FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 01 February 2018 10:35

De oprechte liefde van Philomena

Jurgen Tiekstra Jurgen Tiekstra

De Britse speelfilm Philomena uit 2013 is gebaseerd op het gelijknamige boek over een Ierse vrouw van wie het kind door nonnen werd afgenomen. Het is een film over vergeving. Maar het is de vraag of de vergeving die we te zien krijgen wel zo edelmoedig is.

"De Heer Jezus Christus zal over mij oordelen, niet een type als u”, bijt de bejaarde non van zich af. Haar wangen gloeien. Ze zit in een rolstoel, in een privévertrek van het klooster van Roscrea, een stad in Ierland. “Echt?”, schampert journalist Martin Sixsmith. “Als Jezus hier was, zou hij u uit die rolstoel lazeren.”

Tot vergeving bereid
We kijken naar een van de laatste scènes van de speelfilm Philomena uit 2013, vakkundig gemaakt door de Britse regisseur Stephen Frears. Aanjager van dit filmproject was de acteur Steve Coogan, die voor de film zelf in de huid kroop van Martin Sixsmith. Vier jaar eerder had Coogan een artikel van deze Sixsmith gelezen in dagblad The Guardian. Hierin vertelde de journalist over een Ierse vrouw van wie het buitenechtelijke kind in de jaren vijftig was afgenomen door de rooms-katholieke kerk. De bewuste vrouw had uit schaamte altijd over deze affaire gezwegen, maar was haar leven lang door vragen verteerd: Waar was haar zoon gebleven? Hoe was zijn leven verlopen? Had hij nog ooit aan haar gedacht?
Bij toeval was Sixsmith in 2004 in contact gekomen met deze vrouw, Philomena Lee, en in de jaren daarna hielp hij haar om alles over haar verloren zoon te achterhalen. Over die zoektocht publiceerde hij in 2009 een roman, die op feiten berust: The lost child of Philomena Lee. Het boek beschrijft met name de opmerkelijke wending die het leven van het Ierse jongetje nam vanaf zijn adoptie in 1955 door een katholiek echtpaar uit de Verenigde Staten. Door zijn adoptieouders omgedoopt tot Michael Hess klom hij op tot topjurist in de Republikeinse Partij, in de jaren van president Ronald Reagan en daarna George Bush senior. Gaandeweg ontdekte Martin Sixsmith zelfs dat hij Michael Hess ooit in Washington is tegenkomen, toen hij zelf BBC-correspondent in de VS was.
In de film wordt Philomena Lee gespeeld door Judi Dench, een actrice met wie ze het geboortejaar deelt: 1934. In een latere editie van het boek van Sixsmith schreef Dench een voorwoord waarin ze zegt dat ze het “verbijsterend” vindt dat Philomena “zelfs na alles wat haar is aangedaan haar sterke religieuze overtuiging heeft kunnen behouden”. Dat schrijft ze niet zonder bewondering. Judi Dench zag bij haar leeftijdsgenoot “een nederig stemmende bereidheid tot vergeving”.
Ook journalist Martin Sixsmith is precies daarvan onder de indruk. Jaren later terugkijkend op zijn boek sprak hij, in opnieuw The Guardian, over de edelmoedigheid en generositeit die Philomena Lee heeft laten zien.
Het is intrigerend dat iemand die kan vergeven op zoveel bewondering kan rekenen. Misschien komt dat doordat we zo vaak in ons eigen lichaam de wrok en de rancune voelen jeuken. En misschien komt het doordat we zelf zo graag bevrijd zouden zijn van die lelijke verongelijktheid. Dus we kijken met enige jaloezie naar iemand die zichzelf niet, zoals wij wel, laat bederven door ressentiment. Want wie in staat is te vergeven, bevrijdt zichzelf. Die persoon laat zich niet zijn leven lang ketenen door het onrecht dat hem ooit door anderen is aangedaan.

Geen soeverein gebaar
Maar het is de vraag of het met Philomena Lee zo simpel ligt, of we hier ook in werkelijkheid te maken hebben met zo’n edelmoedige vrouw. Toen de naar haar genoemde speelfilm uitkwam, vertelde ze in een vraaggesprek in de Britse krant The Daily Mail hoe het zover was gekomen dat ze een buitenechtelijk kind had gekregen. Ze was zes, vertelde ze, toen haar moeder aan tuberculose overleed. Het gevolg was dat ze samen met twee zussen door haar vader in een klooster werd ondergebracht. Toen ze achttien jaar werd, kon ze daaruit vertrekken en ging ze bij haar tante wonen. Met die tante bezocht ze een paar weken later een kermis in Limerick, waar ze een aantrekkelijke jongen tegen het lijf liep. Met hem had ze dezelfde dag nog seks. Zestig jaar na dato bezweert Philomena Lee dat ze geen idee had dat ze daar zwanger van kon worden. In haar kloosterjaren was ze volkomen onwetend gehouden. Haar tante moest haar er een paar maanden later op wijzen dat haar buik opzwol en dat ze blijkbaar in verwachting was.
Opnieuw werd ze weggestopt, opnieuw in het klooster. Daar werd haar zoontje geboren. In ruil voor hulp moest ze drie jaar in de wasserette van het klooster werken en op papier afstand doen van het kind. Op een dag, zonder enige vooraankondiging, werd haar zoontje meegegeven aan Amerikanen.
Bitter pijnlijk is het dat ze in de jaren daarna, toen ze het klooster inmiddels had kunnen verlaten, nog herhaaldelijk is terug gekeerd om te vragen door wie haar zoon geadopteerd was, terwijl de nonnen bleven weigeren het haar te vertellen.
Het is te simpel gezegd dat Philomena Lee met een soeverein gebaar over haar hart heeft gestreken en de nonnen het immense verdriet heeft vergeven dat ze haar hebben bezorgd. Eerder lijkt het alsof haar kijk op schuld en vergeving sterk is beïnvloed door haar hardvochtig katholieke jeugd, en dus niet de geheel eigenmachtige kijk is van iemand die in volle zelfbeschikking vergééft.

Zonde begaan
Toen ze als gebroken moeder uit het klooster kwam, vertrok ze naar Liverpool waar ze een man trouwde en twee andere kinderen kreeg. Pas vele jaren later, bijna vijftig jaar na dato, durfde ze aan haar gezin te bekennen dat ergens op aarde ook een ander kind van haar rondliep. Dat ze het niet eerder had durven vertellen, kwam door een aanhoudend gevoel van schuldigheid en zonde. “Het stond zo in mijn hart gegrift dat ik het niemand mocht vertellen”, vertelt ze in het boek van Martin Sixsmith. “Wij waren geïntimideerd, het was zo’n zonde.”
Het valt op dat ze het de nonnen niet verwijt dat die haar als zondaar hebben behandeld. Die geloofden nu eenmaal dat zij een zonde had begaan, als ongetrouwde vrouw met kind, zegt ze. Afgaand op de lange tijd dat ze zelf het bestaan van haar zoon geheim hield, had ook zijzelf dat geloof altijd behouden – als een verzengende gedachte die ze niet kwijt kon raken. Toen ze eindelijk wel de moed vond om haar verhaal te vertellen, lukte het haar nog steeds niet geestelijke ruimte te vinden om zichzelf vergiffenis te schenken. In plaats daarvan vervloekte ze zichzelf, zegt ze in het boek. Doordat zij haar geheim onnodig lang heeft bewaard, vond ze haar zoon veel te laat terug. Ze teistert zich met zelfverwijt op zelfverwijt.
Zo lijkt het alsof haar vergeving van wat de nonnen hebben gedaan vooral voortkomt uit haar eigen zondebesef. Dat is geen soeverein gebaar van vergeving. Dat is eerder een diepgewortelde, onophoudelijke aanklacht van zichzelf.

Oprechte liefde
Maar één ding blijft zuiver, en wordt niet bezoedeld door al dat zelfverwijt en schuldbesef. En daar vlamt haar woede wél op in de richting van de nonnen. Toen haar geadopteerde zoon zelf volwassen was geworden, bezocht hij het klooster in Roscrea in een geheel eigen zoektocht naar wie zijn biologische moeder was geweest. Daar werd hem verteld dat zijn moeder hem direct bij geboorte had achtergelaten, terwijl ze in werkelijkheid nog drie jaar bij hem was geweest.
Dat leugenachtige verhaal dat zij hem zou hebben verlaten deed haar nog het hevigste pijn. Want te midden van alle twijfel aan zichzelf als mens heeft ze nooit enige twijfel gehad aan de liefde die zij als moeder had voor het jongetje dat uit haar werd geboren. Haar oprechte liefde voor haar kind is te oogverblindend zuiver om door een hardvochtig geloofssysteem bevuild te kunnen worden. Alsof het een liefde is die soeverein is, en haar eigen gebrekkigheid ontstijgt.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda