FacebookTwitterLinkedIn
woensdag, 20 June 2018 07:36

‘Chaos is zinloos. Vorm is zinvol’

Tekst: Jurgen Tiekstra Tekst: Jurgen Tiekstra Beeld: Roemer Overdiep

“Daar komt het toch op aan: bij voorkeur het leven enigszins betekenisvol vinden. Dat doe je door je erop te richten en niet te wachten tot de zin van dit alles zal worden geopenbaard. Dan kun je lang wachten.” Marjoleine de Vos vindt zin in het ongrijpbare leven. “Het is zoals het is.”

Zodra dichter en journalist Marjoleine de Vos in haar essaybundel Doe je best schrijft over de wereld van koken en eten, verdwijnt haar zoekende toon. Op culinair terrein weifelt ze niet. Zo schrijft ze met vrolijke autoriteit: ‘Garnalen maken gelukkig. Ze hebben om te beginnen hun kleur mee – aantrekkelijk roze. Ze hebben als groot voordeel dat je er iets mee moet doen, pellen, zuigen (de kop – wie die versmaadt is gek, die kop moet uitgezogen worden voor de verrukkelijke, opwindende smaak van de roze-rode smurrie die zich daarin bevindt)…’
Maar het grootste deel van haar nieuw verschenen essaybundel – veelzeggende ondertitel: Lof van het ongrijpbare leven – is bedachtzamer. Haar essays graven naar ‘hoe te leven’. Ze toont zich kwetsbaar in haar jaloezie op mensen die met overgave lijken te leven, overtuigd van de zinvolheid van hun bestaan. ‘Stel je voor dat je zou aarzelen, weifelen, je vervelen, de zinloosheid zou zien loeren vanuit alle hoeken. Stel je voor. Maar ik lijd daar wel aan.’
In de Griekse mythen en in de moderne poëzie zoekt Marjoleine de Vos naar woorden voor haar diepste levenservaringen: het besef dat ze ten diepste geen greep heeft op haar leven en dat ieder mens zijn eigen lot te dragen heeft.
Het is volop lente rondom het huis van Marjoleine de Vos, gelegen in een klein wierdendorp in noord-Groningen. Veertien jaar geleden verruilde ze Amsterdam voor deze plek. Na haar scheiding van dichter en literair recensent Tom van Deel, ooit haar docent tijdens haar studie Nederlands, woont ze er op zichzelf.
“Ik denk dat het de kunst is om het niet privé te maken”, zegt ze over de korte blik achter haar ribbenkast die ze de lezer her en der in haar bundel biedt. “Dus het is wel iets persoonlijks wat ik op wil schrijven, maar het is niet privé. Ik ga in zo’n essay niet uit de doeken doen wat precies mijn situatie is, en waarom ik vind dat ik op dat moment niet zo gelukkig ben. Dat gaat de mensen helemaal niets aan. Maar dat gevoel dat je je misschien niet zo gelukkig voelt… Ik denk altijd: als je precies probeert op te schrijven wat er in je omgaat, dan schrijf je op een manier die sommigen zullen begrijpen en herkennen. En dan hebben ze er iets aan.”

Met wat voor kijk op het leven ben je vroeger opgegroeid?
“Ik ben niet met een speciale levensvisie opgevoed. Mijn vader was behoorlijk antireligie. Een poosje ging hij naar de kerk en wij naar de zondagsschool, maar dat heeft nog geen jaar geduurd. Hij had het altijd over het ‘christelijke imperialisme’. Dat de christenen hun cultuur aan ons opleggen: van de kerkklokken op zondagochtend tot de gesloten winkels, tot het denken over leven en dood.
Ik kan me van lang geleden herinneren dat ik me bepaalde dingen afvroeg, als ik ’s avonds in bed lag. Dan dacht ik: waarom werkt iedereen zo hard als we toch allemaal dood gaan? Ik denk dat ik een jaar of dertien, veertien was. Ik was al vroeg een gretige lezer van poëzie. Daarin werden mogelijke antwoorden opgeworpen, en vragen die ik nog niet eens had gesteld. Ik las veel Hans Lodeizen. Bij hem leek het alsof je het leven maar niet te pakken krijgt, alsof het altijd ergens anders is. En ik las heel graag Willem Kloos, zijn sonnetten: ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten.’ In dat gedicht zet hij uiteen dat hij een machtige figuur is die heerst over het al. Maar dan komt er een volstrekte wending: ‘En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond uw overdierb're leên den arm te slaan.’ Dus dat: ik ben almachtig, maar tegelijkertijd heb ik een wanhopig verlangen. Dat vind ik heel ontroerend.”

Je bent 61 nu. Kijk je nu anders tegen die oude levensvragen aan?
“De manier waarop ik erover ben gaan denken is in de loop der jaren wel veranderd. Ik had vroeger geen idee waar ik moest beginnen met die vragen naar de betekenis van alles, naar de betekenis van ons bestaan en wat we doen. Toen ik ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam had een docent het over filosofie. Ik dacht: daar zit vast iets. Toen zat ik binnen de kortste keren Wittgenstein te lezen. Dat was heel vormend en zinvol, maar dat was toch iets anders dan ik bedoelde. Via een andere docent, Tom van Deel, las ik een interview met de schrijver Willem Brakman. Brakman zegt daarin dat het soms zo weinig zinvol lijkt om ’s morgens op te staan en allerlei dingen te gaan doen, terwijl het leven ons op onthutsend inventieve wijze probeert te overtuigen dat het geen zin heeft. Dat was ook mijn gevoel. Waarbij hij zei dat het de troost van de vorm is die het zinvol maakt. Chaos is zinloos. Vorm is zinvol. En kunst, ook al heb je het als kunstenaar over chaotische en ongrijpbare dingen, is een manier van vormgeven en ordenen. Dat geeft een zekere zin of houvast. Met dat idee begon het voor mij. Toen stond ik ineens op het juiste spoor. Ik dacht: hier moet ik zijn. Bij de kunst. En bij dit soort schrijven, waaraan dit soort levensvragen ten grondslag liggen.”

Was je niet bang om die gedachte toe te laten: het leven is zinloos?
“Ik vond dat een heel nare gedachte, maar dat wil niet zeggen dat ik hem niet had of soms nog weleens heb. Ik vind dat angstaanjagend. Ik zal niet zeggen dat ik elk moment denk: wat is het allemaal toch zinvol. Maar dat hoeft ook niet, hè. Voor een deel van de tijd leef je gewoon. Maar er zijn momenten waarop je ineens denkt, maar ook voelt: waartoe, dit alles? Verveling raakt daar ook aan. Het is een taboe ongeveer voor de volwassene om toe te geven dat je je ooit zou vervelen. Ik verveel me best wel eens, en dat is een heel akelig gevoel, vind ik. Dan doét niks er toe. Wat dat betreft vind ik buiten wonen fijn. Dan kun je denken: nou, mens hou op, ga eens een end wandelen. Dan kom je toch altijd beter terug. Dat scheelt.”

In je bundel heb je het ook over het bijbelboek Job: vind je dat nou een ergerniswekkend verhaal, of juist een goede verbeelding van het leven?
“Ik heb het heel lang ergeniswekkend gevonden. Het ligt er net aan waar je de nadruk legt. Het is een raamvertelling, waarbij God en de duivel eerst een weddenschap afsluiten. De duivel zegt: ik kan iedereen er toebrengen om jou te vervloeken, ook die fijne dienaar Job van je. God zegt: doe je best. Als je daar de nadruk op legt, dan heb je hetzelfde als in de Griekse mythen: weer zo’n wreed bedenkseltje van de goden die het helemaal niet om de mensen gaat. En in het verhaal proberen mensen verklaringen te vinden. Het komt er toch op neer: misschien ben je niet zo braaf en ijverig geweest als je wel dacht. En het antwoord van God aan het eind van het verhaal vond ik vroeger altijd verschrikkelijk. Omdat God zegt: ik heb de hele wereld gemaakt, dus houd je mond maar. Het is niet een heel troostrijke gedachte dat God je niks anders te zeggen heeft. Maar in een ander opzicht sluit dit verhaal goed aan bij het idee dat we meer moeten berusten dat de dingen die gebeuren geen zin hebben. Waarom zou je denken dat jij er heel speciaal toe zou doen? Dat is eigenlijk een heel zinvolle vraag als je hem aan jezelf stelt. Waarom zou ik er recht op hebben dat mij geen ongeluk overkomt? Iedereen kan van alles overkomen. Mij dus ook, en daar zal ik toch mee moeten leven.”

Heb je ooit de aantrekkingskracht van religie gevoeld?
“Jazeker. Ik ga weleens naar de kerk, maar ik ben een ongelovige. Daar kan ik weinig anders van maken. Maar goed, ik heb een tijd lang wel gedacht: wie weet, misschien ga ik het wel echt geloven. Ik wilde het heel graag. Ik weet niet eens of ik wist wát ik wilde geloven. Ik wilde gelóven. In het bestaan van God. Ik heb nooit veel met Jezus opgehad, moet ik eerlijk zeggen. Die weet het altijd zo lekker: het zit zus en zo, je mag dit niet doen, je moet dat zo doen. De enige scène waar ik juist heel veel bij voel is Jezus in de hof van Getsemane, als hij zegt: maar niet zoals ik wil, maar zoals u wilt. Waar hij zich neerlegt bij wat nu eenmaal zijn lot is.”

Wanneer speelde dat verlangen om te geloven?
“In de jaren negentig zo’n beetje. Ik wilde graag kinderen krijgen en kreeg ze niet. Ik probeerde daar antwoord op te vinden. Niet zozeer op: waarom? Ik dacht: het is zoals het is, daar zit verder niet een ‘waarom’ achter. Maar ik wilde er mee kunnen leven. Dat droeg bij aan de behoefte om met meer overgave te kunnen geloven in dat het is zoals het is. En dat je op een bepaalde manier behoed en gezien zal worden. Maar ik denk dat ik nooit verder ben gekomen dan dat verlangen dat er een god zou zijn die ons zou zien. Tegelijkertijd had ik ook behoefte aan een nabijere god, tot wie je zou kunnen bidden, tot wie je je dankbaarheid zou kunnen richten, of van wie je het gevoel hebt: waar ik ook ben, gij zijt bij mij.
In de tijd dat ik naar de kerk ging, vond ik het gebed één van de belangrijkste gunsten die mij toevielen. Je richt je op een blik van buitenaf. Je bent niet alleen maar jij met jezelf, maar je richt je tot een instantie, tot een oog buiten jezelf, waarvan bovendien de aanname is dat die al alles van je weet. Dat is ook juist de kracht daarvan. Dan zie je jezelf als het ware weerspiegelt in die voorstelling van iemand die zo naar je kijkt. Ik dacht ook: als ik me dat kan voorstellen, dan geloof ik misschien ook eigenlijk wel. Wat wil je nog meer dan dat?”

In je bundel beschrijf je dat je in een museum een video-installatie ziet van de Britse kunstenaar David Hockney. Daarna concludeer je: het intensieve kijken maakt de wereld betekenisvol. Wat was dat voor video-installatie?
“Dat heeft ook een beetje te maken met waar we het net over hadden, met dat oog dat alles ziet. David Hockney had op een auto een rek gemaakt met negen camera’s in een vierkant, dus steeds drie boven elkaar. Met die auto was hij heel langzaam, langs de berm van een weg gereden, waar struiken stonden, blaadjes lagen, het waaide een beetje. Niks bijzonders. Op het videoscherm dat werd geprojecteerd zag je die negen beelden ook zo in een vierkant. Het wonderlijke was… Normaal kijk je door één camera. Dat vernauwde perspectief ontbrak nu, want elke camera gaf een scherp beeld van een deel van die wegberm. Waar je ook kijkt, alles is dan even belangrijk. En dan voél je ook ineens dat dat zo is: dat alles even belangrijk is. Ergens daarboven zie je het bewegen van een zilverig blaadje, maar ondertussen gebeurt er ook iets daar beneden: het wuiven van een grasje. En alles waar je niet naar kijkt sla je over, wat een bijna hongerig gevoel geeft: ik wil dit allemaal zien. Dan voel je echt wat het zou betekenen om het allemaal te zien en volop waar te nemen. Dan komt er een golf van betekenis over je heen: het doét er allemaal toe.”

Waarom gebruik je het woord ‘betekenisvol’ bij deze ervaring?
“Omdat ik ineens de stellige overtuiging kreeg dat ‘het’ ertoe doet. Misschien dat je kunt zeggen dat onverschilligheid de ergste zonde in het leven is; het meest dodelijk voor het gevoel dat het iets betekent om in leven te zijn.”
Thuis bij Marjoleine de Vos aan de muur hangt een oproep van humanisticus Jan Warndorff: ‘Probeer van zoveel mogelijk zoveel, mogelijk te houden.’
“Het is een aansporing tot intensivering van je leven, en van je betrekkingen tot anderen en alles wat je omringt”, zegt ze. “Daar komt het toch op aan: bij voorkeur het leven enigszins betekenisvol vinden. Dat doe je door je erop te richten en niet te wachten tot de zin van dit alles zal worden geopenbaard. Dan kun je lang wachten.”

Paspoort
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 1957) is dichter, journalist en essayist.
● Sinds 31 jaar redacteur bij NRC Handelsblad. Ze schrijft voor die krant nog wekelijks een column.
● Van 2006 tot en met 2013 was ze ook columnist voor Volzin. Hield in 2010 de Volzin-lezing.
● Bracht in 186 het kinderboek De wereldworst uit.
● Publiceerde vier dichtbundels: Zeehond graag (2000), Kat van sneeuw (2003), Het waait (2008), Uitzicht genoeg (2013).
● Schreef voor NRC jarenlang over koken en eten en bracht twee kookboeken uit: De thuiskok (2005) en Een vis, zwemmend in roomsaus (2009).
● Recent verscheen de essaybundel Doe je best. Lof van het ongrijpbare leven (Van Oorschot, 144 blz., € 17,50).
Marjoleine de Vos woont in het Groningse dorp Toornwerd.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda