FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 05 July 2018 14:10

‘We zijn niet zo autonoom als veel filosofen ons willen doen geloven’

Tekst: Jolanda Breur Tekst: Jolanda Breur Beeld: Elizabeth Verwey

We denken autonoom en rationeel te zijn, maar dat valt tegen volgens wetenschapper Monica Meijsing. Zeker, we maken onszelf, omdat we levende organismen zijn die zichzelf in stand houden. Maar die vorming lukt alleen met anderen. Zonder onze medemens ontstijgen we nauwelijks de dierlijke staat.

Waarom doen mensen wat ze doen? Die vraag fascineert Monica Meijsing mateloos. Wat begon met het lezen van romans, mondde uit in een studie filosofie en psychologie en dreef haar tot een wetenschappelijke carrière. En als kroon op haar werk tot een boek. Want na jaren onderzoek van het menselijk bewustzijn en persoonlijke identiteit kwam ze tot een intrigerende conclusie: Als persoon bestaan we alleen in relatie tot anderen. Meijsing vindt het nog altijd moeilijk om mensen te doorgronden, maar haar boek Waar was ik toen ik er niet was? is een heldere uiteenzetting van wat het betekent om een ‘ik’ in de wereld te zijn. De titel verwijst naar een operatie die ze ooit onderging waarbij veel bloed vloeide. Zelfs zo veel dat een leerling-verpleegkundige flauw viel. Gelukkig dat ik er niet bij geweest ben, reageerde Meijsing nadien. Maar waar bleef het ‘ik’ toen haar lichaam onder narcose werd gebracht? Voor het antwoord gaat ze ver terug in de tijd, met een vermoeden dat ons westerse zelfbeeld deels geschapen is door ideeën uit de geschiedenis.

U stelt dat we eerder onze geest dan ons lichaam zijn. Hoe komt dat?
“Veel mensen vinden psychologische kenmerken belangrijker voor hun identiteit dan lichamelijke eigenschappen. Ze weten wel dat de gesteldheid van het lichaam hun gevoelens beïnvloedt en andersom, maar de meesten hebben een dualistisch zelfbeeld. Ze zijn iets unieks dat min of meer los staat van hun lichaam. Dat gevoel komt wereldwijd voor, het lijkt natuurlijk. Toch heeft de voorstelling die de zeventiende-eeuwse filosoof Descartes eraan gaf, de westerse filosofie fundamenteel hervormd. Met zijn beroemde denkexperiment ging hij op zoek naar onwankelbare kennis. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat maar één ding écht zeker is: ik denk, dus ik ben. Wij zijn in ieder geval onze geest, waaronder ons denken. Het lichaam hoort daar niet per se bij, dat hébben we. We dirigeren het zoals een stuurman zijn schip manoeuvreert. Die denkende substantie is er dus wel mee verbonden, maar hoe wordt niet duidelijk. Zo ontstond het wijdverbreide idee dat lichaam en psyche of materie en de onstoffelijke geest afzonderlijke zaken zijn. ”

Waar zien we het dualistische idee terug in de samenleving en hoe belangrijk is het?
“Vooral in de geneeskunde en de psychiatrie heerst nog een ongemakkelijke tweedeling. Die tussen fysieke en mentale aandoeningen. Pillen of gedragstherapie? Ook in de omgang met dementie speelt die tweedeling ons parten. Zodra de diagnose is vastgesteld, trekt de omgeving zich terug. We kunnen er niet mee omgaan. Bij een dement persoon zeggen we dat er al niemand meer thuis is. Dan hebben we nog de discussie rond leven en dood. Veel mensen gaan ervanuit dat een kern van ons voortleeft na overlijden. Toch is er weinig reden om dat aan te nemen. Anderszijds biedt het wetenschappelijke determinisme dat alles herleidt tot materie ofwel het brein ook geen oplossing. Wanneer alles wat we doen of zeggen veroorzaakt wordt door neurale processen in ons hoofd, waar blijven dan onze vrije wil en verantwoordelijkheid? Dit idee kan onze hele samenleving op haar kop zetten. De manier waarop we naar onszelf en anderen kijken. Of bijvoorbeeld het strafrecht. Zijn sancties wel terecht als fysieke impulsen iemand drijven tot laakbaar gedrag?”

Dat lijkt een vraag naar het goede, wenselijke leven. Zou daar geen plek meer voor zijn en behandelen we elkaar dan als machines?
“Dat zou goed kunnen. Ik vulde laatst een enquête in en ik moest het belangrijkste woord in mijn leven noemen. Na lang nadenken koos ik voor verantwoordelijkheid. Als we daar niet meer in geloven, nemen we niemand iets kwalijk en kunnen we nergens meer dankbaar voor zijn. Dat klinkt me kaal in de oren.”

Monica Weijsing wijdt uit over de verbinding tussen lichaam en geest, de zoektocht naar een authentieke 'ik' en de status van een persoon. We zijn volgens Meijsing niet zo autonoom als veel filosofen ons willen doen geloven: leven is altijd een gemeenschappelijke cultivering. Verder lezen? Log in of lees het interview in Volzin.

 

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda