FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 26 March 2018 09:09

Gevraagd: Een zacht calvinisme

Tekst: Bas de Gaay Fortman Tekst: Bas de Gaay Fortman

Dit jaar is het vier eeuwen geleden dat de nationale synode van Dordrecht de grondslagen vastlegde van het vaderlandse protestantisme. Maar van een ‘feest’ kan volgens Bas de Gaay Fortman geen sprake zijn. Daarvoor is er met ‘Dordt’ te veel fout gegaan. De remonstranten die de ‘leer van de eeuwige verwerping’ niet konden aanvaarden, werden door de synode buiten de kerk gezet. Ten onrechte, meent De Gaay Fortman. Hij  pleit voor een ander, zachtmoediger calvinisme.

Met een dienst in de Grote Kerk van Dordrecht werd op 13 november 1618 een synode geopend van de Gereformeerde Kerk, het nationaal kerkverband dat uit de reformatie was ontstaan. Het ging hier zelfs om een internationale synode waarvoor eveneens afgevaardigden van acht buitenlandse gereformeerde kerken naar Dordrecht waren gekomen. Kerkelijk was er de ambitie naar het voorbeeld van de rooms-katholieke kerk een internationale Gereformeerde Kerk te stichten. Maar ook de Republiek der Verenigde Nederlanden die twintig jaar eerder was uitgeroepen kon de erkenning die uitging van een internationale manifestatie goed gebruiken. Kortom, een indrukwekkende gebeurtenis waarmee de republiek een krachtig signaal uitgaf richting buitenwereld: de reformatie had zich in Nederland met nationale en internationale erkenning genesteld en het proces van staatsvorming was voltooid. Eind van het jaar zal dit worden herdacht; daartoe is vorig jaar in het Dordrechts Museum al de aftrap gegeven.
Nu is er elk jaar wel het een en ander te vieren en te gedenken en meestal valt daar ook wat van op te steken. Zo werd in 2017 veel aandacht besteed aan vijf eeuwen reformatie vanaf die (historisch betwiste) begindatum van 31 oktober 1517 toen Maarten Luther in Wittenberg zijn 95 stellingen tegen dwaling en misbruik door de roomse kerk op de deur van de kerk spijkerde. Het mondde uit in een plechtige herdenkingsdienst in de Utrechtse Domkerk met deelname van bisschop Gerard de Korte als teken van niet alleen religievrede maar ook oecumenisch eerbetoon. In betuiging van katholiek respect voor de protestantse traditie was paus Franciscus al voorgegaan, nog voor aanvang van het ‘reformatiejaar’.
Niet zelden zit er aan zo’n viering ook een keerzijde. In het Reformatiejaar lag die in smet op Luthers blazoen door diens rol bij het neerslaan van de Duitse boerenopstand en in het gebrek aan voortgang in de oecumene sinds het tweede Vaticaans concilie (1962-1965) daartoe de weg had geëffend. Zo is er officieel nog steeds geen intercommunie.

Kerkelijke twisten
Ook bij de komende viering van vier eeuwen ‘Dordt’ is er een tegenkant die tot denken zet. Maar eerst nog iets over de positieve betekenis van die kerkvergadering. Dordt verdient bovenal een viering om de opdracht die door deze synode werd gegeven voor een Nederlandse bijbelvertaling uit de Hebreeuwse en Griekse grondtekst. Op de Staten-Generaal werd een beroep gedaan voor financiering. Toen die in 1625 rond was konden de door de synode benoemde vertalers hun werk beginnen en de revisoren – onder wie de dichter-dominee Jacob Revius – dat beoordelen. In 1637 was het klaar en kon er gedrukt worden.
Terecht is deze ‘Statenvertaling’ als een van de vijftig hoofdmomenten opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Vermeldenswaard is dat ook de remonstranten ermee waren ingenomen. In Dordt waren die uit de Gereformeerde Kerk gezet en in dit gedenkjaar betekent dat een pijnlijke confrontatie met een protestantse kerkgeschiedenis vol onenigheid en kerkscheuring.
Hoewel Dordt juist eendracht wilde uitstralen, speelden er tijdens die kerkvergadering twee twisten. De eerste ging tussen ‘kerkelijken’ en ‘politieken’. Aan de ene kant was er een overgrote meerderheid van predikanten die niet alleen binnen maar ook buiten de kerk de godsdienst wilden regelen. Daartegenover stonden de ‘politieken’, onder wie Johan van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot, die vasthielden aan de Unie van Utrecht van 1579 waarin voor elke provincie het recht van de Staten was vastgelegd een eigen godsdienstig beleid te voeren. Cynisch genoeg vond de slotzitting van de Dordtse synode plaats in mei 1619, kort nadat landsadvocaat en raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt in Den Haag was onthoofd. Meer dan een overwinning van de kerkelijken was dat een persoonlijke misstap van stadhouder Maurits die met Oldenbarnevelt niet overweg kon. Een theocratie – calvinistische republiek – is Nederland nooit geworden.
Wel was de bijeenkomst in Dordrecht vooral een machtsstrijd tussen twee verschillende opvattingen over de uitverkiezing van mensen tot eeuwige zaligheid of juist niet. Daarover was tussen de Leidse hoogleraar Gomarus en zijn leerling Arminius een theologisch dispuut ontstaan. De synode was bewust bijeengeroepen om de leer van Gomarus te bevestigen en wel met internationaal gezag. Maar waar ging dit eigenlijk over? Het antwoord op die vraag is verbazingwekkend: over Gods raadsbesluit ‘uit de gemene menigte der zondaren’ sommigen uit te verkiezen (‘zich tot een eigendom aan te nemen’) maar anderen ‘te blijven verdoemen en eeuwiglijk te verwerpen’. Nog opmerkelijker is dat niet eeuwige verwerping op zich ter discussie mocht staan maar louter de vraag of en hoe God zou kunnen terugkomen op wat Hij reeds van eeuwigheid had vastgelegd.

Dordtse leerregels
Hier bevinden we ons op het terrein van ‘de Dordtse leerregels’, het besluit waarmee de synode van Dordrecht boven al het andere bekendheid heeft gekregen. Op dat leerstuk van de eeuwige verwerping hadden de aanhangers van Arminius, arminianen genoemd, een remonstrantie (vertoogschrift) van vijf artikelen ingediend tegen bepaalde formuleringen in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561) en de Heidelbergse Catechismus (1563). Sindsdien heten zij remonstranten. De repliek van de gomaristen kreeg de vorm van vijf lange artikelen tegen de remonstranten en zo maakten die zichzelf tot ‘contraremonstranten’. Als ‘Dordtse leerregels’ werden de artikelen tegen de remonstranten opgenomen in de confessionele grondslag van de kerk en maken ze sindsdien deel uit van ‘de drie formulieren van enigheid’.
God, zo meende men toen, heeft in zijn raadsbesluit van voor alle tijden mensen die Hij ‘niet uit de gemene menigte der zondaren Zich tot een eigendom heeft aangenomen’, voor eeuwig verworpen. Het dispuut ging over de vraag of Hij in geval van een in leer en leven bekeerde zondaar daarop nog kon terugkomen. Zo nee, stelden de arminianen, dan was God zelf medeschuldig aan kwaad en erfzonde. Zo ja, repliceerden de gomaristen, dan konden mensen dus zichzelf redden uit de erfzonde en was er niet langer sprake van Calvijns Sola Gratia: alleen uit Genade.
Vier eeuwen later klemt de vraag wat we hier nog mee kunnen en moeten. De onmiddellijke verleiding is die Dordtse leerregels af te doen met woorden van Han Lammers, een originele geest die zijn loopbaan was begonnen als theologiestudent en geëindigd als politiek bestuurder maar zijn leven lang God was blijven loven op het orgel. Van dogmatiek zei hij: “God die leest dat als Tom Poes”... Komisch dus. Daarachter ligt een serieuze aanmaning: deins terug voor het mysterie God en probeer niet met kennistaal de grote geheimen van oorsprong, doel en zin van de geschiedenis en van leven en dood te verwoorden. Wie met taal en beelden van de natuur de bovennatuur te lijf gaat lokt ridiculisering uit à la die vergelijking met een klassiek stripverhaal.
Wat onze menselijke beperkingen te boven gaat leent zich niet voor godgeleerd proza maar vraagt om poëtische vertaling in muziek en lied. Zó zijn dan ook de oude belijdenissen ontstaan, als ortho-doxie, letterlijk de rechte lofzangen. Daaronder zet je niet je handtekening maar je zíngt die woorden, zoals het Credo van Nicea dat doet in, ten slotte, de verwachting van ‘het leven van de komende eeuw’. De omzetting van zulke lofzangen in leerstellingen ontdoet ze van hun poëtisch karakter. Daarmee wordt geloof vernauwd en verabsoluteerd op een wijze die gelovigen kan verwarren en verdelen.

Nederlaagcalvinisme
Er klemmen nog twee principale kwesties vanuit de actualiteit. De eerste betreft de angst voor eeuwige verwerping die onder de christenheid nog niet is uitgebannen. Zeker, vierhonderd jaar geleden leefde de vrees voor hel en verdoemenis veel sterker dan vandaag maar ook nu is die er nog. Tekenend is de vraag in Hoor nu mijn stem van Franca Treur die hoofdpersoon Ina na Opa’s dood aan een buurjongen had willen stellen: “Hoe kon het dat iemand die zijn hele leven naar de kerk was geweest en keurig volgens de Bijbel had geleefd, toch verloren ging?” “Maar zij wist wel”, voegt de schrijfster toe, “dat die daar ook geen antwoord op had”.
Wat bij religieuze angst voor eeuwige verwerping bovenal wordt gevraagd is zielzorg die uitstijgt boven elke vorm van leerstelligheid. Schitterend wordt zulk pastoraat beschreven in Lila, het derde deel van Marilynne Robinsons Gilead trilogie. Hier wordt een ander calvinisme verwoord dan de overwinnaarsvariant met keiharde belijdenissen die met de vestiging van reformatorische macht in de Nederlanden wortel heeft geschoten. Een zachtmoedige beleving van ‘Gods genadige voorzienigheid’ is daarentegen verbonden met het nederlaagcalvinisme dat in Frankrijk de geloofsvervolging overleefde. In tijden van vervolging en verkommering hebben mensen troost nodig en bemoediging. Calvijn bood die met de verzekering dat God in zijn genadige voorzienigheid hen zou opnemen in zijn heerlijkheid. Dat stond al vast.

Kerkscheuring
De tweede actualiteit van Dordt ligt in de protestantse verdeeldheid die nog altijd het kerkelijk patroon in ons land kenmerkt. Gekscherend heet het ‘één Nederlander een beginsel, twee Nederlanders een kerk, drie Nederlanders een scheuring.’ In de Dordtse kerk aan de Kloveniersdoelen waar het eigenlijke dispuut plaats vond waren de kemphanen in twee recht tegenover elkaar staande banken geplaatst. Die vergadermodus staat garant voor verharding van een conflict en zo moest het daar wel op een kerkscheuring uitlopen. Ook van remonstrantse kant ging het er buitengewoon heftig aan toe. De sententie waarbij hun uitzetting werd uitgesproken stelt dat ‘alle hunne handelingen altijd vol streken, bedrog en bedriegerijen waren geweest’ en dat ze daarom weggestuurd werden. Ook inhoudelijk hadden ze hun verwijten scherp geformuleerd, de aantijging dat de contraremonstranten God zelf het kwaad wilden toerekenen voorop. Te bedenken valt evenwel dat die kerkvergadering al de opzet had hun inzichten te veroordelen.
Vier eeuwen later is er natuurlijk geen enkele reden dit kerkdispuut nog eens dunnetjes over te doen. (Een Dordtse kerkvergadering ter bevestiging van de vijf artikelen tegen de remonstranten is vanuit refohoek al aangekondigd.) Constructiever is het juist dit jaar de breuk met de remonstranten te helen. Na die synode organiseerden zij zich in een ‘broederschap’ die het kerkelijk belijden zo licht opvat dat wie toetreden hun belijdenis persoonlijk mogen schrijven. Evenals katholieken en doopsgezinden waren ze voor kerkdiensten voortaan aangewezen op schuilkerken, de vorm waarin gedogen en religievrede zich in dit land manifesteerden. Geen volledige godsdienstvrijheid maar in een tijd van religieus gemotiveerde oorlogswaanzin zoals de dertigjarige oorlog in Duitsland (1618-1648) kende Nederland toch een uitzonderlijke nationale vrede.
In de 400 jaar sinds Dordt zijn we een eind verder gekomen. Complete godsdienstvrijheid kwam er met de grondwetherziening van 1848. Staat en kerk zijn volledig van elkaar gescheiden. Een traag verlopend proces van reformatorische eenwording mondde ten langen leste uit in de PKN. Die letters staan voor de Protestantse Kerk in en dus niet van Nederland. Dordt lijkt nu vooral religieus erfgoed. Toch worden de Dordtse leerregels nog steeds vermeld in ‘de gereformeerde traditie’ waarmee de Protestantse Kerk in Nederland ‘zich verbonden weet’. Onmiskenbaar is de leer van de eeuwige verwerping die voor de artikelen tegen de remonstranten de basis vormde in de PKN geen levend belijden, integendeel. De formulering in de kerkorde behoeft dan ook een toelichting opdat remonstranten in het proces van reformatorische eenwording niet langer worden buitengesloten. Te hopen valt dat in dit ‘Dordtjaar’ de protestantse synode tot een artikel vóór de remonstranten zal besluiten.

Bas de Gaay Fortman is emeritus hoogleraar van het Institute of Social Studies in Den Haag en van de Universiteit Utrecht. Van 1971 tot 1991 was hij lid van de Staten-Generaal. Hij was lange tijd actief in de Wereldraad van kerken. Nog steeds gaat hij voor in diensten van de Protestantse Kerk in Nederland.
Recente publicaties zijn: Moreel erfgoed. Koers houden in een tijd van ontwrichting en samen met zijn kleinzoon Olivier De Grondwetwijzer. Voor democratisch debat en politieke praktijk. Van dit laatste verscheen onlangs een speciale editie Voor dialoog en praktijk in de gemeentepolitiek. Genoemde boeken verschenen bij uitgeverij Prometheus.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda