FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
woensdag, 23 May 2018 07:20

Meer dan een verstandshuwelijk

Tekst: Martien E. Brinkman Tekst: Martien E. Brinkman Beeld: Jedi Noordegraaf

Schrijver Frans Kellendonk had gelijk: We kunnen wel de grote woorden van de christelijke traditie afschaffen, maar niet het verlangen waarvan ze altijd hebben geleefd. Theoloog Martien E. Brinkman valt hem bij: “In de fascinatie voor het mysterie van ons bestaan en in de poging dat mysterie ‒ hoe paradoxaal dat ook moge klinken ‒ zo adequaat mogelijk te duiden, treffen poëzie en religie elkaar.”

Enige tijd geleden constateerde de dichter en essayist Willem Jan Otten dat veel hedendaagse theologen liever dichters als Rutger Kopland en C.O. Jellema citeren dan Paulus of Jesaja. Dat lijkt wat overdreven, maar ondertussen verwoordt hij wel een probleem dat wellicht als verklaring voor die voorkeur kan dienen. Letterlijk schreef Otten: “Voor gelovigen wordt het steeds lastiger om uit te leggen wat je bedoelt, omdat de geloofstaal niet meer ontwikkeld wordt, dát is het grote probleem van dit moment. In onze samenleving zijn we die taal kwijtgeraakt, maar op een wonderlijke manier is die binnen de kerk bewaard gebleven. Om van daaruit je eigen ervaringen als gelovige uit te kunnen drukken buiten die kerk is lopen op een smal richeltje. Er is bijna niemand met wie je die poging kunt delen.”
Door naar dichters te grijpen doen hedendaagse theologen in feite hetzelfde als de kerk der eeuwen, namelijk een brug slaan tussen kerk en cultuur. Vroeger wendde men zich daartoe tot de filosofie, maar nu er geen breed gedeelde filosofie meer is, grijpt men naar de kunst. Het debat ging daarbij altijd over de vraag of de gekozen brug niet te smal was. Bepaalt de keuze van een brug niet wat erover vervoerd kan worden? Met andere woorden: houdt de fixatie op dichters als Kopland en Jellema niet automatisch in dat je ook bij een soort Kopland- en Jellema-evangelie uitkomt?
Dat zal zeker ten dele waar zijn. Dat gold in het verleden ook voor de filosofieën waar de theologie haar begrippen aan ontleende. Die lieten ook hun sporen na. Maar men claimde ook altijd de overgenomen begrippen met nieuwe, christelijke inhoud te kunnen vullen. Het ging altijd om kritische toeëigening. Die speelruimte kan er ook tussen theologie en poëzie bestaan.

Een net van betekenissen
Over wat poëzie is, zijn inmiddels bibliotheken volgeschreven. Ik licht er slechts een paar kenmerken uit. In de eerste plaats denk ik aan het zorgvuldige, subtiele karakter van poëzie. In een gedicht steekt het nauw. Dat ene woord doet ertoe. Poëzie kan in woorden exact benoemen waarom dat wat onbegrepen dient te blijven in al zijn raadselachtigheid moet blijven bestaan. In die fascinatie voor het mysterie van ons bestaan en in de poging dat mysterie ‒ hoe paradoxaal dat ook moge klinken ‒ zo adequaat mogelijk te duiden, treffen poëzie en religie elkaar.
In de tweede plaats zie ik een parallel tussen de ontvankelijkheid voor ontroerende poëzie en een open, religieuze grondhouding. De Autralische dichter Les Murray (1938) heeft die parallel prachtig verwoord in het hier afgedrukte gedicht Poëzie en religie. Onder poëzie verstaat hij veel meer dan alleen maar gedichten. Mensen zijn voor hem poëtische wezens die voor zichzelf in hun taalgebruik een wereld van betekenissen creëren. Zo vormen ze een hele reeks van elkaar overlappende poëzieën (poetries). Een ‘poëzie’ is voor Murray een net van uiteenlopende betekenissen dat een mens over de werkelijkheid uitwerpt om aldus die werkelijkheid te kunnen vangen in een betekenisgevend geheel. Zo worden allerlei aspecten van de werkelijkheid steeds opnieuw ondergebracht in een bestaande poëtische structuur. Ieder heeft en is zo zijn eigen gedicht, ook al kan dat gedicht soms in grote lijnen met vele anderen gedeeld worden. Die gedichten kunnen grote idealen verwoorden. Maar ze kunnen ook heel gewone, materiële zaken betreffen. In het geval van religies omvat het gedicht het gehele leven.
In dergelijke gedichten ziet Murray het waakleven, ons ‘daglicht-ik’, het bewuste, samengaan met het droomleven, ‘onze dromende ziel’, het onbewuste. Wanneer dan ook nog dat waak- en droomleven door het ritme van de woorden van het gedicht een stevige lichamelijke verankering krijgt, is er echt sprake van poëzie. Ervan uitgaande dat niet elk gedicht poëzie is, stelt hij dat een gedicht van de poëzie opvangt wat een religie van God opvangt. In beide gevallen gaat het om ontvankelijkheid voor het geven van betekenis aan ons leven.

Aanwezige afwezigheid
Van hieruit is het nog maar een kleine stap naar de verbeelding waarvan poëzie en religie leven. De Poolse dichter Czesław Miłosz (1911-2004) kon God ‘de vader van de verbeelding’ noemen. Dat is wat poëzie in de derde plaats, naast het zorgvuldige en het ontvankelijke, zo geschikt maakt om dat wat religie beoogt te verwoorden. Poëzie en religie leven beide van de kracht van de menselijke verbeelding waarin een mens zijn eigen grenzen overstijgt. Die verbeelding kan een ‘vader’ hebben, een externe katalysator. Ze wordt dan als het ware van buitenaf ingeroepen.
En verbeelding wordt op haar beurt weer gevoed door een gevoel van gemis en het verlangen naar vervulling dat daarmee doorgaans gepaard gaat. Dat is in de vierde plaats een aspect van poëzie dat de vergelijking tussen religie en poëzie zo boeiend maakt. Missen is het vermogen te ervaren wat of wie afwezig is. Om het in de woorden van emeritus hoogleraar religie en zingeving in literatuur en kunst Johan Goud te zeggen: “Het haalt de afwezigheid van wat of wie afwezig is naar voren, meestal voor even, in een herinnering, een gedachte, een visualisering, of meer materieel: in een ruimte, een voorwerp, een stukje brood. Door dit procédé raakt de/het afwezige in zekere zin aanwezig.” Het gaat dan altijd om een ambivalente aanwezigheid. Die gemakkelijk verstoord kan worden en die de afwezigheid niet opheft. De parallel tussen dergelijke poëzie en een ritueel als dat van het avondmaal/de eucharistie ligt dan voor de hand. Dan gaat het ook om een aanwezige afwezigheid.
Kortom, het zorgvuldige, het ontvankelijke, het verbeeldende en het verlangende van aansprekende poëzie maakt haar bij uitstek geschikt om het mysterie van ons bestaan te verwoorden en daarmee haar religieuze dimensies bloot te leggen.

Het onuitsprekelijke
Vroeg of laat stuit menig dichter op het onuitsprekelijke waarvoor hij/zij toch woorden wil vinden. Sommige dichters geven die poging al snel weer op, andere blijven er levenslang naar op zoek. Dat onuitsprekelijke wordt vaak met het goddelijke of God verbonden, maar dat hoeft niet per se. Een verwijzing naar het goddelijke of God kan ook achterwege blijven.
De klassieke omschrijving van het onuitsprekelijke als het mysterium tremendum et fascinans (het huiveringwekkende en tegelijk fascinerende mysterie) van de hand van de godsdienstwetenschapper Rudolf Otto (1869-1937) blijkt nog steeds de ervaringen van velen te kunnen typeren. Otto kon ook het woord ‘numineus’ gebruiken. Dat verwijst naar geheimnisvolle verwondering. Het duidt de afstand aan die het zich klein en afhankelijk voelende schepsel ervaart tegenover iets groters dat hem overstijgt. Het gaat dan om de intuïtie dat er iets bestaat voorbij het leven zoals wij dat dagelijks ervaren.
Met dergelijke woorden (het huiveringwekkende, fascinerende, mysterieuze, numineuze) poogt Otto de kern van een religieuze ervaring te vangen. Een ervaring die boven onze rationaliteit en moraliteit uitstijgt. Niet voor niets geeft Otto in zijn befaamd geworden boek Das Heilige het hoofdstuk over het mysterieuze een bekend woord van de mysticus Gerhard Tersteegen (1697-1769) als motto mee: ‘Ein begriffener Gott ist kein Gott’. Als uitwerking van deze gedachte tast hij zorgvuldig de vele dimensies van het begrip ‘heilig’ af. Het staat voor het onbenaderbare en onaantastbare. Het gaat dan om dat wat zich aan onze greep onttrekt. Maar tegelijkertijd duidt het ook op het onschendbare dat juist een appel op ons doet.
De Franse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) verstaat die ervaring van het heilige als een stuiten op de essentie der dingen (‘l’essence sans mélange’). Het heilige en het goddelijke raken elkaar dan. Het kan dan gezien worden als iets dat het zichtbare menselijke bestaan overstijgt (en daarmee zich ook aan onze greep onttrekt), maar waartoe we wel in een bepaalde, ons bestaan diep rakende relatie staan.
Voor Les Murray zijn gedichten kleine religies en godsdiensten grote gedichten. Beide houden ons een spiegel voor. Beide zijn onuitputtelijk en volledig in de zin dat ze alle dimensies van het leven weerspiegelen. Ze zijn ‒ zo schrijft Murray ‒ uitingen van het ‘hele denken’ waarin ons ‘daglicht-ik’ en onze ‘dromende ziel’ verenigd worden: Zo is God de in elke religie opgevangen poëzie/opgevangen ‒ niet gevangen ‒ als in een spiegel//die hij opriep door in de wereld te zijn/wat poëzie is in het gedicht: een wet tegen afbakeningen.
Het poëtische en het goddelijke zijn nooit definitief vast te leggen. Beide vormen ze een regel (‘een wet’) tegen al te strikte afbakeningen. Zoals in elke conceptualisering van een ultieme werkelijkheid het onvoorstelbare een legitieme plek heeft, zo neemt in elke verwoording van die werkelijkheid het onuitsprekelijke ook een haast vanzelfsprekende plaats in.

Een vorm van mystiek
Veel hedendaagse dichters raken aan een vorm van mystiek. Daaronder wordt doorgaans een kortstondige persoonlijke verbondenheidservaring tussen mens en God of tussen mens en natuur verstaan ‒ niet te verwarren met een gelijkheids- of gelijkwaardigheidservaring. Wat onder God en wat onder natuur verstaan wordt, loopt vaak in elkaar over en kan met vele uiteenlopende woorden worden aangeduid: stilte, licht, systeem, leegte, liefde, thuiskomst, wind, nietigheid, vergankelijkheid, grootsheid, gat. Het is een ervaring die ten opzichte van dat wat we dagelijks met onze zintuigen ervaren een ‘teveel’ vertoont. Het stijgt daar boven uit en kenmerkt zich meestal door iets overompelends: het overkomt een mens. De betreffende ervaring is vaak slechts een incidentele, sporadisch voorkomende.
Aan deze ervaring is meestal ook een specifieke houding verbonden die eveneens met vele uiteenlopende woorden kan worden aangeduid: onschuld, argeloosheid, verwondering, ontvankelijkheid, sprakeloosheid, verwachting, gelatenheid, verlangen, hoop, berusting.
In veel gevallen worden deze ervaring en deze houding door de huidige generatie dichters nogal scherp tegenover in kerk en theologie verwoorde religieuze ervaringen geplaatst. Het lijkt dan net alsof het om totaal verschillende ervaringen gaat. Ik vermoed dat die contrastervaring vooral voortkomt uit het doorgaans gerechtvaardigde verlangen tot herijking van een ‘dood idioom’ (Achterberg).
De eerder aangehaalde Willem Jan Otten die zich zo kritisch uitliet over veelvuldig dichters citerende ‘hedendaagse theologen’ is bij uitstek degene die zelf blijft zoeken naar raakvlakken tussen theologie en poëzie: “Theologie, in haar eerste, of laat ik zeggen: in haar primitiefste betekenis, stel ik me voor als de poging om een ogenblik van godservaring (...) in eigen woorden weer te geven, en deze rauwe, ongekookte theologie balanceert op dezelfde rand van méér moeten zeggen dan je kunt als poëzie. Of: van meer kunnen zeggen dan je dacht. Zulke theologie en poëzie wil begrijpen, vatten, maar brengt de toehoorder of lezer de sensatie hetzelfde niet te begrijpen als de spreker of de dichter.”
Voor menige huidige dichter geldt het bekende adagium van Frans Kellendonk dat je wel de grote woorden (van de christelijke traditie) kunt afschaffen, maar niet het verlangen waarvan ze altijd hebben geleefd. Misschien is verlangen zelfs nog wel iets te veel gezegd. In het scheren langs het onuitsprekelijke zit voor veel dichters ook vaak wel iets van het ‘huns ondanks’. Ze zijn er niet naar op zoek, maar zijn ‒ zoals Vasalis enigszins ironisch opmerkt ‒ ‘helaas uitgerust met veel te veel tentakels die tasten in het anders-zijnde Zijn.’ Het onuitsprekelijke blijkt vroeg of laat vaak onontwijkbaar.

Open vizier
Nu de taaldwang van een geloofsgemeenschap en van andere, als knellend ervaren instituties is weggevallen, zien we veel dichters ieder voor zich in hun eigen woorden het werkelijkheidsgehalte van hun eigen bestaan aftasten. Zo af en toe wordt er aansluiting gezocht bij het taalveld van de christelijke overlevering, maar vaker wordt juist de vrijheid ten opzichte van dat veld maximaal benut. Dat komt de authenticiteit van hun poëzie ten goede, maar maakt de duiding gecompliceerder. Hun taalgebruik past niet meer in het traditionele christelijke idioom. Dat maakt de herkenbaarheid lastiger, maar niet onmogelijk, mits het vizier maar ver genoeg is opengezet. Als God als de uiteindelijk onuitsprekelijke, onzegbare, inderdaad in religie is wat poëzie is in een gedicht ‒ een wet tegen afbakeningen (Murray) ‒ , dan lijkt een grote mate van openheid voor nieuwe formuleringen een gerechtvaardigde zaak.

Martien E. Brinkman is emeritus hoogleraar theologie aan de Vrije Universiteit. Bovenstaand artikel is een samenvatting van het voor- en slotwoord uit Brinkmans nieuwe boek Dicht bij het onuitsprekelijke. Veertien dichters over het onzegbare. De veertien besproken dichters zijn Vasalis, Hoornik, Vroman, Van der Graft, Michaelis, Lucebert, Andreus, Faverey, Jellema, Kopland, Knibbe, Gerlach, Otten en Zwagerman. Het boek verschijnt half mei bij uitgeverij Meinema (208 blz., € 19,90).

Poëzie en religie
Religies zijn gedichten. Ze verenigen
ons daglicht-ik en onze dromende ziel, ze brengen
onze emoties, instinct, adem en aangeboren gebaren

bij elkaar in het enige hele denken: poëzie.
Niets is gezegd voor het uitgedroomd werd in woorden
en niets is waar wat alleen maar in woorden verschijnt.

Een gedicht, vergeleken met een religie in volle ontplooiing,
is misschien als de korte huwelijksnacht van een soldaat –
om van te sterven en te leven. Maar dat is een kleine religie.

De volgroeide religie is het grote gedicht in liefdevolle herhaling
en moet zoals elk gedicht onuitputtelijk zijn, en volledig,
met wendingen waar we vragen Waarom heeft de dichter dat nou gedaan?

Een leugen kun je niet bidden, zei Huckleberry Finn;
je kunt er ook geen dichten. Het is dezelfde spiegel:
als het beweeglijk is en flonkert, noemen we het poëzie,

en religie, als de kern is verankerd.
Zo is God de in elke religie opgevangen poëzie
opgevangen – niet gevangen – als in een spiegel

die hij opriep door in de wereld te zijn
wat poëzie is in het gedicht: een wet tegen afbakeningen.
Religie zal er altijd zijn zolang er poëzie is

of ontbreekt. Beide zijn gegeven, en periodiek,
als de vlucht van sommige vogels – kroonduif, rosella ‒
met de vleugels gesloten, even uitwiekend, en dan weer gesloten.

Uit: Les Murray, De planken kathedraal ( De Harmonie, 2013); vertaling: Maarten Elzinga.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda