed?
“Dat is dat de wetenschappelijke manier van kijken er maar één is. In Siberië hebben mensen een ander beeld van de werkelijkheid. Daarvan werd ik eerst helemaal iebelig, want ik kan totaal niet tegen vage praat en navelgestaar. Ik ontmoette daar sjamanen en mensen die in natuurgeesten geloven en de natuur als bezield zien. Volstrekt anders dus dan ik als bioloog en woestijnreiziger. Ik werd er geconfronteerd met mensen die het hadden over de berggod, of wilden offeren aan het vuur en dacht: hoe kan het dat zij dat massaal zien en ik niet? Hoe ik ook mijn best doe, ik zie alleen een berg en vuur. Of zou het kunnen zijn dat, als ik al mijn vooroordelen loslaat, er een andere vorm van werkelijkheid mogelijk is dan mij is bijgebracht? Die vraag vond ik doodeng, want ik was bang dat het antwoord in de richting van gezweef zou gaan. Maar ik wilde het in ieder geval verkennen en uitzoeken.
Zo ben ik in een fascinerende wereld verzeild geraakt: wat is kennis, wat is weten, wie bepaalt wat werkelijkheid is, als er blijkbaar verschillende vormen zijn? En waarom is die van ons in het Westen meer waard dan die van mensen elders? Het zijn filosofische vragen, maar filosofen dénken de wereld vooral. Ik wilde voorbij dat denken en in Siberië die wereld ook ervaren. Wat ik in mijn boek Zoektocht naar het paradijs hierover heb opgeschreven kon ik toen maar net bevatten. Als iemand mij iets meer vroeg dan wat daarin stond, kon ik het niet uitleggen. Dat kwam omdat wij in onze cultuur geen taal hebben voor wat ik wilde uitdrukken. Ik wilde niet bij de religie leentjebuur spelen en ook niet bij de occulte en esoterische hoek. En wetenschap doet er niet aan. Dat vond ik armoe.”

U hebt het in dit boek over een gevoel van vervoering dat u kan overvallen in de natuur: het numineuze. Kunt u dat omschrijven?
“Ja, steeds beter. In de woestijn heb ik veel ervaringen gehad waarbij ik ophield te bestaan als een zelf, als een ik. Ik realiseerde me toen: eigenlijk bestaat identiteit helemaal niet. Als er niemand om je heen is, vervalt dat. Je loopt en komt in een cadans. Je bent weg van de wereld. Er was geen gps of satelliettelefoon, alleen die kamelen, die woestijn en ik. Er waren momenten: dan rook ik die kamelen, zat ik lekker in mijn ritme, de zon stond niet al te hoog en honderden kilometers om me heen was helemaal niemand. Dan vergat ik mezelf en ging ik totaal op in wat er was.
's Nachts heb ik het ook vaak gehad. Dan ging ik er even uit om te piesen, stond ik op het koude zand en zag ik die kamelen zitten herkauwen. Ik houd van die beesten en kende ze ook goed. En boven me die sterren... Ik ervaarde dan de grootsheid van de schepping, vergat mezelf en de tijd hield op te bestaan. Het klinkt gedragen, maar het is een begenadigd moment. Dat weet je pas achteraf, want als het gebeurt voel je je opgetild.”

Is het vooral een positieve ervaring?
“Dat hoeft niet. Ik heb het ook wel eens gehad als ik verdwaald was in de woestijn. Dan voel je echt paniek en tegelijkertijd zie je die grootsheid en die schoonheid. Dan is het niet lieflijk numineus, maar besef je dat je geen moer voorstelt in dat grote spel. Dat die woestijn niet huilt om jou en dat het er allemaal niet toe doet. Ik kon er eerst geen woorden voor vinden. Bij filosoof Ton Lemaire kwam ik toen het begrip het numineuze tegen. Dat herkende ik. Vervolgens las ik het boek dat theoloog Tjeu van den Berk erover geschreven heeft. Hij zegt dat je op zo'n moment het bestaansmysterie bevat, maar dat dit woordeloos is. Het is vergelijkbaar met Allah en God in religies: het Al of het Niet, een gevoel van eenheid die compleet is. Voor bijna iedereen die hij interviewde, is dit een levensveranderende ervaring.”

Zou je dat ook een religieuze ervaring kunnen noemen? Is het numineuze een wat chiquer en afstandelijker woord voor God?
“Als je religieus bént, is dat denk ik wel zo. En sommige mensen gaan erdoor in God geloven. Mij zegt een term als het transcendente niet zoveel. Ik vind dat zo abstract. Voor mij heeft het meer met een bewustzijnsniveau te maken. Ik zoek het eerder in de richting van zen: de leegheid die vol is, het niets wat alles is. En het besef dat de scheidingen die wij aanbrengen tussen alle dingen, een kunstmatige is. Natuur helpt, maar eerlijk gezegd heb ik deze ervaring ook wel eens gehad in de rij bij de Albert Heijn. Daar overviel me opeens het gevoel dat ik alles en iedereen was, echt bizar. Het is een soort uittreding waardoor je je niet meer vereenzelvigt met het lichaam.
Tijdens het reizen sta ik over het algemeen met mijn poten in de klei. Dat vind ik er zo fijn aan: ik kan er niet uit schieten. Ik moet op een paard zitten, overleven, water vinden en buffelen. Het is geen yogaweekendje. Tegelijk had ik daar natuurlijk veel tijd. Niet om boeken te lezen, maar als de route een beetje duidelijk was, kon ik onderweg wel kauwen op vragen. Ik had altijd filosofische teksten bij me om voor het slapen te lezen en me overdag mee te verstaan. Eigenlijk was die woestijn voor mij een laboratorium van de geest.”

Lees de rest van het interview door in te loggen op de website of in de augustuseditie van Volzin. "Bij mij passen die grote landschappen, de weg kwijtraken, af en toe bang zijn en dingen doen waarvan ik niet weet of ik ze kan.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2018

volzin schrijfwedstrijd

 

Agenda