FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 30 January 2018 10:18

‘De term geest zit ons in de weg’

Tekst: Elleke Bal Tekst: Elleke Bal Beeld: Erik van der Burgt

Volgens de Tilburgse hoogleraar Jenny Slatman waart er een spook door de gezondheidszorg. Het begrip ‘geest’ zaait volgens haar in de medische wereld veel verwarring. Ze pleit ervoor om het begrip uit het woordenboek van de gezondheidszorg te schrappen en op zoek te gaan naar een breder begrip van lichamelijkheid.

Vermoeidheid, buikpijn, pijn in spieren en gewrichten, zweten en slaapproblemen. Allemaal klachten die voorkomen bij patiënten die – vaak na een lang medisch traject – het label SOLK krijgen: somatisch onverklaarde lichamelijke klachten. En dat zijn er nogal wat in Nederland. Uit onderzoek blijkt dat zo’n 40 procent van de patiënten die bij de huisarts binnenlopen medisch onverklaarde klachten rapporteren. Veel daarvan gaan vanzelf over. Maar soms worden ze chronisch. Zo kunnen chronische vermoeidheidsklachten volgens artsen uitgroeien tot ME (myalgische encefalomyelitis).
Wie met ME bij de specialist komt, krijgt meestal cognitieve gedragstherapie aangeboden. Daarmee wordt gesuggereerd dat het probleem ‘tussen de oren’ zit. Onterecht, vinden onder meer patiëntenorganisaties. ME is niet onverklaard, zeggen zij. “Veel van deze patiënten voelen zich niet serieus genomen”, zegt hoogleraar Medical Humanities Jenny Slatman. Ze is geboeid door ME en SOLK omdat de ziektes volgens haar typerend zijn voor hoe artsen omgaan met het onderscheid tussen lichaam en geest. Klachten die geen lichamelijke oorzaak hebben, komen automatisch terecht in het kaartenbakje ‘psychisch’. Patiënten met SOLK zouden volgens haar beter geholpen kunnen worden als er een einde zou komen aan die spagaat in ons denken.
Onlangs ontving Slatman een Vici-subsidie van 1,5 miljoen euro voor haar onderzoeksproject Mind the Body. Daarmee wil ze de komende vijf jaar onderzoek doen naar hoe mensen lichamelijkheid ervaren. Ze richt zich in het bijzonder drie grote gezondheidsproblemen van deze tijd: depressie, obesitas en SOLK. Door te bestuderen hoe patiënten met deze problemen over hun lichaam denken en spreken, hoopt ze verder te komen dan de in haar ogen simplistische lichaam-geest scheiding. Maar omdat artsen en therapeuten alles wat geen lichamelijke oorzaak heeft vaak afdoen als iets geestelijks, doet ze ook een opmerkelijk voorstel. Tijdens haar oratie pleitte ze ervoor om de term ‘geest’ uit het woordenboek van de gezondheidszorg te schrappen.

Containerbegrip
In de gezondheidszorg wordt er over mensen gesproken alsof ze uit een stukje lichaam een stukje geest bestaan. Jenny Slatman vindt dat maar vreemd, vertelt ze op een winterse middag in een vergaderzaal van Tilburg University. De term ‘geest’ zit nogal in de weg, vindt ze. Of de geest wel of niet bestaat, daar is ze niet in geïnteresseerd. Ze heeft geen religieuze associaties bij het begrip – en heeft met religie ook niet zoveel – maar religie ziet ze wel als een terrein waarin het geestelijke een zinvolle betekenis heeft. “Er is taal voor in religie, je kunt er theologische discussies over voeren, er zijn definities van.” In de gezondheidszorg is dat niet zo, daar is het een containerbegrip geworden.”
Als dokters of hulpverleners de term ‘geest’ gebruiken, dan spreken ze over wat ze niet kennen. Slatman voerde er aan de Universiteit Maastricht vele gesprekken over met geneeskundestudenten. Ze begeleidde filosofische en ethische reflectiesessies op casussen uit de praktijk. Als het onderwerp SOLK of het chronisch vermoeidheidssyndroom voorbijkwam, ging er vaak een diepe zucht door het klaslokaal. Slatman begon dan wat prikkelende vragen te stellen. Waar zou die chronische vermoeidheid vandaan komen? Studenten verwezen dan steevast naar het psychische. Slatman ging erop door, want wat is dan psychisch? “Dat is geestelijk”, zeiden de studenten dan, deze patiënten zouden naar de psycholoog of psychiater moeten.
De houding van de studenten is volgens Slatman typerend voor hoe hardnekkig er in de gezondheidszorg wordt vastgehouden aan de scheiding tussen lichaam en geest. Om te begrijpen hoe dat is gekomen moeten we terug naar de zeventiende-eeuwse filosoof Descartes en het ‘Cartesiaans dualisme’. Descartes stelde dat de geest een immateriële substantie zou zijn, die losstaat van het materiële lichaam en de hersenen. Hij trok zijn conclusie op basis van een filosofische denkoefening, zegt Slatman. Hij vroeg zich af waaraan hij kon twijfelen in het leven, en concludeerde dat zijn bestaan als ‘twijfelend ik’ zijn enige zekerheid was. Dat twijfelende ik kon volgens hem niet materieel zijn, omdat hij aan de materiële werkelijkheid altijd kon twijfelen. Zo ontstond in zijn denken het verschil tussen betwijfelbaar en onbetwijfelbaar, materieel en niet-materieel, lichaam en geest.
“Het had niets met de gezondheidszorg te maken!” roept Slatman uit. Dat het een probleem is geworden binnen de gezondheidszorg komt door ons taalgebruik: de term ‘geest’ is gangbaar geworden, en als we een woord gebruiken gaan we er vanuit dat het naar ‘iets’ in de werkelijkheid verwijst.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda