FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
woensdag, 21 March 2018 06:09

Veiligheid of privacy?

Tekst: Marcel Becker Tekst: Marcel Becker Beeld: ANP Foto

Gelijktijdig met de gemeenteraadsverkiezingen kan de burger op 21 maart zijn stem uitbrengen in een referendum over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017. Tegenstanders van deze ‘sleepwet’ vrezen een aantasting van de privacy van burgers. Hoe terecht is hun angst?

Onverzoenlijk staan ze tegenover elkaar: veiligheid en privacy. Aan de ene kant de realisten die het gevaar van (moslim)terrorisme onder ogen zien, aan de andere kant degenen die erkennen dat de zoveelste bedreiging voor onze levenssfeer om de hoek ligt. En het is aan de burger om kleur te bekennen. Met het aanstaande referendum over de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 geeft de kiezer in het stemhokje aan of hij een angstige hardliner of een naïeve softie is.
Laten we hopen dat de discussie zó niet wordt gevoerd. Veiligheid en privacy zijn beide als grondrechten opgenomen in de verschillende mensenrechtenverklaringen (Amnesty International spreekt vanwege de privacybedreiging in de wet van ‘schending van de mensenrechten’). De vraag ‘ben je voor veiligheid of ben je voor privacy?’ formuleert een onmogelijke keuze. Beter is het om te kijken naar de concrete invulling die beide begrippen in dit concrete geval krijgen.

Terreurdreiging
Laten we beginnen met veiligheid. De aanslagen in landen om ons heen hebben geleerd dat er een reële dreiging is. Gruwelijke beelden van onschuldige slachtoffers roepen op tot bijstelling van de veiligheidsmaatregelen. Die bijstelling is hard nodig want nieuwe technologieën roepen nieuwe mogelijkheden voor terroristen op. Communicatie van mogelijke terroristen via e-mail, sociale media, mobiele telefonie, hun chatapplicaties en locatiegegevens van hun auto’s, al deze zaken zijn vaak niet zichtbaar voor speurende veiligheidsdiensten, en dat is geen goede zaak. Niemand kan dat in naam van een heilig verklaarde waarde (‘privacy’) ontkennen. Maar hoever gaan we in de opsporing? Het is goed om eens kritisch naar het woord ‘terrorisme’ te kijken. In dit woord klinkt het woord ‘terreur’ door, schrikbewind. Met de aanslagen op onschuldige slachtoffers maken terroristen ons bang. Maar moeten we altijd toegeven aan de angst? Spreken van een schrikbewind is overdreven voor een dreiging die in ons land (vooralsnog) minder slachtoffers heeft gekost dan bijvoorbeeld de ophoging van de snelheidslimiet naar 130 kilometer per uur.
De andere poot van het dilemma, ‘privacy’, heeft afgelopen decennium een snelle opmars gemaakt, met dit referendum als voorlopig hoogtepunt. Het was lange tijd gebruikelijk om privacy te beschrijven als een onaantastbare levenssfeer rond een individu waar niemand binnen mag komen. Dat klinkt abstract maar een eenvoudig voorbeeld mag het verduidelijken. Recent heeft Facebook het bizarre initiatief ontwikkeld om het verspreiden van naaktfoto’s tegen te gaan. Mensen kunnen naaktfoto’s naar Facebook sturen, waarna het bedrijf er een digitale ‘vingerafdruk’ van maakt. Mocht iemand een foto die overeenkomt met de betreffende foto willen doorsturen, dan zou Facebook verspreiding ervan blokkeren. Het Facebook-initiatief getuigt van grote naïviteit: zogenaamd privacy beschermen door haar eerst massaal aan te tasten. Bij privacy gaat het erom dat iets essentieel bij en van een individu is, en dat hij dat met niemand hoeft te delen. Op de achtergrond spelen waarden als autonomie – zelf keuzes maken – en authenticiteit – spontaan en vrijelijk toegeven aan je opwellingen. Als mensen dingen van mij weten of mij constant observeren worden deze belemmerd en is er een privacyprobleem.

Sleepnet
In het huidige tijdperk van massale opslag en doorstroming van informatie is de privacy-omschrijving waarin het individu centraal staat, niet voldoende. Op allerlei manieren stellen we ons informationeel ‘bloot’ aan anderen, en de vraag wie wat van mij mag weten loopt dwars door categorieën als privé-publiek en persoonlijk-professioneel. Mijn salaris en medische gegevens zijn in zeker ‘persoonlijk’, maar ik bespreek ze graag met respectievelijk mijn baas en mijn dokter. In het informatietijdperk is privacy dan ook te omschrijven als de juiste omgang met gegevens door organisaties. Een juiste omgang garandeert dat mensen hun werk kunnen doen maar ook dat mensen die de informatie niet nodig hebben, haar ook niet in handen krijgen. Denk hierbij ook aan het beroepsgeheim.
Na deze nuances staan ‘veiligheid’ en ‘privacy’ niet als onverzoenlijk tegenover elkaar, maar is er een afweging: zijn we bereid om omwille van onze veiligheid te accepteren dat de overheid, wanneer zij dat nodig acht, een ‘sleepnet’ uitzet waarin ieders persoonlijke gegevens terecht kunnen komen? De ontwerper van de wet, minister Ronald Plasterk, heeft zijn best gedaan het woord ‘sleepnet’ uit de discussie te houden. Hij vroeg de Kamerleden te spreken van ‘onderzoeksopdrachtgerichte interceptie‘. Dat woord heeft het, begrijpelijkerwijze, in de publieke discussie afgelegd tegen sleepnet, en eigenlijk is dat wel jammer. De wet is namelijk met veel gevoel voor nuance opgesteld. Ze bestaat uit 66 bladzijden (onleesbaar) proza en een toelichting van 366 bladzijden (hoeveel referendum-stemmers gaan dit doorploegen?). Bedreigingen voor de privacy kent ze zeker. Iedereen loopt het risico dat hij vanwege verdachte sujetten in zijn omgeving onder het sleepnet valt. Je hoeft niet per se grote zaken te verbergen te hebben om het toch een ongemakkelijk idee te vinden dat je wellicht door de veiligheidsdiensten wordt bespied. Het wordt nog ongemakkelijker als je in de uitoefening van je beroep regelmatig op ’jihadist’, ‘war in Syria’ of ‘Abu Bakr al-Baghdadi’ googelt. Kritische onderzoeksjournalisten en advocaten hebben bedenkingen tegen de wet. En zijn klokkenluiders nog wel bereid om gevoelige informatie met journalisten te delen als hun communicatie eventueel wordt afgeluisterd? Tegenstanders vrezen dat de wet voor deze groepen leidt tot zelfcensuur. Kunnen ze hun vak nog in vrijheid uitoefenen?

Controle
De gegevens mogen maar liefst drie jaar bewaard blijven, maar meestal zullen de veiligheidsdiensten, als een visser, de overbodige vangst (naar schatting 98%) snel weggooien. Zij geven aan daar zelf baat bij te hebben: een overmaat aan gegevens maakt het onderzoek alleen maar lastiger. Boven de gegevens die wél bewaard blijven, hangt een groot vraagteken: vandaag weet niemand wat morgen gebeurt met opgeslagen gegevens. Omdat je nooit weet wie na de volgende verkiezingen het inlichtingenapparaat aanstuurt, is voorzichtigheid geboden. Het was tot voor kort ondenkbaar, maar in de Verenigde Staten spant de regering-Trump zich in om toegang te krijgen tot lijsten van persoonsgegevens over kritische mensen en mensen met een (semi)illegale status. Ooit met de beste bedoelingen opgeslagen, zijn deze gegevens nu voorwerp van een gretige president. Altijd geldt: waar gegevens worden opgeslagen, is misbruik een mogelijkheid.
Voordat van zo’n sleepnet sprake is, moet echter heel wat gebeuren. De minister moet toestemming geven, waarna een bindend advies volgt van de op te richten Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB). Trots meldt het kabinet aan de Tweede Kamer: “In de benoemingsprocedure van de leden van de TIB zijn de belangen van zorgvuldigheid en onafhankelijkheid stevig verankerd.” Intussen heeft de Tweede Kamer twee rechters en een technische deskundige tot lid van de TIB benoemd. Daarnaast mag de commissie die doorgaans toezicht op de inlichtingendiensten houdt, achteraf of gedurende een onderzoek kijken of de diensten hun werk wel rechtmatig doen. 
Het beeld dat zomaar een sleepnet over woonwijken kan worden uitgegooid klopt dus niet. Er zitten controlerende schakels tussen. Die schakels en het werk van de geheime diensten kunnen echter nooit geheel transparant en controleerbaar zijn. Het gaat uiteindelijk om veiligheidsbeleid. Wat de geheime diensten doen moet zich wel gedeeltelijk aan ons oog onttrekken. Lange tijd namen we daar genoegen mee. Zo kon Nederland jarenlang een van de landen zijn met het hoogste aantal telefoontaps ter wereld. Blijkbaar hadden we veel vertrouwen in de politie. Tegenwoordig verlangen we meer transparantie. De tegenhanger van transparantie is vertrouwen. Een vraag om meer openheid is een teken van wantrouwen. Het brengt me op de gedachte dat in maart eigenlijk twee referenda worden gehouden: een over de sleepwet en een over het vertrouwen in de overheid.

Marcel Becker is universitair hoofddocent ethiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda