FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 31 May 2018 06:04

Het was de hovenier

Tekst: Bert van der Kruk Tekst: Bert van der Kruk Beeld: Bettina Traas

‘Poëzie hoort helemaal bij mijn leven. Ik kom uit een gezin waar de poëzie vooral bestond uit de psalmen en gezangen in de kerk. Maar ik was een enorme lezer en sleepte boeken uit de bibliotheek naar huis, zoals een eekhoorn nootjes naar zijn nest. De echte liefde voor de poëzie ontstond op de middelbare school, dankzij een fijne lerares Nederlands, en heeft me daarna nooit meer verlaten. Ik ging zelf ook gedichten schrijven; poëzie is misschien een groot woord, maar toch. Ooit heb ik als 21-jarige, toen ik theologie studeerde in Utrecht, bij professor Hasselaar mijn grote dogmatiekexamen afgelegd naar aanleiding van sonnetten die ik zelf had geschreven. Ik had al die dikke boeken over klassieke dogmatiek wel doorgeworsteld hoor, maar poëzie zegt zoveel meer en in een veel korter bestek. Poëzie probeert het onzegbare te zeggen; iets wat ik in mijn werk ook altijd heb geprobeerd.

Dit is een van de vele gedichten die ik uit mijn hoofd ken. Het heeft tijdens mijn hele predikantschap met me mee geleefd. Met Pasen koos ik bijna altijd voor lezing uit het Evangelie van Johannes, het enige dat heel poëtisch vertelt over Maria Magdalena bij het graf die denkt dat Jezus de tuinman is. Ik heb me daartoe aangetrokken gevoeld, natuurlijk ook omdat ik zelf een vrouw ben en het bijzonder vind dat de eerste getuige én verkondiger van de opstanding een vrouw is. Dat willen de heren in de kerk nog weleens vergeten. Nadat ik het schilderij van Rembrandt had gezien, was ik nog meer geraakt. Rembrandt schetste Jezus met een grote hoed op en een schopje in de hand, dus niet als geestverschijning, maar als werkmens. Sinds mijn eerste pastorie in Oudorp ben ik een fervent tuinierster. Werken in de tuin biedt een fantastisch tegenwicht tegen al het bezigzijn met woorden en gesprekken. Ook de metafoor van de tuin spreekt me aan, de secret garden, als plaats van contemplatie, waar de wereld even is buitengesloten, waar je tot jezelf kunt komen en waar je het mysterie van het leven ziet: het leven dat uit de dood ontstaat. Tegelijk heeft de tuin alles met het gewone leven te maken, zeker ook met het werken in een kerk. Ook daar ben je voortdurend bezig ervoor te zorgen dat dingen de goede kant op groeien, dat mensen die in de verdrukking dreigen te komen, ruimte krijgen en lucht en licht.

Het mysterie van de opstanding uit de dood, daar kan ik met mijn verstand niet bij, en dat hoeft ook niet. Misschien moet je er niet te veel over willen zeggen en kun je er beter van zingen. Voor mij heeft geloof veel met gevoel te maken en als je gevoel zegt, dan zeg je algauw zingen. Ik kan tranen in mijn ogen krijgen bij muziek, bij een schilderij. In het echte leven ook; ik ben gauw ontroerd. Toen ik vier jaar geleden, vlak na het plotselinge overlijden van mijn allerliefste zusje, een erfelijke aandoening bleek te hebben en een openhartoperatie moest ondergaan, ben ik een tijdje volstrekt van mijn geloof gevallen. Ik was het kwijt, ik voelde niks meer. Zelfs God kon niet meer bij dat zieltje van mij. Maar het geloof is teruggekomen, door muziek. Ik heb dat heel emotioneel beleefd toen ik tijdens mijn revalidatie op een zondagochtend in een kapel in Schotland zat en we bij een wat krakkemikkig orgel met z’n allen zongen: Praise my soul, the King of heaven. Ik heb daar toen een hele partij tranen bij gelaten. Ik was zo blij dat ik het voelde. Ik dacht: het is er weer.”

Fokkelien Oosterwijk (Haarlem, 1952) neemt met Pinksteren afscheid van de Westerkerk in Amsterdam, waar zij sinds 1995 voorganger is. Daarvoor was zij predikant in Maastricht en Oudorp. Oosterwijk schreef onder meer De bijbel in een notendop (2006). In 2012 publiceerde ze de liederenbundel Zingen in zonlicht.

CHRISTUS ALS HOVENIER
Zij dacht dat het de hovenier was. Joh. 20:15
Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was een hovenier.
En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en – wat terzijde – in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.
O kinderdroom van groen en goud –
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.
Hij is de hovenier.

Ida Gerhardt (1905-1997), uit: Verzamelde Gedichten (Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 1992).

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda